Zuid-Afrika herdenkt het scholierenprotest dat dinsdag precies een halve eeuw geleden plaatsvond in Soweto, een zwarte wijk van Johannesburg. De opstand, met ruim 170 doden en duizenden gewonden, wakkerde het vuur aan van de op dat moment noodlijdende anti-apartheidsbeweging.
is correspondent Afrika voor de Volkskrant.
Bij het Hector Pieterson Museum in Soweto, vernoemd naar een 12-jarige scholier die bij de opstand op 16 juni 1976 als een van de eersten werd doodgeschoten door de politie, vindt dinsdag een officiële herdenking plaats. Een foto van de stervende Zolile Hector Pieterson, vergezeld door zijn 17-jarige zus Antoinette, werd het symbool van de opstand. In Zuid-Afrika wordt de Soweto-opstand elk jaar herdacht als ‘Jongerendag’.
Het scholierenprotest ontbrandde over een taalstrijd. Op scholen waar zwarte kinderen in Zuid-Afrika verplicht naartoe moesten, was twee jaar eerder naast het Engels ook het Afrikaans ingevoerd als officiële taal. Maar scholieren weigerden nog langer Afrikaans te leren. Volgens de latere aartsbisschop Desmond Tutu was dat immers de ‘taal van de onderdrukker’.
In Soweto, een van de zwarte townships rondom Johannesburg, vonden in het voorjaar van 1976 al eerder kleine protesten plaats. Op 16 juni 1976 gingen middelbare scholieren bij duizenden de straat op. Leerkrachten en jongere leerlingen sloten zich spontaan bij het protest aan.
De organisator, de toen 19-jarige Teboho McDonald Mashini, benadrukte dat alles vooral ‘vreedzaam’ moest verlopen. Maar de politie probeerde de jongeren met geweld uiteen te slaan. Toen een van de scholieren een politiehond doodde die op de menigte werd afgestuurd, openden de agenten het vuur, met dramatische gevolgen: 176 doden en duizenden gewonden.
Het scholierenprotest leidde tot weer nieuwe protesten, die ook met geweld werden neergeslagen. Eind 1976 waren er in totaal ruim 700 doden gevallen.
Beelden van witte politieagenten die het vuur openden op zwarte kinderen, leidden tot internationale ontzetting. Een maand na de Soweto-opstand, in juli 1976, nam de VN-Veiligheidsraad een resolutie aan waarin zij zich uitsprak als ‘diep geschokt’ over het geweld en nogmaals uitsprak dat apartheid een misdrijf is ‘tegen het geweten en de waardigheid der mensheid’. John Vorster, de toenmalige president van Zuid-Afrika, werd een omstreden figuur.
Ten tijde van de scholierenrellen leidde de anti-apartheidsstrijd een tamelijk noodlijdend bestaan. Nelson Mandela, die als kopstuk van de anti-apartheidsbeweging ANC vanaf 1964 een levenslange gevangenisstraf uitzat op Robbeneiland, zou later schrijven dat het ANC in die jaren was weggezakt ‘in de schaduw’.
Maar Soweto maakte het pad naar verzet duidelijk. Massaal sloten jongeren in de townships zich aan bij de gewapende tak van het ANC, dat clandestien opereerde vanuit Zambia. Zo ontstond een nieuwe generatie anti-apartheidsactivisten, die uiteindelijk vele jaren later, in 1990, de overwinning zou bereiken.
Vijftig jaar na dato gaan jongeren in Zuid-Afrika niet meer de straat op voor onderwijs. Maar Zuid-Afrika blijft een van de meest ongelijke landen ter wereld. Alleen is de achterstand nu niet meer politiek van aard, maar economisch. De armoede en werkloosheid zijn groot. ‘De jongeren van 2026 vechten voor een plek op de arbeidsmarkt’, schrijft de Zuid-Afrikaanse krant Sunday Times aan de vooravond van de herdenking van Soweto.
Source: Volkskrant