Home

Amsterdam probeert buitenlandse daklozen tot reis naar huis te verleiden: ‘We kunnen je ticket betalen’

Amsterdam kampt met toenemende overlast van buitenlandse daklozen. Met demotiverende gesprekken en gratis tickets proberen hulpverleners ze te laten terugkeren naar hun land van herkomst. ‘Iedere keer opnieuw stellen we de vraag of ze weg willen.’

is regioverslaggever van de Volkskrant in Amsterdam en omstreken.

‘Deze keer bleef het spannend tot op het laatste moment’, zegt Virgil Staphorst. Het is zeven uur ’s ochtends en de veldwerker van welzijnsorganisatie PerMens staat op Schiphol. Even daarvoor heeft hij de Albanese Edmond ingecheckt bij de balie van Easyjet.

Nu staat Staphorst te kijken hoe de man door de beveiliging gaat, zijn rugzak laat controleren en nog even zijn duim omhoogsteekt. Niet veel later is de Albanees, die een dag eerder slapend werd aangetroffen op een bankje, uit het zicht verdwenen.

‘Poeh’, zegt de goedlachse hulpverlener opgelucht. ‘Meestal gaat dit soepeler.’

‘Geen baan vanuit een tent’

Steeds vaker proberen Amsterdamse hulpverleners dakloze buitenlanders te repatriëren. Werden er in 2021 nog 212 mensen met de bus, trein of het vliegtuig naar hun thuisland gestuurd, vorig jaar waren dat er al 532. Wat burgemeester Femke Halsema betreft, mag het nog vaker gebeuren.

De overlast op straat door drugsverslaafden neemt toe. Er wordt openlijk gebruikt, er is sprake van verloedering en bewoners voelen zich onveilig. Om dit tegen te gaan, kondigde de gemeente in juni onder meer aan om strenger te gaan handhaven en om meer te investeren in het repatriëren van buitenlandse daklozen.

‘We proberen vooral mensen terug te begeleiden vóórdat ze afglijden’, zegt Abdullah el Bacha, ook veldwerker van PerMens. ‘Als ze eenmaal aan de crack zijn, ben je al te laat en is er weinig meer mee te beginnen.’

El Bacha staat deze frisse woensdag achter het Amsterdamse Centraal Station, samen met zijn collega Ismail Lalami. Het is 5 uur ’s ochtends, 26 uur vóórdat de Albanese Edmond op het vliegtuig wordt gezet.

‘Het is nu tijd’, zegt Lalami opgewekt, ‘voor wat demotiverende gesprekken.’ Want, licht El Bacha toe: ‘Het leven op straat is keihard en een baan vinden vanuit een tent of kartonnen doos is niet realistisch.’

Even verderop staat een groepje Polen. Een van hen, een vrouw, heeft een pijnlijk ogende wond op haar hand. Een andere man ruikt naar drank, de derde houdt stevig een aluminiumfolietje vast waarmee hij straks crack wil gebruiken. De meesten zijn bekenden voor Lalami en El Bacha, het zijn mensen die (nog) niet naar huis willen. Stuk voor stuk spreken de hulpverleners hen aan. ‘Alles goed? Hebben jullie hulp nodig?’

En ook van de knikkebollende Zweedse man die een paar meter verderop op een bankje zit, willen ze weten hoe het gaat. De man zegt dat hij eerder in Eindhoven werkte, maar zijn baan kwijt is. Sinds gisteren is hij in Amsterdam, zegt hij. Een verblijfplaats heeft hij niet, maar hij hoopt op werk. ‘Heb je een idee hoe je werk wilt zoeken?’, wil El Bacha weten. ‘Via het uitzendbureau’, antwoordt hij.

‘We kunnen je helpen met terugkeren naar Zweden’, biedt de hulpverlener aan, terwijl hij de gegevens van de man noteert. ‘We kunnen een ticket voor je kopen.’ Maar de Zweed schudt zijn hoofd.

In de regio Amsterdam slapen ruim dertienhonderd mensen op straat, bleek vorig jaar oktober uit de Ethos-daklozentelling. Oftewel: 12 procent van het totaal aantal mensen zonder een vast dak boven het hoofd in de stad. Cijfers van voorgaande jaren zijn er niet.

‘Als het je eenmaal opvalt, zie je het overal’, zegt El Bacha, die het aantal buitenslapers afgelopen jaren zag toenemen. Hij pakt zijn telefoon erbij en scrolt van de ene naar de andere foto: mensen opgerold in kartonnen dozen, liggend onder een brug of in een tentje verstopt in een plantsoen. Tweemaal per week maken El Bacha en zijn collega’s daarom voor dag en dauw een ronde door de stad om te zien wie het zijn en om hulp óf een ticket naar huis aan te bieden.

De stijging van het aantal buitenslapers is deels te wijten aan de lange wachtlijsten voor de daklozenopvang. ‘Het duurt zo’n acht maanden voordat daar een bed vrij is’, zegt El Bacha. Maar de hulpverleners zien ook het aantal dakloze mensen uit Oost- en Midden-Europa toenemen. ‘Zij komen hier, soms al verslaafd aan alcohol of drugs, werken even, raken hun baan kwijt en belanden op straat. Zij hebben vrijwel nergens recht op.’

El Bacha en zijn collega’s proberen vooral die groep ervan te overtuigen naar huis te gaan. Want een leven op straat maakt je kwetsbaar. Zo zegt een 57-jarige vrouw die bij de schuifdeuren van het station ligt, diep weggedoken in haar slaapzak, tegen de hulpverleners dat ze vannacht ‘redelijk heeft geslapen’. ‘Er is maar een paar keer tegen mijn slaapzak geschopt.’

Niet veel later, rond half zes, klinkt er geschreeuw door de stationshal. Een verwarde dakloze man beschuldigt de toiletjuffrouw van diefstal, hij vliegt haar aan. Snel komt een boomlange beveiliger van het nabijgelegen AH-filiaal tussenbeide, ook El Bacha en Lalami snellen toe. ‘Dit gebeurt vaak om dit tijdstip’, zegt de beveiliger als de schreeuwende man even later is verdwenen.

Niet alleen gevaar en mentale problemen liggen op de loer. Ook de kans op verslaving is groot. Zo ligt er voor het station een Roemeen met een blauw mutsje. Al meer dan een jaar is hij in Nederland, vertelt hij terwijl hij snel een crackpijpje onder zijn slaapzak verstopt. Waarom hij hier kwam? ‘Omdat ik dom was’, zegt hij, ‘ik wilde in de bouw werken.’ Veel meer wil hij niet kwijt, en op de vraag of hij misschien terug wil, reageert hij nauwelijks. Hij heeft net drugs gebruikt, sluit zijn ogen en zakt weg in zijn roes.

‘Ik wilde in de bouw werken’

Een paar honderd meter verderop, diep weggekropen onder dekens, slaapzakken en een grote paraplu liggen vijf Roemenen en Hongaren tegen pilaren van een viaduct. Naast twee van hen ligt een grote zak blikjes. ‘Dat zijn twee broers’, zegt Lalami, die hen al langer kent. ‘Eigenlijk wilden ze naar Oostenrijk, maar ze zijn hier een jaar geleden blijven hangen en verzamelen blikjes’, zegt hij. De broers hebben geen zin om te praten, waarschijnlijk hebben ze net rust na een nacht blikjes verzamelen.

Lalami wil niet zeggen ‘dat het makkelijk geld verdienen is’. ‘Je moet langs veel vuilnisbakken. Maar met het inzamelen van blikjes, kun je zo’n 80 tot 100 euro per dag verdienen. Voor sommigen is dat aantrekkelijk. En je weet nooit wat voor leven ze thuis hadden, of ze mensen hebben naar wie ze kunnen terugkeren.’

Toch, zegt El Bacha, ‘stellen we de vraag of ze weg willen, iedere keer opnieuw.’ Want wil iemand opeens wél naar huis, dan pakken de hulpverleners het liefst zo snel mogelijk door.

‘Ik wil terug naar Albanië’

Het is zeven uur, de stad ontwaakt en de eerste toeristen fotograferen elkaar bij een bronzen stier, een kunstwerk van Arturo di Modica, op het Beursplein. Op de trappen bij de Beurs van Berlage worden een paar dronken daklozen weggestuurd door een schoonmaker. Daar schuin tegenover ligt op een bankje een man in een slaapzak.

‘Good morning’, begint Lalami tegen de man. Het blijkt Edmond, een Albanees die sinds een paar dagen in Amsterdam is. Hoe hij hier is gekomen, blijft vaag: hij zou op vakantie geweest zijn in Brussel bij vrienden, daar is zijn portemonnee gestolen. Zijn vrienden konden hem niet helpen, bovendien had hij in België geen onderdak meer.

‘Ik ben naar het station gegaan. In België regende het, ik wilde naar een plek waar het niet regende’, legt Edmond via Google Translate uit. ‘Toen heb ik de trein naar Amsterdam genomen.’

