In zijn boek Woorden als wapens blikt journalist Saul van Stapele terug op dertig jaar hiphopjournalistiek, en op de hardnekkige vooroordelen waarmee het genre nog altijd te maken heeft. ‘Ik denk dat het een misverstand is dat je moet zijn waar je over schrijft.’
is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
Saul van Stapele kon zijn geluk niet op toen hij, ergens in de winter van 1996, opeens tegenover zijn rapidool Snoop Dogg zat in een Utrechtse hotelkamer.
Van Stapele was toen een 21-jarige student journalistiek die af en toe bijkluste voor Xces, een net gelanceerd urban muziek- en lifestylemagazine dat kantoor hield in een redactieruimte boven een in Bollywoodfilms gespecialiseerde videotheek in Den Haag.
Snoop Dogg was, en is nog altijd, een wereldberoemde gangsterrapper die met zijn debuutalbum Doggystyle uit 1993 een groot publiek bekend maakte met de straatbendecultuur van Los Angeles.
Een officieel interview met Snoop Dogg zat er voor Xces in eerste instantie niet in. Te onbeduidend. Maar na lang zeuren bij de tourmanager kreeg Van Stapele alsnog een voet tussen de deur.
In Woorden als wapens, een recent boek waarin Van Stapele zijn dertigjarige carrière in de hiphopjournalistiek doorneemt, beschrijft hij hoe hij een hotelkamer binnenliep die blauw van de ‘wietmist’ stond. Snoop Dogg, bekend om zijn voorliefde voor wiet, was inmiddels knetterstoned, maar nog aanspreekbaar.
Van Stapele verwachtte een kille, geharde straatjongen, maar in plaats daarvan trof de journalist een ietwat bedeesde jongeman, iemand die de sterke Nederlandse wiet eigenlijk niet aankon en zich hardop zorgen maakte over de invloed van zijn gangsterimago op jongeren.
‘Ik ben kalmer nu’, vertelde de rapper, die net vader was geworden, en op zijn nieuwe album The Doggfather (1996) minder ‘negatieve, gemene nummers’ had gezet. ‘Ik heb een zoontje gekregen en ik wil niet dat hij naar iets negatiefs opkijkt.’
De ontmoeting met Snoop Dogg als piepjong, reflectief rapgenie is slechts een van de vele die Van Stapele heeft opgenomen in Woorden als wapens. Noem een belangrijke hiphopnaam uit de afgelopen drie decennia en grote kans dat hij of zij in het boek voorkomt. Van Stapele sprak ze allemaal, van Snoop Dogg en Ice Cube tot Kendrick Lamar, Vince Staples en vrouwelijke sterren als Young M.A.
Naast een trip down memory lane, vol bijzondere ontmoetingen met hiphoplegendes, gaat Van Stapele ook uitgebreid in op de soms duistere relatie tussen hiphop en de verheerlijking van (bende)geweld en rappers die daarvan het dodelijk slachtoffer worden.
Van Stapele behandelt onder anderen Nipsey Hussle, de rapper uit Los Angeles die in 2019 werd doodgeschoten door een bendelid, en Tupac en Notorious B.I.G. die respectievelijk in 1996 en 1997 omkwamen bij vuurwapengeweld.
Hoewel deze rappers in hun werk een gewelddadig imago uitventen, pleit Van Stapele ervoor om ze te blijven zien als kunstenaars die op ongefilterde wijze woorden probeerden te geven aan hun ervaringen.
‘Hiphopteksten worden nog altijd letterlijk genomen’, zegt Van Stapele tijdens een gesprek in een café in Den Haag, de stad waar de geboren Rotterdammer al bijna zijn hele leven woont. ‘Het wordt zelden als een scheppende kunstvorm gezien. Zelfs als een rapper in zijn teksten expliciet met geweld dreigt, dan moet het in de eerste plaats gezien worden als een kunstuiting, vormgegeven in muziek. Bij romanschrijvers maken we die fout nooit, journalisten zijn er in getraind om schrijvers en hun personages nooit één op één te leggen.’
Tegelijkertijd bestaat in hiphopmuziek het begrip ‘studiogangster’, het verwijt aan rappers die alleen in hun teksten een crimineel of gewelddadig bestaan verheerlijken. Er bestaat dus een zekere druk in de hiphopwereld om het niet alleen bij woorden te laten.
‘Die druk is er zeker, en ik sta daar in het boek ook uitgebreid bij stil. Maar ook dan: het blijft belangrijk om hiphopmuziek in de eerste plaats te zien als een kunstvorm, waarin de werkelijkheid op een bepaalde manier geboetseerd is. En soms is die manier onbeholpen. Maar daarbij moet niet vergeten worden dat dit vaak om jonge gasten gaat, die nog volop in ontwikkeling zijn en fouten maken.’
Woorden als wapens is een gepassioneerd boek over een vaak verkeerd begrepen muziekgenre, geschreven door een hiphopliefhebber van het eerste uur. Van Stapele staat uitgebreid stil bij de sensatie die hij ervoer toen hij voor het eerst Fuck Tha Police hoorde, een beukende aanklacht tegen politiegeweld uit 1988 van N.W.A., de gangsterrapgroep uit Los Angeles met latere supersterren Ice Cube en Dr. Dre in de gelederen.
