Home

Het onbevattelijke van het leven is niet in woorden te vangen, en toch wagen we hier een poging

Soms dringt het ineens tot je door: de onbevattelijkheid van het leven, bijvoorbeeld in een grot waar ooit prehistorische voorgangers leefden. Maar dit gevoel kan je zomaar ontglippen, en dan begin je te relativeren. Dave Schut laat zien waarom dat oneerlijk is.

Wij gaan deze zomer met de familie naar Frankrijk. Mijn broer heeft al iets op het oog: een stenen constructie, onderdeel van een prehistorische grafkamer, zo’n vijfduizend jaar oud. Op anderhalve kilometer afstand van onze camping. ‘Ik ga mee!’, reageerde ik in de groepschat. Want naast verse broodjes in de ochtend, een koud biertje in de middag en eindeloos lezen in de zon, is er nog een reden waarom ik op vakantie ga: ik wil, als het even kan, overrompeld worden door het onbevattelijke.

Wat is dat, het onbevattelijke? Het onbevattelijke zelf is niet in woorden te vangen, we kunnen alleen beschrijven wat het oproept: een gevoel, een lichamelijke ervaring. Maar het is een dieper, voller gevoel dan de meeste andere gevoelens. Daardoor lijkt het echter, grootser. Alsof er een hogere waarheid wordt onthuld. Die overbekende muur tussen jou en de rest van de wereld valt weg, en het is niet eng, het is fantastisch.

Voor wie dat nog te abstract of vaag klinkt: een voorbeeld. Jaren geleden bezocht ik Florence. Wie daar is geweest, zal denken dat ik over de Duomo wil beginnen. Logisch. De kathedraal is, zeker van de buitenkant, indrukwekkend. Maar indrukwekkend is iets anders dan onbevattelijk, en waar het onbevattelijke zich toont, verschilt per persoon. Ik twijfel er niet aan dat het velen bij de Duomo is overkomen. Mij overkwam het achthonderd meter verderop, in Santa Croce, een veel kleinere kerk.

In deze kerk bevinden zich de graftombes van beroemde Florentijnen, onder wie Michelangelo, Machiavelli en Galileo. Bij die laatste gebeurde het. Ineens voelde ik, van mijn kruin tot mijn kruis, hoe nabij de verre geschiedenis is, hoe dun de lijn is tussen belangwekkende historische figuren en gewone mensenlevens. Galileo was een naam die ver boven het alledaagse uitstak; tegelijkertijd lag hij hier, als een restje botten. Het is dat ik geen makkelijke huiler ben, anders was het gaan stromen.

Ik had in die kerk, voor zover ik dat kan beoordelen, geen ontmoeting met God. Het was juist de confrontatie met het aardse die het gevoel teweegbracht: de grootsheid van de fysieke wereld, de kleinheid van onze plaats erin. Ook de meest verstokte atheïst kan hierdoor overweldigd raken. Ikzelf, een agnost, leef voor zulke ervaringen.

Maar wat me intrigeert is hoe vluchtig dat gevoel is. Hoe snel het verdwijnt, en hoe makkelijk je jezelf achteraf wijsmaakt dat het wel meeviel.

‘Heel indrukwekkend’, zei ik in Santa Croce, en mijn vriendin stemde in, terwijl ze naar iets anders keek. Daardoor raakte ik in mezelf opgesloten, niet dramatisch, zo gaat dat gewoon – bij mij hooguit iets sneller dan bij andere mensen. Je ziet jezelf de ervaring hebben, je hoort jezelf zeggen dat iets indrukwekkend is, op een toon die niets van het majestueuze heeft dat je ermee probeert aan te wijzen.

Staat-ie hoor, in zijn korte broek, het onbevattelijke te ervaren.

De kans dat ik iets vergelijkbaars zal meemaken bij de stenen constructie in Frankrijk is klein. Om twee redenen. Waar je het onbevattelijke verwacht, dient het zich zelden aan. En: wat alle kenmerken draagt van iets onbevattelijks – en in mijn geval geldt dat zeker voor een prehistorische grafkamer – heeft niet per se dat effect.

Er is een goed filmpje van een groep Britse vrouwen die in een toeristenbusje komt aanrijden bij Stonehenge. Het monument is al te zien in de verte. ‘Is that it?’, vraagt een van hen verbaasd, geïrriteerd. ‘Can’t believe it. Coupla stones.’

Zelf heb ik een obsessie met de prehistorie, dus ook Stonehenge zal mij ontroeren, maar het is me vaak genoeg gebeurd dat ik in musea potten en pannen zag liggen waarvan ik had gehoopt dat ze me zouden vervoeren, terwijl ze in werkelijkheid slechts potten en pannen bleven die net zo goed van Xenos hadden kunnen zijn.