Wat is je plan?, vraagt El Bacha. De man legt uit dat hij wacht op geld van zijn vrienden. Zij zouden over een paar dagen geld overmaken zodat hij naar huis kan. ‘Ik wil terug naar Albanië.’

‘Heb je daar vrienden of familie? Een dak boven je hoofd?’

Ja, knikt de Albanees.

Nu staan de hulpverleners voor een dilemma. Edmond zegt op geld te wachten zodat hij naar huis kan. Maar eerder bleken zijn vrienden hem ook niet te kunnen helpen. Het gevaar is dat Edmond nooit geld krijgt, de hulpverleners hem uit het oog verliezen en dat hij op straat afglijdt.

Dus besluit El Bacha toch een ticket aan te bieden. ‘Wij kunnen het voor je kopen.’ De Albanees knikt. ‘Maar eerst’, legt El Bacha uit, ‘moeten we langs de GGD, zodat een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige kan checken of je fysiek en mentaal in staat bent om te reizen.’

Prima, zegt Edmond terwijl hij zijn slaapzak oprolt, een witte pet op zijn hoofd zet en zijn rugzak pakt.

‘We zijn geen reisbureau’

Niet veel later zitten de hulpverleners op het kantoor van PerMens in Amsterdam-Zuidoost. ‘We kunnen niet zomaar een zwaar verslaafde op het vliegtuig of de Flixbus zetten’, zegt El Bacha. ‘Dat kun je een buschauffeur en de medepassagiers niet aandoen. Als iemand echt verslaafd is, kan hij eerst detoxen bij de Jellinek. Is iemand erg kwetsbaar, dan schakelen we het Leger des Heils in die hem naar huis begeleidt voor een ‘zachte landing’.’

Maar de meesten gaan ‘gewoon’. Zoals in het geval van Edmond. De GGD heeft inmiddels groen licht gegeven. In afwachting van de reis zit de Albanees in de PerMens-huiskamer voor daklozen en drugsgebruikers, om te eten en te douchen. ‘We kijken ook of iemand andere kleren of sokken nodig heeft’, vervolgt El Bacha. ‘Als iemand te moe is om te reizen, mag hij ook nog een nachtje blijven slapen op een van onze doorpakbedden om zo fris en fruitig mogelijk op reis te gaan.’

In de tussentijd hebben de hulpverleners naar de goedkoopste tickets gezocht. ‘We zijn geen reisbureau. Mensen krijgen ook maar één keer een ticket. Komen ze terug, dan doen we het niet nog een keer.’

Maar, is de ervaring van El Bacha, ‘meestal komen ze niet terug. Dan zouden we ze herkennen op straat.’ Bovendien bieden de hulpverleners geen ticket aan als ze de situatie wantrouwen. ‘Er is een groep Roemenen die rondtrekt door Europa. Professionele bedelaars. Zij willen rond de feestdagen altijd ‘opeens’ naar huis. Dat doen we dus niet.’

Meestal kiest PerMens voor de Flixbus. Ook in het geval van Edmond is dat het goedkoopst. Alleen: dan moet de Albanees 49 uur in een bus zitten. ‘Dat is wel lang’, zegt El Bacha. ‘Vliegtickets zijn niet veel duurder.’

Edmond heeft al gezegd dat hij het liefst vandaag vliegt. Ook polste hij of de veldwerkers hem niet naar Eindhoven konden brengen, omdat vanuit daar directe vluchten gaan. Maar dat zien El Bacha en Lalami niet zitten. De Albanees, die verder niet erg spraakzaam is, heeft nog meer wensen: hij wil niet overstappen in Duitsland, omdat hij daar openstaande boetes heeft. Een overstap in Servië is ook geen optie. ‘Albanië en Servië hebben geen goede relatie.’

En zo zijn er nog wat hobbels. De uiteindelijke uitkomst is dat Edmond de volgende dag vliegt. Maar ook op een ‘doorpakbed’ van PerMens wil de Albanees niet slapen. ‘Hij wil niet tussen de verslaafden liggen’, zegt Virgil Staphorst, die de dienst van Lalami en El Bacha heeft overgenomen. En dus brengt Edmond zijn laatste nacht in Nederland door op een stoel op Schiphol, waar Staphorst hem de volgende ochtend in alle vroegte weer ontmoet. ‘We willen mensen wel altijd uitzwaaien, om zeker te weten dat ze écht vertrekken.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next