Home

Het boekhoudersvoetbal van Oranje op de snijtafel: Nederlands elftal mist vooralsnog de kenmerken die modern voetbal eist

Voetbal is tegenwoordig een spel van beweging, maar het Nederlands elftal stond in de wedstrijd tegen Japan te vaak stil en de calculerende coach Ronald Koeman liet behoudzucht te zwaar wegen. Toch ziet Willem Vissers ook lichtpunten.

is voetbalverslaggever van de Volkskrant.

Het voetbal van het Nederlands elftal is gevangene van het eeuwige wensdromen: iedereen overhoop voetballen met de oranje machine. Er is één complicatie: die tijden zijn voorbij.

Wat tegenwoordig gebeurt, is vaak het andere uiterste: als een bangig oranje wezentje, in schril contrast met de felle kleuren van het tenue, schuift de ploeg van links naar rechts en van rechts naar links over het veld. Als Snollebollekes in de Oranjemars, maar dan zonder gezang en bier.

Oranje had in de aanloop naar de ouverture van het WK tegen Japan accenten gezet: niet zo makkelijk doelpunten weggeven; achterin compact blijven. Bij een voorsprong van 2-1 bleek: liever consolideren dan de marge uitbreiden. De snelheid werd uit het het oog verloren – misschien was dat typerend voor de ploeg die te vaak denkt in traagheid, in controle.

De geest van Cruijff

De KNVB reisde af naar de VS met in het achterhoofd de geest van Johan Cruijff. Hij werd zelfs expliciet genoemd als inspiratiebron. Maar het spel van Oranje anno 2026 is te vaak een soort boekhoudersvoetbal. Een zaak van optellen en aftrekken, in de hoop op een positief saldo op het eind. Leven in de bubbel van veiligheid. Terwijl: als Cruijff iets niet was, was het een boekhouder.

Voetbal is soms simpel. In de wedstrijd tegen Japan was de 2-1 van Crysencio Summerville cruciaal. Een heerlijke actie naar binnen, uithalen met links. Intuïtie van de straat. Net zo mooi als het doelpunt van Virgil van Dijk (1-0), de kopbal met sturing door lichaam en ogen.

Japan heeft dan nog twintig minuten om 2-2 te maken. De tijd dringt voor het hooggeprezen elftal dat vooral verdedigt. De Japanners moeten aanvallen maar bij Nederland lopen voorin zeker vier snelle mannen die ook goed in de gaten moeten worden gehouden.

Maar dan wisselt Koeman in één keer Summerville, Donyell Malen – de bedrijvige spits die in de afronding ongelukkig was – en Tijjani Reijnders. Het is coaches eigen: vooral aanvallers wisselen, zodat anderen het werk kunnen afmaken. Teun Koopmeiners, Memphis Depay en Quinten Timber vallen in.

Drie sneltreinen zijn vervangen door boemels en Koeman houdt te weinig snelheid over. Weg kans op de counter. Weg kans op het ideale scenario: tegenhouden met druk naar voren, met de luxe van snelheid om de klus te klaren.

Koeman stelt na afloop dat hij de bal beter wilde vasthouden. Dat kunnen ze wel, Depay en Koopmeiners, al lukt het matig en is de dreiging deels weg. Later wordt ook de steeds gevaarlijkere Cody Gakpo gewisseld. Koeman zegt nergens spijt van te hebben, en dat is jammer, want dan kan het opnieuw gebeuren.

Maar goed: dit is dus ook de perceptie van de buitenwacht. Want wat óók waar is: de 2-2 valt omdat Koki Ogawa een kopduel wint van Virgil van Dijk en Daichi Kamada de bal met zijn kruin van richting verandert. Het is ook een beetje pech.

Veelbesproken wissels

Maar het belangrijkste bezwaar tegen de wissels blijft overeind: het gaat om de intentie. Ze zullen veelbesproken blijven, zoals de wissel van Arjen Robben (Paul Bosvelt kwam voor hem in het veld) tijdens het EK van 2004 tegen Tsjechië, die tot een nationaal debat leidde over bondscoach Dick Advocaat.

Gelukkig was het, anders dan toen, pas de eerste groepswedstrijd, al legt de 2-2 druk op het volgende duel tegen Zweden, dat met 5-1 won van Tunesië.

Dergelijke ophef is onvermijdelijk, in een sport met een paar miljoen bondscoaches, in een land dat denkt nog voorop te lopen in de mars van het voetbal. Nederland voetbalde degelijk, soms best goed en met potentie, maar het spel was ook traag en gespeend van risico. Balbezit om het balbezit. Soms stond gewoon iedereen op het veld stil – een patroon dat Oranje al zo vaak heeft laten zien, terwijl ook op dit WK blijkt dat voetbal tegenwoordig het spel van beweging is.

Koeman ziet een elftal dat stappen zet, met potentie om in het toernooi te groeien, en daarom draait het op een WK. ‘Dit zal niet het beste zijn dat we kunnen leveren. Ik hoor vaak dat wij Nederland zijn en dat we iedereen zullen wegspelen, maar helaas, dat is niet zo.’

Weer die afrekening met het verleden.

De trainer houdt het saldo bij, hij is de boekhouder. Bij vlagen goed gevoetbald, het elftal staat beter, ook op het middenveld. ‘Ik zie meer positieve punten.’ Dat hoort ook zo, de trainer hoort de voorganger te zijn van positiviteit. En de groep beschermt hem. Er zit niemand bij die eens zegt dat het nu als de sodemieter anders moet. Aanvoerder Virgil van Dijk stelt dat het bekritiseren van de wissels achteraf praten is. Tijjani Reijnders: ‘Degenen die erin komen, proberen het zo goed mogelijk in te vullen.’

Summerville is een nieuweling. Die gaat geen rare dingen roepen. Hij rende na zijn doelpunt naar assistent en oud-spits Ruud van Nistelrooij. Met hem praat hij over afronden. Doelman Bart Verbruggen beleefde een frustrerende avond. Een niet geblokt schot waarbij hem het zicht was ontnomen, een van richting veranderde bal na een hoekschop. Het zag er niet overtuigend uit, en het is hem al vaker overkomen dat vrijwel elke bal op doel ook een doelpunt is. ‘Maar we hebben veel positieve dingen laten zien.’

Koeman wilde wel iets zeggen over Memphis Depay, die wezenloos inviel: ‘Ik vind dat hij eraan zit te komen, ook voor de rest van het toernooi.’

Het kan beter

Maar goed, alles kan beter: ruimtes vinden, snel van kant wisselen. Het middenveld staat iets anders en dat ging aardig. In plaats van twee controleurs en een diepe middenvelder is het nu min of meer andersom. Frenkie de Jong, met zijn vastheid aan de bal, kort voor zijn defensie en Ryan Gravenberch en Reijnders iets verder naar voren, met hun vrijheid en loopvermogen. Reijnders: ‘Ryan en ik kunnen meer mensen bezighouden. We stonden goed.’

En dan was daar weer de grote blonde Zeeuw, Jan Paul van Hecke, de eenmans waterkering, die zich steeds meer profileert als een van de besten. Met een indrukwekkend blauw oog en een opgezette oogkas, resultaat van een duel in de beginfase, liep hij door de catacomben. ‘We hadden iets meer vooruit kunnen verdedigen.’ Over de 2-2, uit een spelhervatting, met het surplus aan lengte: ‘Het zou ons wapen moeten zijn. Bij alle tegengoals kunnen dingen beter.’ Daarover was iedereen het eens: dat het beter kan.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next