Home

Schrijver Ellen Ombre (1948-2026) was een genuanceerd denker die zich niet liet vangen in de beperking van zwart en wit

In het werk van de dit weekend overleden auteur Ellen Ombre staan rassendiscriminatie, slavernij en Jodenvervolging vaak centraal. Ze wist met een sterk onafhankelijke blik te schrijven over deze en andere complexe kwesties. ‘Ik ben, geloof ik, gelukkiger in een samenhangender, veelomvattend verhaal over wie wij zijn.’

schrijft voor de Volkskrant over literatuur.

Een goeie schrijver, vond ze, valt niet binnen grenzen. Die is vrij (‘tenzij hij gecensureerd wordt natuurlijk’) en heeft een volstrekt individuele stem. Ellen Ombre, die dit weekend op 77-jarige leeftijd is overleden, wilde niet in een hokje worden geduwd.

Niet in dat van Surinaamse schrijver, ook niet in dat van Nederlandse schrijfster-van-Surinaamse-komaf. Hoewel ze schreef over thema’s die raakten aan haar afkomst en biografie, was de verwerking daarvan gelaagd en in meerdere opzichten eigenzinnig. Ook naar de vorm: in haar romans en verhalen combineerde ze fictie en non-fictie lang voordat dat modieus werd.

Ellen Louise Ombre werd geboren in Suriname in 1948 en verhuisde op haar twaalfde met haar ouders naar Nederland. Aanvankelijk voelde ze zich vreemdeling in een vreemd land. ‘Ik was een en al blues’, zei ze in een interview met de Volkskrant, ‘Ik zocht troost bij Let my People Go-achtige negrospirituals en koesterde het dagboek van Anne Frank als een fetisj onder mijn kussen, diep geraakt door de haat in Amerika en de vernietiging van het Nederlands Jodendom in de Tweede Wereldoorlog.’

Rassendiscriminatie, slavernij en Jodenvervolging: ze zouden pijlers gaan vormen in haar werk.

Ombre studeerde maatschappelijk werk, was een tijdlang getrouwd met socioloog Abram de Swaan en kreeg met hem een zoon.

In 1992 debuteerde ze met de verhalenbundel Maalstroom, nadat ze in Suriname in De Ware Tijd en in Nederland in uiteenlopende tijdschriften had gepubliceerd. Maalstroom was een verzameling verhalen en reportages die al wees in de richting van haar latere boeken, waarin het vreemdeling-zijn en de geschiedenis van Suriname een belangrijke rol speelden.

Slavernijverleden

In de twee bundels die volgden, Vrouwvreemd (1994) en Valse verlangens (2000), bestendigde Ombre haar thematiek, met name het slavernijverleden van Suriname komt vaker aan bod. In het reisverslag Wie goed bedoelt, over haar tocht per vrachtschip langs de westkust van Afrika, demonstreerde ze haar scherpe blik voor wat achter de werkelijkheid verborgen ligt; een haarscherp zintuig voor meerduidigheid die de inhoudelijke kern vormt van haar werk.

In 2004 verscheen haar eerste roman, Negerjood in moederland, een titel die ze behield ook toen gebruik van het n-woord al had afgedaan. ‘Het woord ‘neger’ is beladen, toch gebruik ik het zonder schroom, beïnvloed door een vers uit mijn kinderjaren. Een gedicht van Eugène Rellum dat mijn vader me als jong kind leerde, bleef in mijn geheugen gegrift: ‘Negerschap is als bloeiende vanille / hoog in de bomen van het bos / in wijde omtrek / laat de geur niemand los.

Dat beladenheid geen reden is om iets te laten of te omzeilen, spreekt uit haar hele oeuvre. Schrijven bracht haar inzicht over haar achtergrond. Zowel in het bovengenoemde boek als in haar roman Last uit 2022, ging ze in op een duister onderdeel van de Surinaamse geschiedenis: de Jodensavanne, een beruchte plantage waar Sefardische Joden als wrede plantagehouders heersten over slaafgemaakten. Hoofdpersonages, jonge zwarte vrouwen, hebben net als Ombre zelf een (geliefde) Surinaamse vader en een (krenkende) Joods-Surinaamse moeder.

In beide romans is het de vader die hun voorgeschiedenis uitpluist, terwijl de dochters zich aanvankelijk identificeren met het Jodendom. Van de historie van de Jodensavanne leren ze dat wie eens slachtoffer was ook dader kan worden.

Uniek perspectief

Ombre onderzocht in haar werk ontluisterende bewegingen van de geschiedenis. Daarbij richtte ze zich liever op feiten dan op sentimenten, en zag ze dingen scherp en in een vaak uniek perspectief. In april 2023, een half jaar voor de nieuwe golf van geweld in de door Israël bezette Palestijnse gebieden, schreef ze in haar column voor het VPRO-radioprogramma OVT:

‘Israël en ik zijn beiden van 1948. Israël werd op 17 mei gesticht, ik zag op 8 december het levenslicht. Mijn geboortedag vier ik nooit, een surpriseparty zou mijn levenseinde bespoedigen. Daar komt bij dat er op 8 december 1982 gruwelmoorden in Suriname werden gepleegd (…) je moet dan van juiste huize zijn om een moord-dag als 8 december jubelend te beleven. Ook Israël is lang niet jarig, want sinds zijn oprichting verwikkeld in oorlogen met omliggende landen, en met interne etnische en religieuze conflicten. Talloze Palestijnen werden ter wille van het zionistisch ideaal uit hun woongebied verdreven met miljoenen thuislozen als gevolg. Was het voor rust en wereldvrede beter geweest als de zionisten destijds Suriname uitverkozen om hun staat te planten, in plaats van Palestina?’

De klare toon waarop Ombre wist te schrijven over complexe kwesties, helder, analytisch en met een sterk onafhankelijke blik, tekende haar schrijverschap. In het actuele publieke gesprek over kolonialisme en slavernij was ze echter geen toonaangevende stem: ze hield niet van mensen ‘die overal verstand van hebben’ en zei lang niet altijd te weten wat ze ergens van moest denken.

Dat ze door haar studie naar verschuivend machtsmisbruik een sterk gedifferentieerde kijk op de geschiedenis had, maakte haar een genuanceerd denker, geen leveraar van felgekleurde one-liners.

‘In mijn werk als schrijver wordt ongekleurde verbeeldingskracht gevraagd, niet zwart en niet wit, en invoelingsvermogen met slachtoffers en met daders. Ik ben, geloof ik, gelukkiger in een samenhangender, veelomvattend verhaal over wie wij zijn.’

Source: Volkskrant

Previous

Next