Als meester van het absurdisme schopte Wim T. Schippers met tv-programma’s als Hoepla, De Fred Haché Show en Van Oekel’s Discohoek tegen alles wat braaf, burgerlijk en koninklijk was. En wie is er niet opgegroeid met dat nasale, krakende stemgeluid van Ernie?
schrijft voor de Volkskrant over dans en (circus)theater.
Wim T. Schippers was een ontregelende totaalkunstenaar die categorisch weigerde zich in een hokje te laten stoppen. Net als in zijn beeldende kunst wist hij zijn subversieve meligheid en onwaarschijnlijke logica ook door te trekken naar al zijn radio-, televisie- en toneelwerk. Met even wanordelijke als onvergetelijke televisie- en toneelscènes tot gevolg.
Natuurlijk is menig kind opgegroeid met dat tikje nasale, krakende stemgeluid van kinderheld Ernie in Sesamstraat. Samen met Paul Haenen (de stem van Bert) legde Schippers als Ernie de nadruk op een absurde, humoristische, kibbelende dynamiek tussen de twee onafscheidelijke vrienden.
De dialogen en liedjes tussen Bert en Ernie werden door hem en Haenen vaak ter plekke geschreven en geïmproviseerd. Dat zorgde voor een betweterige eigenzinnigheid, die leuk was voor zowel kinderen als volwassenen.
Het inspreken van de stem van deze ‘eeuwige kwajongen’ was zeker geen simpele kinderklus. Schippers zag Ernie, met dat snaterende giechelen en die kinderlijke logica, als een volwaardig personage binnen zijn creatieve universum. Hij was daarnaast ook de vaste stem van Graaf Tel, Kermit de Kikker en De Blauwe Meneer. Het inspreken van de stem van Mickey Mouse eindigde begin jaren tachtig abrupt toen de Amerikaanse Disney Corporation erachter kwam; zij vonden Schipper’s stem onvoldoende lijken op Mickeys origineel.
Als absolute meester van het absurdisme schopte Schippers in de jaren zestig en zeventig met televisieprogramma’s als Hoepla (1967), De Fred Haché Show (1971-1972), Van Oekel’s Discohoek (1974-1975) en Waldolala (1978), officieel Het is weer zo laat!) tegen alles wat braaf, burgerlijk en koninklijk was.
Zo zagen vijf miljoen televisiekijkers in de Barend Servet Show hoe drummer en tekenaar IJf Blokker in een sketch van enkele minuten op bezoek was in Paleis Soestdijk, voor een ‘exclusief interview’ met koningin Juliana.
Voor de rol van de spruitjes schillende en sherry drinkende koningin had Schippers gewoon een dubbelganger geboekt bij een figurantenbureau, zoals hij bijna altijd ongeoefende amateurs liet opdraven om de chaos mee te spelen, vaak nog met het script in de hand. Er werd op Soestdijk flink ingenomen. En het interview met Juliana werd ook nog afgewisseld met ‘blote dans’ zoals Schippers de ondeugende naaktscènes noemde.
Een dag later pakte de Telegraaf uit met een furieus commentaar om de ‘walgelijke’ persiflage op de koningin te veroordelen: ‘Domheid, platvloersheid of doelbewuste ondermijning van alle normen die in een beschaafd land gelden.’
Showbizzjournalist Henk van der Meyden sprak van ‘huiskamervervuiling’; de politiek stelde een onderzoek in en in de Hilversumse villa van de VPRO arriveerden dreigbrieven gericht aan de Vieze Piele Rukkers Omroep. Zo pakte iedereen zijn vaste rol in de schandaalvorming rondom Schippers’ televisie-universum. Jongeren speelden hele scènes uit hun hoofd na op school; Schippers’ aanval op de goede smaak werd vervolgens weer hun ‘nieuwe’ smaak. En wereldsterren als Donna Summer dachten bij Van Oekel’s Discohoek, een parodie op Toppop, in een serieus muziekprogramma op te treden. Je zag aan hun blik dat ze zich afvroegen in welke gekte ze nu terecht waren gekomen. Waarbij ‘gekte’ een inmiddels ingeburgerd woord is, in 1973 bedacht door Schippers als vrolijke taalpurist; hij zocht een rijmwoord op ‘lekte’.
In het theater kon Schippers nog lekkerder doordraven. Ook daarin liet hij bij voorkeur struikelende mensen zien, die het wel telkens bleven proberen. Kleine misverstanden liet hij volledig ontsporen. En mislukken mocht. Het leven was toch volkomen absurd en onbelangrijk. Diepte? Inhoud? Dat was niet aan Schippers besteed.
‘Ik ben ooit begonnen met het schrijven van toneelstukken voor Toneelgroep Centrum om indruk te maken op mijn vriendinnetje, Ellen Jens, nu mijn vrouw’, zei Schippers tien jaar geleden tegen de Volkskrant. ‘Zij hield van toneel. Ik niet. In ieder geval niet van toneel-toneel. Dat is uit op herkenbaarheid. Mensen raken ontroerd omdat ze ‘precies hun tante zien’. Ga dan naar je tante! Of nog zo’n cliché: ‘Het zet mensen aan het denken.’
‘Nou, mensen denken ook wel zonder jou. Toneel moet onherkenbaar zijn. Het leuke van theater is dat je zo lekker kunt doordraven. Wetenschap moet verantwoorden, theater niet.’
Wat niet wil zeggen dat hij in het script niet alles exact vastlegde, van kostuums en rekwisieten tot struikelpartijen en aarzelingen, van atonale akkoorden tot een uitgeschreven onzinlied. Daaraan mocht niets worden veranderd. Er mocht zeker geen ontroerend lied worden toegevoegd.
‘Ik ben weken bezig alles goed te krijgen. Soms vind ik ook zelf iets raar, maar bij mij krijg je wat je niet verwacht. Het wordt een klerezooi, maar een die hecht in elkaar zit.’
Dus haalde Schippers veertig jaar geleden het wereldnieuws met Going to the Dogs (1986): zes blaffende herdershonden - speciaal getrainde politiehonden - op het hoofdstedelijke podium, die naar een televisie keken waarop andere diersoorten waren te zien, maar geen mensen. Ook daar kwamen Kamervragen van.
Hij schreef Zonder Titel (2000) voor Toneelgroep Amsterdam, Wuivend Graan (2007) en Het Laatste Nippertje (2011) voor Hummelink Stuurman en Wat nu weer (2009) voor Lunchtheater Bellevue. Zijn liefde voor het jongleren met taal en zijn onnavolgbare logica blonken door in alles dat hij schreef. Acteur Titus Muizelaar beheert zijn oeuvre bij de Stichting Wim T. Schippers; Muizelaar werkt aan een bundel met het complete werk van zijn vriend en medetheatermaker.
Over zijn voorkeur voor sukkelig gedoe, voor struikelen en vallen, zei Schippers: ‘We vallen allemaal de toekomst in. Je weet niet wat het volgende moment gebeurt. Dat is entropie, een maat voor wanorde. Alles vervalt naar iets anders. Niets is statisch.’ De voorstellingstitel van Het Laatste Nippertje verwees naar het gezegde ‘Op het nippertje’ maar ook naar zijn opvatting dat niemand weet wanneer iets voor het laatst is. ‘Wie weet wanneer iets voor het laatst is?’ zei de toen 72-jarige kunstenaar tegen de verslaggever van de Volkskrant. ‘Dit kan ook jouw laatste stuk zijn, als je dadelijk onder de tram komt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant