Dit weekend ging ik even langs bij een vriendin die alleen nog maar over haar elf maanden oude zoontje praat. Wanneer anderen dat doen heeft dat op mij de werking van een slaappil, maar doordat deze vriendin ontwikkelingspsycholoog is, vormt ieder bezoek aan haar en baby Rudolf een razend interessant hoorcollege. Zelfs toen Rudolf tijdens een onbewaakt moment uit de kattenbak begon te eten en K. druk bezig was om de kattenkorrels uit haar hevig stribbelende nazaat te schrapen, wist ze nog allerlei interessants te vertellen over zijn microbioom.
Ook het bezoek van afgelopen zaterdag was leerzaam, zij het om andere redenen dan normaal.
„Rudolf liep tot dusver een beetje voor op zijn leeftijdsgenoten”, begon K. terwijl ze me na binnenkomst de excelsheets liet zien, „maar er is iets veranderd. Kijk!”
Ze ging naast Rudolf op het speelkleedje zitten en toonde hem zijn lievelingsknuffel André (een avocado met voetjes). Vervolgens nam K. een doek en legde die over André heen. Rudolf vertrok geen spier en ging gewoon door met graaien in mijn handtas.
„En wat is hier nou bijzonder aan?” vroeg ik terwijl ik de kalmeringsmiddelen uit zijn vuistjes peuterde.
„Hij is nog niet in staat tot objectpermanentie!” jubelde K.
Er ging een vage bel rinkelen uit mijn ene jaar Psychologie. Was objectpermanentie niet dat een baby, wanneer iets uit het zicht wordt gehaald, blijft onthouden dat het bestaat?
„Yep,” zei K. „Doorgaans ontwikkelen ze dit tussen de zeven en twaalf maanden, maar Rudolf is wat aan de late kant en dat vind ik stiekem helemaal niet erg.”
„Hoezo niet?”
„Omdat er met objectpermanentie ook verlatingsangst ontstaat.”
Daar zei ze wat. En niet alleen verlatingsangst, maar ook het gevoel van verlies wanneer iets – of iemand – is verdwenen.
Een collega die ik lang heb gekend en bewonderd, overleed twee weken geleden. Ze was veel te jong. De hele tijd moet ik mezelf er niet alleen aan herinneren dat ze weg is, maar ook dat ze nooit meer zal terugkomen. Elke dag is er een lawine aan herinneringen, en het gevoel dat de wereld bestolen is. Dat is de andere kant van objectpermanentie. Het vormt de oerknal van gemis.
„Ja”, zei K., „dat blijft Rudolf tenminste nog even bespaard.”
Toen ik naar huis slofte dacht ik aan doeken. Hoe je er iets onder kan verbergen en er vervolgens weer onder vandaan kan toveren. Even veranderde het hier en nu in een plek waar lappen overheen waren gedrapeerd, die ieder moment weer konden worden opgetild.
Dan zou alles weer goed zijn.
Dan zou alles weer kloppen.