Transacties Volgens oud-rechter Marcel van Oosten ontwijkt het OM het toezicht van de Toetsingscommissie Hoge Transacties door grote fraudezaken via strafbeschikkingen af te doen. „Dit is een gevaarlijke en met de rechtsstaat strijdige ontwikkeling.”
Rechtbank Amsterdam.
De voorzitter van de onafhankelijke commissie die toezicht houdt op de ‘hoge transacties’ van het Openbaar Ministerie is gefrustreerd opgestapt. Oud-rechter Marcel van Oosten bevestigt eind vorig jaar ontslag te hebben genomen, omdat het OM volgens hem de Toetsingscommissie Hoge Transacties (THT) buitenspel heeft gezet.
In 2021 werd die commissie opgericht om toezicht te houden op schikkingen van meer dan 200.000 euro met rechtspersonen die van fraude worden verdacht. Om tegemoet te komen aan de maatschappelijke kritiek dat bedrijven zoals ING (775 miljoen euro) strafvervolging makkelijk konden afkopen, leidinggevenden vrijuit gingen en hoge transacties niet door een rechter werden getoetst, kondigde toenmalig minister van Justitie Ferd Grapperhaus (CDA) een toetsingscommissie aan „met deskundige en gezaghebbende leden”.
Van Oosten, voormalig vicepresident van de rechtbank Amsterdam, werd bij oprichting van de THT als voorzitter benoemd. Verwacht werd dat de commissie jaarlijks zo’n tien hoge schikkingen zou toetsen. Dat aantal bleek fors minder: uit OM-jaarcijfers blijkt dat van 2021 tot en met 2024 zeven hoge transacties werden gesloten. Vorig jaar lag dat aantal zelfs op nul.
Volgens Van Oosten hangt het lage aantal zaken dat aan de commissie wordt voorgelegd samen met de keuze van het OM om grote strafzaken tegen van fraude verdachte bedrijven steeds vaker met een strafbeschikking af te doen – in plaats van een hoge transactie. Daarmee wordt de THT omzeild. Bij zo’n strafbeschikking legt het OM zonder toetsing van een rechter of commissie zelf straffen op. Eind 2025 legde het OM via zo’n strafbeschikking nog een boete op van 101 miljoen euro aan de Amerikaanse zakenbank Morgan Stanley.
Volgens de opgestapte voorzitter heeft het OM sinds 2021 minstens 23 keer een strafbeschikking van 200.000 euro of meer opgelegd aan bedrijven en andere rechtspersonen in zaken, die voor een hoge transactie in aanmerking zouden kunnen komen.
Van Oosten wijst erop dat de strafbeschikking in 2008 door de wetgever werd gepresenteerd voor veelvoorkomende en relatief lichte strafzaken, zoals diefstal en eenvoudige mishandeling. Het onafhankelijke toezicht van de THT werd juist ingesteld voor omvangrijke buitengerechtelijke afdoeningen. Door grote fraudezaken zoals tegen Morgan Stanley via een strafbeschikking af te doen, verdwijnt nu dat toezicht. „Het omzeilen van de toetsing is een gevaarlijke en met de rechtsstaat strijdige ontwikkeling”, aldus Van Oosten.
Diverse andere commissieleden vinden deze ontwikkeling ook onwenselijk. Naast Van Oosten bijvoorbeeld ook hoogleraar Jan Crijns en Alice Faber, voormalig raadsheer van de Ondernemingskamer, laten ze weten. Eind vorig jaar is Faber tegelijk met Van Oosten opgestapt. Crijns stopt in september vanwege „drukke bestuurlijke bezigheden”. Vanaf dan wordt de onafhankelijke commissie nog bemand door twee (oud-)officieren van justitie en een staatsraad van de Raad van State.
Voor bedrijven is een strafbeschikking soms aantrekkelijk. Bij een hoge transactie publiceert het OM doorgaans een uitgebreid feitenrelaas met de gedragingen van de betrokken onderneming en het toetsingsadvies van de commissie. Bij een strafbeschikking ontbreekt een openbare verantwoording en blijft het doorgaans bij een summier persbericht. Volgens Van Oosten leidt dat tot minder transparantie en kunnen bedrijven daardoor reputatieschade gemakkelijker beperken.
Het OM stelt in een reactie op vragen van NRC dat steeds vaker hoge strafbeschikkingen worden aangewend „om verstopping van de strafrechtsketen te voorkomen en maximaal op te treden tegen rechtspersonen die de wet overtreden”. Vanwege de toename van het aantal hoge strafbeschikkingen werkt het OM momenteel „aan beleid waarin wordt beschreven wanneer dat op zijn plaats is en hoe de procedure dient te verlopen”. Ook kijkt het OM of ze de transparantie kan vergroten en extra waarborgen kan inbouwen.
Bij hun opstappen hebben Van Oosten en Faber ook zorgen geuit over de onafhankelijkheid van de commissie. Volgens hen heeft het College van procureurs-generaal (PG) meerdere adviezen van de commissie om die onafhankelijkheid te borgen naast zich neergelegd. Zo werd de benoemingstermijn van commissieleden in weerwil van het advies van de commissie teruggebracht naar drie jaar: te kort om voldoende ervaring op te bouwen. Ook hebben de twee oud-rechters kritiek op de benoemingsprocedure, waarbij het College zelfstandig bepaalt wie tot de commissie toetreedt.
Van Oosten en Faber stellen ten slotte dat ze hun taak niet konden vervullen, omdat onvoldoende informatie uit de onderliggende strafdossiers ter beschikking wordt gesteld. Dat verhindert volgens hen een zorgvuldige toetsing: zo zou niet kunnen worden gecontroleerd of er voldoende bewijs is.
Volgens het OM staat de onafhankelijkheid van de commissie niet ter discussie. Het College kijkt welwillend naar verzoeken om informatie. Dat de zittingstermijn naar drie jaar is verkort, is om te waarborgen dat de werkervaring van commissieleden „blijft aansluiten bij de casuïstiek waarover ze adviseren”.
Begin dit jaar heeft Van Oosten de PG bij de Hoge Raad, toezichthouder bij het OM, gevraagd onderzoek in te stellen naar de wijze waarop het OM hoge transacties en strafbeschikkingen inzet. Dinsdagmiddag maakte de PG bij de Hoge Raad bekend zo’n onderzoek uit te zullen voeren.