Het nummer – ‘urgent en snoeihard, activistisch en gedreven, grof en ongecensureerd’ aldus Van Stapele – sloot aan bij het links activistisch milieu waarin hij opgroeide. Van Stapeles ouders, beiden hoogopgeleid, hadden thuis een flinke bibliotheek aangelegd met activistische lectuur, van boeken over de politiek in Nicaragua tot boeken met een ‘kritiese blik’ op het Nederlandse koloniale verleden.
Hoewel de wereld die beschreven werd in Fuck Tha Police mijlenver stond van zijn Haags milieu, groeide Van Stapele wel op in een huis ‘voor rechtvaardigheid, een huis tegen racisme en ongelijkheid.’ In het nummer van N.W.A. vond hij dat allemaal terug, gecombineerd met ‘een zinderende mix van adrenaline, creativiteit en overrompelend lomp machismo’.
‘Ik denk dat het een misverstand is dat je moet zijn waar je over schrijft. Ik ben inderdaad niet in een Amerikaans getto opgegroeid, maar ik heb wel oprechte interesse voor hiphopmuziek en -artiesten, ik wil begrijpen wat hun ervaringen zijn, waarom ze de verhalen vertellen die ze vertellen.’
Ben je er in je contacten met rappers weleens tegenaan gelopen dat jij een witte man bent, niet afkomstig uit hun wereld?
‘Nee, en dat is omdat hiphop echt iedereen in de wereld kan raken, het is universeel. Ik heb wel eens KRS-One geïnterviewd, een grote rapper uit New York, en die vertelde dat hij door muziek een diepere connectie kan hebben met iemand uit Japan dan met iemand om de hoek van de straat.’
Een groot vooroordeel over hiphopjournalisten, aldus Van Stapele, is dat ze te veel liefhebber van het muziekgenre zijn en daardoor een kritische blik ontberen. Ook Van Stapele heeft daar in zijn carrière vaak genoeg mee te maken gehad.
Eindredacteuren die hem bellen en vragen of lezers wel zitten te wachten op een artikel over Kanye West, die net zijn baanbrekende album 808s & Heartbreak (2008) heeft uitgebracht. Chefs die expliciet zeggen dat je liefhebbers van hiphop weg moet houden bij besprekingen van hiphopmuziek- en artiesten.
‘Wat er eigenlijk achter zulke opmerkingen zit is de gedachte: eigenlijk is hiphop gewoon teringherrie, maar dat wil jij niet opschrijven, en daarom vinden we je te veel een liefhebber. Maar hetzelfde zal niet zo snel gezegd worden bij iemand die boeken recenseert, zo van: jij houdt te veel van boeken, dus daarom kun je er niet kritisch over zijn.’
Je hiphopliefde zit je dus nooit in de weg?
‘Ik denk dat je geïnteresseerd, misschien zelfs gepassioneerd, moet zijn over het kunstgenre waar je over schrijft, anders weet ik niet hoe je het moet volhouden. Maar passie is niet kritiekloos. Ik denk dat je zelfs des te kritischer kunt zijn als iets je na aan het hart ligt.’
Die kritische blik is ook ruim aanwezig in Woorden als wapens waar het de verwording van hiphopmuziek tot een soms zielloze miljoenenindustrie betreft. Van Stapele haalt vooral fel uit naar de vaak witte bestuurders van platenlabels die rappers reduceren tot ‘gladiatoren in een Colosseum’ die elkaar ter vermaak van de massa in woord en soms in daad moeten bestrijden.
Maar kritisch is Van Stapele vooral over media en politici die hiphop nog altijd reduceren tot geweld en materialisme en geen moeite doen om in te gaan op de onderliggende boodschap in de muziek. Die boodschap was en is nog altijd die van een samenleving (Van Stapele behandelt in dit boek vooral de Amerikaanse samenleving) die verwoest is door institutioneel racisme, armoede, werkeloosheid, politiegeweld, en gebrekkige sociale voorzieningen.
Hiphop is een product van zo’n samenleving, niet een oorzaak. Maar zelfs na dertig jaar in de journalistiek stuit Van Stapele nog vaak genoeg in de politiek en media op onbegrip over hiphop.
‘Natuurlijk is er het nodige veranderd in de media. Dat is in belangrijke mate het gevolg van een wisseling van de wacht, er werken nu meer jonge journalisten in de media die opgegroeid zijn met hiphop, die het genre wel op waarde weten te schatten en wel snappen dat je hiphop niet op een hoop moet gooien met geweld.
‘Maar ik word nog vaak genoeg benaderd voor een quote over een incident in de hiphopwereld door media die eigenlijk verwachten dat ik absolute uitspraken doe over de relatie tussen hiphop en geweld. Er lijkt altijd nog geen nuance te mogen bestaan als het over hiphop gaat.’
Wat zeg je op dat moment tegen zulke media die een quote bij je komen halen?
‘Dat ik niet in het hart kan kijken van deze artiesten, dat het ook voor mij gissen is waar werkelijkheid en fictie door elkaar lopen en hoe eventueel geweld daaruit voortkomt. De belangrijkste bron van veel rappers is het straatleven. Sommige artiesten weten daar op een subtiele, gelaagde manier woorden aan te geven, anderen doen dat meer expliciet, lomper wellicht. Maar uiteindelijk moet het op zichzelf beoordeeld worden, zoals we dat ook bij andere kunstuitingen doen.’
Saul van Stapele, Woorden als wapens; Nijgh & Van Ditmar; 240 pagina’s, € 21,99
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant