Hassan Al-Bayati, gevlucht uit Irak, heeft een mooi leven opgebouwd in Engeland. Dan verhuist hij met zijn gezin naar Nederland, en dat komt hem duur te staan. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Hassan Al-Bayati (58, medisch bioloog):
‘Ik herinner me nog als de dag van gisteren dat ik op een bankje op Schiphol zat, met mijn paspoort in mijn handen, diep na te denken over wat ik moest doen. Massa’s mensen in korte broeken renden om mij heen op weg naar een vliegtuig dat ze naar hun vakantiebestemming zou brengen, terwijl ik als 25-jarige vluchteling moest bedenken waar mijn toekomst lag. Het was een schokkend contrast, de wereld van de vakantiegangers en mijn eigen universum. Het was begin 1993 en ik was uit mijn geboortestad Bagdad gevlucht. Via een Irakese neef van mijn moeder, die professor in Polen was, had ik een plek aan de universiteit van Warschau gekregen.
Tijdens de tussenlanding op Schiphol probeerde ik mijn afwegingen nog eens op een rijtje te zetten. Na mijn studie microbiologie had ik mijn vaderland verlaten omdat het er heel onveilig was en ik twee jaar na de Golfoorlog wel kon bedenken dat Irak over honderd jaar nog in de problemen zou zitten.
Die voorspelling is met de burgeroorlog, de invasie en de val van Bagdad ook uitgekomen. Maar Polen was een paar jaar na de val van de Berlijnse muur ook geen baken van stabiliteit. Van Moskou tot aan het Oostblok was het een economische ramp. Ambtenaren in Rusland werden uitbetaald met flessen wodka omdat de regering geen geld had om salarissen te betalen. Nederland stond bekend als economisch stabiel. Hoewel ik niets wist van het land, kende ik de beroemde voetballers Johan Cruijff en Frank Rijkaard. In 1988 had ik met mijn vrienden en mijn neven live de finale van het EK gevolgd. Voor mijn toekomstperspectief leek het op dat moment de meest rationele keuze om hier te blijven.
Ik meldde me aan als vluchteling bij de vreemdelingenpolitie, in de hoop dat ik in Amsterdam verder kon studeren. In eerste instantie werd ik langdurig ondervraagd door ambtenaren van de AIVD die op zoek waren naar informatie over massavernietigingswapens. Toen ze ervan overtuigd waren dat ik van niets wist, werd ik op de bus gezet naar een azc in Zwolle. Het was daar verschrikkelijk.
Ik zat daar te midden van massa’s mensen met allerlei achtergronden, talen en culturen. Vanwege de burgeroorlog stroomden er grote groepen Bosniërs binnen. Na vier maanden kreeg ik met twee andere vluchtelingen een woning toegewezen in Malden, een dorp onder de rook van Nijmegen. Ik was jong, ambitieus, kwam uit een stad met 4,5 miljoen inwoners en werd geplaatst in een klein uitgestorven dorpje met voornamelijk oude mensen. Ik voelde me ontzettend eenzaam.
Na een jaar, eind 1994, kreeg ik een verblijfsvergunning, waardoor ik eindelijk mocht studeren. Ik moest nog een half jaar in Malden verblijven terwijl ik naar de universiteit in Nijmegen ging, waar ik medische biologie studeerde. Daarna ging ik op kamers, net als alle andere studenten. Ik sprak gebrekkig Nederlands en vond geen goede aansluiting bij de medestudenten. De colleges van de docenten kon ik om die reden ook niet goed volgen. Ik nam elk college op een cassettebandje op.
Als ik op een dag vier colleges had gehad, luisterde ik ’s avonds alle vier de cassettebandjes af terwijl ik notities maakte. Ik had een baantje als schoonmaker en afwasser op de universiteit om de studie te betalen. Voordat ik als afwasser in de keuken begon, at ik vaak in de kantine. Tijdens het eten leerde ik een groepje studenten kennen dat Midden-Oostenstudies studeerde. Door mijn achtergrond en hun academische interesse klikte het. Oud en nieuw van het jaar 2000, de millenniumwisseling, vierde ik met dat clubje. Na twaalven gingen we naar een disco.
