Home

Opinie: Wie zelf grondstoffen verwerkt en ketens beheert, laat zich niet chanteren

Het echte antwoord op China is geen afweer, maar het opbouwen van een eigen, moderne industriële kracht in Europa.

Het Europese debat over China staat op een kritieke afslag. De angst dat China onze markten overspoelt en onze industrie uitholt, leidt tot een luide roep om afweer: heffingen, screening en noodbevoegdheden. Dat is een gevaarlijke route, want Europa kan China niet meer naar zijn hand zetten. China beheerst de verwerking van vrijwel alle kritieke grondstoffen en toonde vorig jaar met exportbeperkingen op zeldzame aardmetalen, gallium en magneten hoe snel het onze auto-, chip- en defensie-industrie kan droogleggen.

Zelfs Washington liep tegen die afhankelijkheid aan: toen het de tarievenoorlog opvoerde, kneep Beijing de aanvoer af en bracht Amerikaanse fabrikanten binnen weken in de problemen.

Wie zich louter ingraaft tegen zo’n overmacht, trekt aan het kortste eind.

Over de auteur

Robin van Boxtel is werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en het World Trade Institute.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Keerzijde

Maar die Chinese kracht heeft een keerzijde. Achter de exportcijfers schuilt een economie die marktaandeel koopt zonder er iets aan te verdienen, en de rekening thuis betaalt in deflatie en chronische overcapaciteit. Daarom moet Europa niet de defensieve kaart spelen. Heffingen en vangnetten houden vooral bestaande spelers overeind, vaak in sectoren waar Europese partijen hun positie hebben zien slijten.

Neem de auto-industrie: die blijft bestaan, maar zal een minder vitale rol moeten gaan spelen en zich meer op de eigen markt richten – geen race tegen China aan het subsidie-infuus. De koers ligt elders: zelf de sectoren van morgen opzetten, en daarmee weer eigen economische tegenwicht opbouwen in plaats van die aan China te laten.

Toch koerst Brussel juist de verkeerde kant op. De Europese leiders bespreken deze week een nieuw wapen: het ‘overcapaciteitsinstrument’, waarmee Chinese bedrijven de toegang tot hele marktsectoren kan worden ontzegd. De aanleiding: China is goed voor zo’n dertig procent van de mondiale productie, maar slechts dertien procent van de consumptie.

Venijnig

Beijing dreigt al met ‘resolute tegenmaatregelen’ en kaatst de bal terug — als een handelsoverschot ‘overcapaciteit’ heet, vroeg woordvoerder He Yadong, moeten we dan ook de Europese export van auto’s, wijn en cosmetica zo noemen? De vraag is venijnig, en raak. Want het echte probleem is niet de hoogte van de muur, maar dat er achter die muur steeds minder overblijft om te beschermen.

Hoe scheef het speelveld is, toont het nieuwe MAGIC-rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso), die voor het eerst meet wat bedrijven aan staatssteun écht ontvangen. Chinese bedrijven kregen voorzichtig geschat gemiddeld drie tot acht keer meer dan die in Oeso-landen. Daarnaast is zo’n zestig procent van hun marktaandeelwinst daartoe te herleiden, zonder dat het hun productiviteit verhoogde.

Toch is het te makkelijk om alles aan subsidies toe te schrijven. Binnen de gesubsidieerde arena geldt het recht van de sterkste: bedrijven beconcurreren elkaar tot de marges verdampen. Geen centrale planning dus, maar staatsgestuurde creatieve destructie. Die mengvorm, gecombineerd met een risicobereidheid die Europa juist mist, verklaart het Chinese tempo.

Langste deflatie

In diezelfde meedogenloze concurrentie schuilt ook de zwakte. De Chinezen hebben er een woord voor: neijuan, involutie — de uitputtingsslag waarin bedrijven onder de kostprijs verkopen om marktaandeel vast te houden. Het leidde tot China’s langste deflatie sinds de jaren zeventig: 41 maanden lang daalden de producentenprijzen, tot afgelopen maart. De huishoudconsumptie blijft steken op 38 procent van het bruto binnenlands product (mondiaal is dat 57 procent). De totale schuld nadert 290 procent, en het Internationaal Monetair Fonds waarschuwde dat China ‘te groot is om nog veel groei uit export te halen’.

Het defensieve gereedschap deelt één gebrek: het schuift Europa’s structurele zwakheden voor zich uit. Die zwakheden zijn het echte probleem. Christophe Fouquet, topman van ASML, verwoordde het in The Financial Times: ‘Hoe kun je ingrijpen in de keten als je geen eigen keten hebt?’

ASML verkoopt amper één procent van zijn machines in Europa, een teken van hoe dun de eigen vraagbasis is. En de inzet is enorm: van de achttien ‘arena’s’ die de wereldeconomie tot 2040 bepalen, samen 29 tot 48 biljoen dollar, bezitten de VS en China negentig procent; Europa minder dan tien.

Geslaagd beleid

We tasten niet in het duister over wat werkt. Onderzoek naar geslaagd industriebeleid wijst op harde voorwaarden: concurrentie bínnen de steunsectoren, tijdelijkheid van steun, en steun alleen in ruil voor prestaties op de wereldmarkt. De meest verwaarloosde les is echter de vraagkant.

Operation Warp Speed ten tijde van de covid-pandemie slaagde doordat de Amerikaanse overheid de vaccins vooraf opkocht; Airbus, het door de Commissie zelf geroemde voorbeeld van Europees industriebeleid, rust op een markt met gegarandeerde afzet. Europa kan en moet die vraag zélf gaan scheppen.

De opgave is om toekomstsectoren aan te wijzen en daarbinnen aanbod én vraag te organiseren, onder strikte voorwaarden van concurrentie en prestatie. Dit is het enige duurzame antwoord op China’s grootste machtsmiddel: wie zelf grondstoffen verwerkt en ketens beheert, laat zich niet chanteren.

Concurrenten

Dat begint bij energie (Europese bedrijven betalen twee tot drie keer zoveel voor stroom als de Amerikaanse), bij vraag (veertien procent van het bbp aan aanbestedingen, nauwelijks benut) en bij kapitaal (nog steeds lekken honderden miljarden aan Europees spaar- en pensioengeld weg, vooral naar de VS). We financieren de arena’s van onze concurrenten.

Waarom kiest Europa dan toch steeds voor de verdediging? Omdat het de makkelijke weg is: een heffing vergt geen fonds van tientallen miljarden waar bedrijven uit andere lidstaten mogelijk van profiteren, geen grensoverschrijdend stroomnet en geen pijnlijke afdracht van nationale bevoegdheden. Constructief industriebeleid vraagt precies díe staatscapaciteit.

Deze week kiezen de Europese leiders waarschijnlijk voor de op korte termijn makkelijke weg van defensieve instrumenten, die onze economie tegenover China alleen maar verder laat wegzakken, terwijl we eindelijk zouden moeten bouwen aan een economie die er op de lange termijn ook nog toe doet.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next