De irritatie van die Britse is zo vermakelijk omdat het de andere, komische variant van het onbevattelijke illustreert; het is letterlijk niet te bevatten, en dus ook niet goed uit te leggen. Vindt iemand zo’n stel stenen niks, dan kun je daar weinig aan veranderen. Het onbevattelijke is zeer gevoelig voor relativering, voor cynisme.

Drie jaar geleden, in Zuid-Afrika, hoopte ik het te vinden bij wilde dieren. Het eerste wat ik dacht, en soms ook zei, wanneer iemand mij vroeg hoe de reis was geweest, was dit: we hebben geen leeuwen gezien. Vooraf had ik op YouTube obsessief safarifilmpjes van leeuwen bekeken, mijn hart vervuld van verlangen, en achteraf deed ik dat nog vaker, mijn hart vervuld van pijn. De leeuw is niet voor niets de koning van de jungle, werd niet voor niets al tienduizenden jaren geleden nageschilderd in grotten: er is geen dier zo vorstelijk, zo imponerend als de leeuw, dus een leeuw zien leek mij de route naar geluk.

Dat ik hier achteraf over bleef doorzeuren, was eigenlijk ondankbaar, want het onbevattelijke had zich wel degelijk aangediend: we zagen olifanten. Safari kon je het niet noemen, je kon nauwelijks van wilde dieren spreken, want ze werden verzorgd en waren aan mensen gewend. We mochten ze voeren, aanraken, meelopen. Vooral dat laatste overweldigde me, we moesten uitkijken dat ze niet op onze tenen gingen staan. De traagheid van hun bewegingen, de controle die ze hadden over die reusachtige lichamen, de slurf die zo’n subtiele gevoeligheid suggereerde, en ogen waarin ik – ongetwijfeld projecterend, maar dat kon me niet schelen – intelligentie leek te zien.

Tegen mijn reisgenoten probeerde ik daar iets zinnigs over te zeggen.

‘Ik word een beetje, het lijkt wel-’

Ik greep naar mijn hart.

‘Zo raar dat ze gewoon...’

Weer liep ik vast.

‘Het heeft iets heel...’

Ik dwong mezelf om een zin af te maken.

‘Dat dat gewoon allemaal leeft.’

Verder kwam ik niet, tot mijn vreugde: dit was precies waarvoor ik in het vliegtuig was gestapt.

Mijn jaloezie is groot, haast verterend, wanneer ik lees over mensen die per ongeluk op iets veel groters stuitten.

Op vrijdag 29 maart 1974 besluit Yang Zhifa, een boer uit het Chinese dorpje Xiyang, een put te graven. Yang moet zijn gewassen van water voorzien, en het is al een tijdje zorgwekkend droog. Hij kiest voor een klein bebost gebied vlak bij het dorp.

Na enkele meters merkt Yang iets vreemds. De grond wordt harder, krijgt zelfs een rode kleur. Dan raakt zijn schep een voorwerp.

Yang is niet op safari, hij heeft een waterput nodig, dus hij heeft niet die hebberige blik van een toerist. Hij gaat ervan uit dat het een baksteen is. Irritant. Hij probeert eromheen te graven. Maar het voorwerp blijkt groter dan een baksteen. Hij graaft door.

Wat Yang hier openbaart, is het terracottaleger, bestaande uit zo’n achtduizend nagemaakte soldaten en honderden paarden en wagens, waarmee Qin Shi Huangdi, ook wel bekend als de eerste keizer van China, in de 3de eeuw voor Christus werd begraven. Hij zou erdoor worden beschermd in het hiernamaals. 2.200 jaar lang heeft niemand het leger gezien; Yang is de eerste.

Hoe klein, hoe groot zal hij zich hebben gevoeld? Hoe verliefd op de wereld?

Alle toerisme is in wezen een halfslachtige poging om Yang te imiteren. Tijdens diezelfde reis in Zuid-Afrika bezocht ik de Cango Caves. Het bezoek was onderdeel van een meerdaagse tour, we hadden er niet per se voor gekozen, dus ik had een ervaring verwacht zoals je die wel vaker hebt in het buitenland: rondkijken met de handen achter je rug, af en toe op de schouder van je gezelschap tikken en wijzen, en zodra de vertellende gids oogcontact met je maakt, even de wenkbrauwen optrekken, alsof het feitje je verbaast. Eenmaal buiten zegt iemand: ‘Mooie grot.’ Een ander knikt en weer een ander laat weten nu wel trek te hebben gekregen.