Mijn vrienden mochten allemaal naar binnen, alleen ik werd door de portier tegengehouden. Een Vlaamse studente uit de groep werd ontzettend boos op die bewaker. Ze pakte mijn arm en schreeuwde tegen hem: ‘Wij gaan gewoon sámen naar binnen.’ Sinds dat moment waren we onafscheidelijk. Zij werd mijn vriendin, en later de moeder van mijn kinderen.
Na mijn studie liep ik een stage die heel voorspoedig verliep. Ik genereerde onderzoeksresultaten die een goede basis vormden voor een internationale publicatie, en kreeg de ambitie om te promoveren. Aan de universiteit van Nijmegen kwam een promotieplek vrij, dus ik kon daar blijven. Bachelor, master, PhD: ik heb vijftien jaar geïnvesteerd in mijn studies. Dat werd beloond met een mooie baan als onderzoeker bij een Hollands farmaceutisch bedrijf. Helaas werd de firma op een dag verkocht aan een Amerikaans bedrijf, een van de reuzen in de farmaceutische industrie, en werd onze afdeling gesloten.
Na eindeloos in Nederland te hebben gesolliciteerd, kreeg ik een mooie positie in Engeland aangeboden bij een van de grootste farmaceutische bedrijven. Inmiddels hadden we twee kleine kinderen, een zoon en een dochter, en we besloten naar Engeland te verhuizen. Ons leven daar was prachtig: een mooi huis, een mooie auto en een goed salaris. We woonden in Wilmslow, vlak bij Manchester, waar veel Nederlandse voetballers woonden: Robin van Persie, Daley Blind en Memphis Depay. Van Gaal was op dat moment hoofdtrainer van Manchester United. De kinderen gingen naar een goede school, tegenover ons huis. Mijn vrouw had haar baan opgezegd in Nederland en kon als Midden-Oostendeskundige in Engeland moeilijk werk vinden. Dat zij geen inkomen had, gaf na verloop van tijd druk op de financiën en op onze relatie.
Op een gegeven moment kreeg ik een aanbod van een farmaceutisch bedrijf in Leiden. In de hoop dat onze relatie meer ruimte zou krijgen, besloot ik terug te keren naar Nederland. Dit is een keuze waarvan ik nog steeds spijt heb. Het leven in Nederland was een koude douche. De kinderen werden gepest op school en niet uitgenodigd voor feestjes. Mijn dochter raakte bevriend met een buurmeisje van wie de ouders niet wilden dat ze met elkaar omgingen. Mijn dochter kwam huilend thuis: ‘Ze hebben me weggestuurd omdat ze niet willen dat we spelen.’ Dat was ontzettend pijnlijk want wij hebben hier geen familie, wij zijn alleen in Nederland, wij moeten het hebben van onze buren. Mijn dochter sprak voornamelijk Engels, ze had een Brits accent. Daardoor kwam ze niet goed mee op school en belandde ze op het speciaal onderwijs. Een foute beslissing, want er mankeerde niets aan haar intelligentie.
Ons leven nam de ene na de andere ongelukkige wending. Onze relatie redde het niet, we gingen toch uit elkaar. Ik werkte als teamleider toen ik erachter kwam dat de technologie die het farmaceutische bedrijf gebruikte, niet deugde. Vanaf het moment dat ik het aan mijn leidinggevende vertelde, voelde ik dat ik vijandig werd bejegend. Op een dag werd ik zomaar ontslagen. Sindsdien heb ik moeite met werk vinden. Vermoedelijk speelt mijn achternaam hierbij een ongunstige rol.
Ik verwijt mezelf dat ik de keuze heb gemaakt om terug te komen naar Nederland, we hadden in Engeland moeten blijven. We hadden daar een sociaal leven, ouders van andere kinderen lieten ons toe in hun kring. We kregen uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes, gezamenlijke uitjes, we kookten met elkaar. We hoorden erbij. Het onderwijs was uitstekend, alles was goed geregeld. De kinderen hadden daar naar goede middelbare scholen kunnen gaan. Ze hadden hun perfecte Engels kunnen behouden, waardoor ze een goed toekomstperspectief hadden. Ik voel dagelijks de pijn van de spijt omdat, naast de gemiste kansen voor mijn kinderen, ik mijn carrière ben kwijtgeraakt. Mensen die destijds in Engeland onder mij werkten, zijn nu allemaal directeur. Ik heb hier niks meer.’
Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Hassan Al-Bayati gefingeerd. Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant