Google Maps kent dit parkje-met-watertje nog niet en naar een naambordje speur je tevergeefs. Maar het bestaat en heeft een naam. Het Granpré Molièrepark ligt midden in een nieuwbouwwijkje in Delft, tussen de universiteitscampus en de A13, die achter de bomen ruist.
Marinus Jan Granpré Molière geldt als aanvoerder van de Delftse School, een nostalgische architectuurstroming die rond 1930 opkwam, in baksteen dacht en het platteland idealiseerde. Hun woonhuizen, kerken en gemeentehuizen moesten bijdragen aan een gevoel van geborgenheid.
Niet voor niets draagt het parkje in de Schoemaker Plantage zijn naam. De ontwerpers van de wijk noemen hun stijl de Nieuwe Delftse School. Huizen in roodbruin baksteen met ronde ornamenten van composiet dat natuursteen suggereert. Kleine ramen, steile pannendaken. Aan sommige gevels hangt een smeedijzeren uithangbordje. Dan weet je dat hier Beau, Quint, Vita en Luc met hun ouders wonen.
„Toen we hoorden dat de ontwerpers op de Delftse School teruggrepen, wisten we dat we daar iets mee moesten”, zegt René Dings, lid van de gemeentelijke Straatnamencommissie en auteur van het standaardwerk Over straatnamen met name (2017). „Maar er waren veel meer straten dan architecten uit die school. Granpré Molière was bovendien een probleem. Je wilt het niemand aandoen om bij elke bestelde pizza ‘Granpré Molière’ te moeten spellen.”
Zodoende kreeg de leidsman wel een park, maar geen huisadressen. En werd de lijst namen fors opgerekt met andere stedenbouwers en architecten die van belang zijn geweest voor Delft. Zo is er nu ook een straat vernoemd naar Jaap Bakema, medeontwerper van de brutalistische betonnen aula van de TU Delft uit 1966, wat Granpré Molière mogelijk in zijn graf doet tollen. Ook is er een straat voor Cornelis van Eesteren, van het Algemeen Uitbreidings Plan voor Amsterdam, die lang hoogleraar in Delft was.
Aanleiding voor dit stukje was recent tumult in Bleiswijk, waar zes nieuwe straten vernoemd zouden worden naar bekende wadi’s in het Midden-Oosten, spectaculaire rivierdalen in bergen en woestijnen die een groot deel van het jaar droog staan. Toepasselijk, dacht de gemeente Lansingerland, omdat in Bleiswijk ook ‘wadi’s’ komen, eigentijdse groene waterbergingen in het kader van klimaatadaptatie.
Wadi Rum, de Grand Canyon van Jordanië, mag op de Werelderfgoedlijst staan, maar Bleiswijk pruimde hem niet. Want „Arabisch” en „past hier niet”. Waarna Lansingerland bakzeil haalde en de wadi’s Rum, Draa, Mansour, Damm, Shab en Musa werden ingewisseld voor Trekschuit, Veilingschuit, Tuindersvlet en ander poldervervoer. Bleiswijk had Duizend-en-een-nacht kunnen krijgen. Het werd Dik Trom.
„Ik vond die wadi’s best mooi bedacht”, zegt Dings. „Een bindend element in een nieuwe, groene wijk waar je niet echt aan lokale historie bent gebonden.”
Het vinden van geschikte namen is „mooi puzzelen”, zegt hij. Soms is het makkelijk: bij een nieuwe straat in de componistenwijk kijk je wie er nog geen heeft. Maar vaak ligt het subtieler. „De Schoemaker Plantage heeft verschillende ‘buurten’. In de Grasbuurt hebben we vaak gekozen voor het achtervoegsel ‘-hof’, in de Klinkerbuurt benadrukken we die klinkers met ‘-straat’ en ‘-plaats’. Bewoners zullen er misschien niets van merken, maar je hoopt een naam te bedenken die goed voelt en met plezier wordt gebruikt.”
Van straatnamen zonder achtervoegsel is Dings overigens geen fan. Hij herinnert zich een affiche voor een vermiste poes: „Voor het laatst gezien bij Terschelling en Ameland.”
Hans Steketee doet elke maandag ergens vanuit Nederland verslag