Thuis wordt de grot nog een paar keer genoemd tijdens de plichtmatige opsomming van afgevinkte bezienswaardigheden, maar daar blijft het bij. De ervaring gaat in het mapje ‘grotten’, waarna de kenmerken van deze specifieke grot grotendeels verloren gaan in grotten die al zijn gezien en grotten die nog zullen komen.

Dat verwachtte ik allemaal, maar zo ging het niet. Al bij de eerste grot was het raak. Op basis van schilderingen en archeologische vondsten was vastgesteld dat de prehistorische mens hier tienduizenden jaren geleden had geleefd. Hoe dat er ongeveer uit moet hebben gezien, was achterin nagebouwd. Een kampvuur, een oudere vrouw die kookte, een kind dat toekeek en de rest van de groep eromheen, ieder met een andere taak.

Omdat het erg donker was, kon ik niet beoordelen in hoeverre de mensen goed gelukt waren, wat de geloofwaardigheid van het geheel vergrootte. Vanaf de eerste aanblik had ik het gevoel dat ik mijn prehistorische voorouders in levenden lijve zag. De groep liep door, ik bleef staan. Mijn benen voelden zwak, zo verheugd was ik.

Terwijl ik dit onderging, kwamen twee Nederlandse vrouwen kakelend de grot binnen. De term kakelen gebruik ik niet lichtzinnig. Het geluid kwam, mede door de echo, vrij letterlijk overeen met dat van een stel kippen. Er waren slechts twee zinnen voor nodig om mij terug in het heden te torpederen.

‘Volgens mij zijn we te laat voor de rondleiding.’

‘Ach, stalactieten, stalagmieten, vink ammel best.’

Vanwege hun volume had ik me automatisch naar ze omgedraaid. Dat ik mij ergerde, stelde ik pas later vast, ik besefte alleen dat ik iets kwijtraakte. Nu draaide ik terug, in de hoop het staartje van de vervoering toch nog mee te kunnen pakken. Maar toen ik het nagebouwde tafereel opnieuw onder ogen nam, waren mijn voorouders verdwenen. Ik zag alleen een stel poppen die iemand daar had neergezet om toeristen te vermaken.

Jaloezie is niet alleen leerzaam, ze is ook leugenachtig. Naarmate ik mij meer verdiepte in het verhaal van Yang, bleek ik veel te hebben geromantiseerd. Yang had nauwelijks door hoe bijzonder zijn vondst was. Hij dacht hooguit: dit kan iets waard zijn. Hij sloeg erop met zijn schep. De afgebrokkelde stukken nam hij mee om te onderzoeken. Als het allemaal niks waard zou zijn, zo nam hij zich voor, zou hij ze in de rivier smijten.

En hij was niet alleen. Andere boeren werkten mee aan de put, Yang was slechts degene die met zijn schep een beeld raakte. Waarna sommigen hem plaagden: misschien kon hij het ruilen voor tabak.

Stuit je op het terracottaleger, begint een collega schijtlollige opmerkingen te maken.

Later kwam Yang in het museum te werken waar het terracottaleger werd tentoongesteld. Hij signeerde er boeken voor toeristen. Op een dag zal ook hij hebben gedacht: ik word niet goed van die knutselsoldaatjes.

Of het nu door een collega wordt bevestigd, twee vrouwen die een grot binnenkomen of verveling op de lange termijn, het is onvermijdelijk: je keert toch altijd weer terug in dat banale, eigentijdse bewustzijn.

En voor je het weet, komt de stem van die Britse vrouw in je naar boven: coupla stones.

Het is verleidelijk om je daaraan over te geven. Om te zeggen: ik overdrijf, zo bijzonder was het niet. Maar ook dat is leugenachtig. Want waarom zou de evaluatie achteraf op een hogere trede staan dan de ervaring zelf?

Waarschijnlijk om de simpele reden dat ze langer standhoudt. De evaluatie kun je opschrijven, herhalen, nog eens bestuderen en opnieuw bevestigen – geen speld tussen te krijgen. De ervaring, en zeker de bijbehorende emotie, is gauw verdwenen en kun je je alleen met grote moeite nog herinneren, en zelfs dan alleen in afgezwakte vorm. Dus is het makkelijk, logisch, redelijk, om de evaluatie serieuzer te nemen.

Logisch – en oneerlijk. Alsof een rechter de ene partij gelijk geeft, omdat de andere dood is.

Ja, het onbevattelijke is zo weer verdwenen, en ja, daarna lijkt het bijna niet gebeurd, maar leid jezelf niet om de tuin: wat je voelde was echt.

Dit is een essay uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next