is chef van de politieke redactie.
Zondag wordt het Nationaal Moluks Monument onthuld, een uitstekende gelegenheid om het onrecht te erkennen dat de Molukkers is aangedaan.
Volgens de overlevering waren er Molukkers die nog in 1951, toen hun schip de trossen losgooide voor de reis naar Nederland ‘leve de koningin riepen’ – zo verbonden voelden zij zich met hun kolonisator. De koude douche volgde voor sommigen al tijdens de reis, toen zij te horen kregen dat ze werden ontslagen als militair. Voor veel anderen kwam die mededeling na aankomst in Rotterdam, waar de ontvangst allesbehalve hartelijk was. Geen koningin of premier om hen welkom te heten en te bedanken voor bewezen diensten. Wel een kale busreis naar Amersfoort en daarna de verdeling over de ‘woonoorden’ waar zij het verder maar moesten uitzoeken.
Niet alles is de Nederlandse overheid te verwijten. De Molukkers zijn in hoge mate tussen de wielen van de geschiedenis gekomen. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) was voor veel jonge Molukse mannen een nooduitgang uit een tamelijk uitzichtloos bestaan, zonder dat zij konden voorzien dat ze daardoor eind jaren veertig tegenover de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders zouden komen te staan.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Toen het pleit in 1949 in het nadeel van Nederland was beslecht, vielen de Molukse strijders tussen de wal en het schip: met de nek aangekeken in Indonesië, zéker niet welkom op Ambon waar zij een onafhankelijke staat wilden stichten, en uiteindelijk in arren moede dan maar getransporteerd naar Nederland om daar te worden gedemilitariseerd.
Hun verblijf zou tijdelijk zijn, daarover waren de Molukkers en Nederland het eens. De nalatigheid begon toen binnen enkele jaren toch duidelijk was – in elk geval voor de Nederlandse regering – dat de onafhankelijke Molukse staat er echt niet zou komen.
Toen had er een plan moeten worden gemaakt om de gemeenschap een beter toekomstperspectief te gunnen. In plaats daarvan bleef alles gericht op tijdelijkheid, met gebrekkig onderwijs en mistroostige woonomstandigheden, lange tijd zelfs zonder de kans om het Nederlandse staatsburgerschap te verkrijgen. Omdat veel Molukkers het Indonesische staatsburgerschap weigerden, werden ze in de praktijk stateloos. Zelf bleven ze halsstarrig geloven in een eigen republiek, maar Nederland heeft lange tijd ook weinig ondernomen om hun isolement hier te doorbreken.
De tijd heeft z’n werk gedaan. Veel Nederlandse Molukkers van de jonge generaties hebben hun weg gevonden en verlangen ook niet meer naar een vertrek. Wel vraagt de gemeenschap al jaren om erkenning van de benarde omstandigheden waarin hun ouders en grootouders mede door toedoen van de Nederlandse overheid zijn beland, waardoor ook hun kinderen forse achterstanden hadden weg te werken.
De Molukse gijzelingsacties in de jaren zeventig maakten het voor opeenvolgende kabinetten niet makkelijker om aan die roep tegemoet te komen. De Molukkers, die aanvankelijk veel sympathie genoten, stonden er opeens slecht op in het land. Maar nu we weten dat zelfs oud-premier Dries van Agt – in 1977 nota bene verantwoordelijk voor de beëindiging van de Molukse treinkaping bij De Punt – voor zijn dood in een brief aan koning Willem-Alexander vroeg officieel te erkennen dat ‘groot onrecht is bedreven aan de Molukkers’, staat de huidige regering niets in de weg om er eindelijk eens werk van te maken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant