Home

Lena Bril wilde een goed mens worden. Maar wanneer ben je dat?

Filosoof en schrijver Lena Bril besloot op 1 januari wat minder met zichzelf bezig te zijn en een beter mens te worden voor anderen. Maar hoe? Een TikTokhovenier, buurtbusbestuurder en Rutger Bregman wezen haar de weg.

is filosoof en schrijft voor Volkskrant Magazine over moderne etiquette.

Een oudere man – witte, dunne haren, huid als vloeipapier – leunt met zijn volle gewicht op een wandelstok en kijkt weifelend in de iPhone-lens.

‘Hoe voelt het om onbaatzuchtige hulp te krijgen?’, wordt hem gevraagd.

Zijn ogen zoeken die van zijn vrouw.

‘Het voelt… goed?’, antwoordt hij.

‘Helpen mensen elkaar nog in deze samenleving, denk je?’

‘Nee. Iedereen is alleen maar met zichzelf bezig’, reageert de man, kordaat dit keer. De vrouw knikt instemmend.

Ik sta met de TikToktuinhovenier in de achtertuin van de man, die wordt omringd door zijn voltallige familie. De hovenier heeft zojuist de perenbomen gesnoeid, de heg bijgewerkt en het tuinafval opgeruimd. Om de oude meneer, die zelf geen kettingzaag meer ter hand kan nemen, te helpen. Dat doet de hovenier zeven dagen in de week: dichtgegroeide en verloederde postzegeltuinen achter huurhuizen aanharken. Gewoon, gratis.

Op zijn socialemediakanaal staan honderden video’s waarin deze TikToktuinman de tuinen van mensen met chronische ziekten, schulden en mentale klachten een beurt geeft.

Want, luidt de slogan op zijn kanalen: een beter Nederland begint bij onszelf en met onze handen, ons hart én elkaar.

Wat een verademing, dacht ik. Iemand die niet alleen maar bezig is met zichzelf, zoals de rest van de mensen op mijn TikTokfeed, maar zich richt op de mensen om zich heen.

Je zou bijna zeggen: inspirerend.

Een kleine honderd zelfhulpboeken

Het begon ermee dat ik een goed mens wilde worden, maar na een kleine honderd zelfhulpboeken was ik het nog steeds niet.

Ik had naar mezelf gekeken, naar mijn navel, naar mijn grenzen. Ik had mijn gevoelstemperatuur gemeten, en ondertussen was de wereld om mij heen naar de achtergrond verdwenen.

En dus besloot ik het op 1 januari – je bent een zelfverbeteraar of niet – over een andere boeg te gooien. 2026 zou het jaar worden waarin ik een beter mens werd voor anderen.

Een moreel mens, wier eigen behoefte niet altijd voor die van een ander, of nog beter, die van het collectief gaat. Maar hoe doe je dat: zo’n goed mens zijn?

Opnieuw wees de weg naar een stapel boeken. Theorieën over moraliteit zijn namelijk bezig aan een gestage comeback. Het individualisme is doorgeschoten, de samenleving is verschraald, verhuftering neemt toe: we kennen de analyses onderhand wel.

Twee wegen liggen open, als antwoord op dat egoïsme. De eerste is die van de rationele moralisten: denkers die geloven dat de rede – niet het gevoel! – de betrouwbare morele gids is. Wie werkelijk goed wil doen, is het idee, moet onpartijdig zijn en systematisch redeneren.

De tweede weg is geplaveid met empathie. Aanhangers van deze school pleiten voor zorgzaamheid, kwetsbaarheid en onderlinge afhankelijkheid. Emoties zijn volgens hen juist onze belangrijkste morele graadmeter.

Als zelfverbeteraar met behoefte aan houvast (liefst in de vorm van een lijst met duidelijke regels) was de keuze snel gemaakt: ik begon bij de rationele route.

Groot denken, strategisch handelen

Rutger Bregman maakte op zijn 15de zelf een geloofsval mee en sindsdien zoekt hij een seculier moreel verhaal, onder meer in zijn bestsellers Morele ambitie (2024) en het dit jaar verschenen Morele revolutie.

Zijn boodschap is helder: de wereld heeft mensen nodig die groot denken, strategisch handelen en bereid zijn persoonlijk comfort op te offeren om de wereld te redden van haar grootste gevaren. Bregman put daarvoor uit het utilitarisme: de moraalfilosofie die zegt dat je moet kiezen voor de handeling die het grootste welzijn voor het grootste aantal mensen voortbrengt. Een soort goodnessmaxxing.

Lena Bril is filosoof en schrijver. Vorig jaar verscheen haar boek In therapie – een persoonlijke zoektocht naar houvast.

Deze theorie wantrouwt emoties, en dan met name nabije empathie, het gevoel dat wordt opgeroepen door wat direct voor je staat. Empathie, zou de utilist zeggen, is een bijziend moreel kompas. Ze doet je meeleven met het leed van mensen die je kent, ziet en hoort, maar maakt je blind voor het grotere leed op afstand. Wie werkelijk goed wil doen, moet dus verder kijken dan zijn directe omgeving en vertrouwen op z’n verstand.

Volgens deze logica is het dus (oké, ik chargeer het een beetje) beter om 20 procent van je inkomen te doneren aan een malariabestrijdingsfonds dan om je buurvrouw te helpen.

De aantrekkingskracht van dit denken is voor zelfverbeteraars evident. Het is helder, meetbaar, resultaatgericht en in het beste geval los je het klimaatprobleem op.

Het probleem is natuurlijk dat dit soort morele ambitie bepaalde kwaliteiten vereist om op grote schaal impact te maken met een wereldverbeterende start-up. Ik. Je moet een McKinsey-alumnus zijn, je moet een doorzetter zijn, een superstrateeg. Talenten waarover ik niet beschik: ik ben in vrijwel alles, op lezen en observeren na, onbekwaam. Maar ik kan wel een beetje tuinieren, dacht ik.

TikTokhovenier

En zo belandde ik bij de TikTokhovenier.

Tijdens het snoeien en harken leerde ik hem beter kennen. Jarenlang was hij als tuinier in dienst geweest, maar hij droomde altijd al van ondernemen. Zijn vrienden waren rijk geworden met crypto en onlineshops, ze gingen samen op vakantie naar Dubai. De tuinier bouwde wat passief inkomen op met garageboxverhuur, maar de klapper bleef uit.

Tijdens de derde lockdown zag hij op TikTok een Amerikaan die tuinen opknapte en miljoenen hartjes ontving. Hij dacht: dat kan ik ook.

Nu komt het succes hem eindelijk toe. Video’s gingen viraal, bekende Nederlanders repostten hem, Winston Gerschtanowitz polste hem voor een tv-programma.

Terwijl ik zo naar hem luisterde bekroop mij een onbehaaglijk gevoel. Morele jeuk. Was dit wel het type ‘goed mens’ waarnaar ik op zoek was, een hedendaagse morele held? Rode vlaggen bleven zich aandienen terwijl we vuilniszakken vol gekapte takken vulden. Zijn voorgekauwde oneliners (‘Je hoeft maar om je heen te kijken om te zien dat mensen in de steek gelaten worden’). Zijn wantrouwen in de politiek (stemmen deed hij al jaren niet meer). En hypocrisie (‘Ik hoorde laatst een politicus op de radio oproepen om te gaan stemmen. Toen dacht ik wel: moet ik mijn kanaal daar niet voor inzetten?’).

Was deze man uit op verbetering van de samenleving, of op het vergroten van zijn invloed, zijn persoonlijke succes?

Een utilist zou nu zeggen: jouw rode vlag is een erfenis van een oud moreel systeem, een morele onderbuik van onze voorouders die in kleine groepen leefden. Die morele intuïtie is niet up-to-date – kijk naar het resultaat, niet naar de intentie!

De helden die Bregman in Morele ambitie opvoert, zijn hiervan een goed voorbeeld. Het zijn veelal mannen met een ongevoelige, asociale persoonlijkheid. Daardoor kunnen ze uitzoomen, extreem immorele systemen als eerste herkennen (zoals: de slavernij) en harde strategische keuzes maken. Maar daardoor zijn het ook slechte vrienden, afwezige vaders, en, zoals dat in therapietaal heet: narcisten.

Zo’n onthechte, koude calculerende ethiek klinkt als een stap terug in de geschiedenis. Waarom kun je niet een goed mens zijn en, nou ja, menselijk?

Manusje-van-alles

Op zoek naar morele helden vergrootte ik mijn zoekgebied, en vond een ander voorbeeld, in Limburg.

Guus – niet zijn echte naam – had zijn leven in dienst gesteld van de gemeenschap: als katholiek, onderwijzer en vooral als behulpzaam manusje-van-alles. Altijd stond hij klaar voor hulpbehoevenden met gereedschap of een volle boodschappentas.

Nu bestuurt hij de buurtbus waardoor mensen op onherbergzame plekken in het uiterste zuiden van het land nog zelfstandig ‘op café’ kunnen. Bij het station wachtte de zeventiger mij op in een stokoude Hyundai. Bevlogen vertelde hij over zijn werk, over de mensen die hij rondreed, over het belang van zo’n bus in een streek waar je nergens bent zonder openbaar vervoer.

Dit, dacht ik, is hem. De held die ik zoek. Zonder camerastatief, passief inkomen of Winston Gerstanowitz. Gewoon een man die zijn plicht doet.

Zo’n rationele, plichtsgetrouwe ethiek beleeft óók een bescheiden heropleving. Namelijk: de filosofie van verlichtingsdenker Immanuel Kant. In Duitsland pleit filosoof Omri Boehm voor Kants categorische imperatief: handel alleen volgens regels waarvan je kunt willen dat ze een algemene wet worden.

In Jurriën Hamers Wat vrijheid van je vraagt – geschreven door een goede vriend van Bregman, wat de Nederlandse moraalfilosofie tot een tamelijk gezellig clubje maakt – klinkt ook de echo van Kant, zij het minder luid. Hamer blaast conservatieve waarden als ‘plicht’, ‘verantwoordelijkheid’ en ‘fatsoen’ nieuw leven in. Hieronder ligt, net als bij Kant, de idee dat elk mens intrinsiek waardevol is en dus fatsoenlijk en rechtvaardig bejegend dient te worden. De prijs voor leven in een vrije samenleving is dat je als burger handelt in lijn met het gemeenschappelijk belang.

Het is daarom moreel onverdedigbaar om vlees te eten, of je kinderen exorbitante erfenissen na te laten, of te lachen om seksistische grappen. Moreel handelen is voor Hamer dus géén goodnessmaxxing – het gaat hem niet om welzijn of geluk, maar om rechtvaardigheid en plichtsbesef. Voor Hamer doet niet alleen de uitkomst ertoe, maar ook de intentie erachter. Kant was hierover onverbiddelijk: een handeling heeft alleen morele waarde als ze voortkomt uit plichtsbesef, niet uit eigenbelang, gewoonte of zelfs medeleven.

Deze plichtsgedreven, rationele ethiek sprak me wel aan, als een menselijker alternatief voor Bregmans goodnessmaxxing. En die dienstbare Guus leek haar in alles te belichamen.

Maar toen stapte ik in de buurtbus.

Daarvoor hadden we koffie en schnaps gedronken in een verlaten buurtbrasserie. Guus had zijn levensverhaal over mij uitgestort als een emmer cement. Het epos van zijn heldhaftige leven klonk zo: altijd had hij mensen geholpen, zijn opsomming van liefdadigheid hield niet op. Maar zijn kinderen wilden geen contact meer, begreep ik. Nadat zij bij ziekten bij hem hadden gewoond (hij had ze juist zoveel geholpen!) wilden ze niets meer van hem weten.

Daar was-ie weer, wapperend in mijn bewustzijn: de rode vlag. Zijn kinderen wilden geen contact? Geen goede vader?

De buurtbus bestuurde Guus met dezelfde energie waarmee hij de reizigers verwelkomde: agressief-optimistisch. Na een half uur scheuren over slingerende N-wegen was ik misselijk en was bovendien mijn morele kompas totaal van slag. Wankelend verliet ik bij de eerstvolgende stop, een miezerig perron in Geleen, het voertuig.

Morele jeuk

In de trein terug krabde ik eens flink aan mijn morele jeuk en kwam tot de conclusie dat zo blind plichtsgetrouw je morele wet volgen en zo je gemeenschap dienen óók een prijs kent: geen oog hebben voor de mensen recht voor je.

Nu is over dit laatste een uitdijend genre aan (populair)wetenschappelijke boeken verschenen. Zoals Zorg van Lynn Berger (2023), Who Cares (2026) van Bregje Feuth en Mirte Wibaut, The Social Biome (2025) van Andy J. Merolla & Jeffrey A. Hall, Naar een nieuw samen van Ap Dijksterhuis (2026) en The Last Human Job van Allison Pugh (2025).

Ook zij beloven een oplossing voor de verschraalde samenleving en haperende vooruitgang, maar ze kiezen voor een andere strategie: die van het omarmen van onderlinge afhankelijkheid. Geen van de auteurs neemt overigens het woord plicht of deugd in de mond, maar er spreekt indirect wel een morele filosofie uit hun werk. Een goed leven en een betere maatschappij, stellen zij, beginnen bij sociale relaties, zorgzaamheid en interpersoonlijke synchronisatie (waarover later meer).

Deze waarden vormen de basis van een relatief jong moreel systeem, ontwikkeld door feministen in de jaren zeventig: de zorgethiek. Niet het hoofd, maar het lichaam staat centraal in deze ethiek. Een lichaam dat sterflijk en afhankelijk is, waarmee we verbinden en meeleven met anderen.

Een ethiek, kortom, met ruimte voor emoties. De ratio doet weliswaar mee voor de zorgethicus, alleen weigert zij die te isoleren van die menselijke eigenschappen als, ik noem maar wat, intuïtie en empathie. Intentie achter je handeling doet er dan wél toe: niet op een mechanische manier zoals bij Kant – braaf je morele wet opvolgen – maar in de zin dat je aanwezig bent in contact met de persoon tegenover je. Zonder die aandacht kún je dus onmogelijk het goede doen.

Hebbes, dacht ik. De zorgethicus geeft mij een verklaring voor de rode vlaggen die ik zag bij de TikTokhovenier. Ze geeft een antwoord op de vraag waarom ik zo’n morele jeuk krijg van de buurtbusbestuurder. En ze begrijpt waarom ik me ongemakkelijk voel bij het goodnesmaxxing van Rutger Bregman. Mijn morele intuïtie says no, en dat is logisch. Van een afstand – op TikTok, in een spreadsheet – doen deze rationele morele helden het goede. De hovenier maakt tuinbezitters blij en inspireert honderdduizenden kijkers hetzelfde te doen. Bregman-volgers zouden zeggen: een win-winsituatie.

Zijn discutabele intentie en gebrek aan werkelijke verbinding met die oude man in de tuin wegen daar niet tegenop. De buurtbusbestuurder Guus volgt blindelings zijn plicht, dusdanig dat de plicht een doel op zichzelf wordt. Het resultaat: hij kan niet meer verbinden met mij, zijn kinderen, dan wel de reizigers in de bus.

Daarom voelde ik me zo onprettig in de Rotterdamse achtertuin en in de Limburgse bus – ik voelde me niet gezien. De mensen in de bus leken meer objecten van Guus’ plicht. En die oude meneer in zijn achtertuin voelde vooral als publiek, niet als een medemens die hulp nodig had.

Onderling vertrouwen

Die aandacht voor de ander tegenover je is sociaal noodzakelijk, zeggen twee Amerikaanse communicatiewetenschappers Andy J. Merolla & Jeffrey A. Hall in The Social Biome. Voor geslaagde, grootschalige samenwerking (aan, ik noem maar iets: klimaatopwarming) is namelijk vertrouwen nodig. Voor dat onderlinge vertrouwen hebben we enig zicht nodig op andermans intenties. Wil iemand in de eerste plaats eenzaamheid bestrijden of vooral veel volgers op sociale media? Zorgt iemand voor je omdat hij om je geeft, of omdat het zijn plicht is?

Zulke kennis over de motivatie van onze medemens is minder voorhanden in een pluralistische samenleving, zeker eentje waarin onbekenden minder interactie met elkaar hebben. Het gevolg: onbegrip, polarisatie – en dus géén wereldverbeterende coalities.

De oplossing, zeggen de onderzoekers, is uiteraard communicatie. Smalltalk helpt: een ‘goedemorgen buurman’ kan zomaar het begin zijn van een klimaatberaad. Nog beter is het om af en toe écht contact te maken met mensen buiten je directe kenniskring. In sociaal-wetenschappelijk jargon: interpersoonlijke synchronisatie aangaan.

Dus de ander in de ogen kijken, terughoudend zijn in je aannamen, daadwerkelijk ontvankelijk zijn voor de vreemdeling en reageren op diens behoefte.

Juist deze menselijke eigenschap, contact maken met je medemens, staat de afgelopen decennia onder druk. Omdat ‘zorg’ in een patriarchale samenleving wordt gezien als een ‘vrouwelijke’ (en dus: minderwaardige) activiteit, blijft zij veelal onzichtbaar en ondergewaardeerd, schrijft bijvoorbeeld Lynn Berger in Zorg. Professionele zorgverleners raken daarom bedolven onder stapels papierwerk, tikkende klokken en oplopende stressniveaus.

Thuis komt de zorg – verrassing – nog steeds grotendeels voor de rekening van vrouwen. Omdat zij meestal de voornaamste zorgrol dragen voor kleine kinderen of hulpbehoevende ouders, raken zij bijzonder geoefend in die, excuses voor het jargon, interpersoonlijke synchronisatie.

Wie lange tijd voor een afhankelijk niet-sprekend wezen zorgt (zoals een baby) leert om allerlei signalen op te pikken en daarop adequaat te reageren. Je legt daarmee een biologisch, neurologisch en hormonaal zorgsysteem aan, waardoor je makkelijker empathie kunt opbrengen voor hulpbehoevenden. Mannen ontwikkelen zo’n systeem meestal niet omdat zij niet die solotijd met hun kroost doorbrengen of mantelzorgen.

Vermoeiend voor vrouwen, inderdaad. Maar het is ook een groot gemis voor mannen. Zij ervaren minder intense liefde en verbinding met een ander. Ze voelen niet de volledige voldoening die zorg oplevert. En ze lopen de betekenis die zulke relaties geven aan het leven, mis.

De komst van kunstmatige intelligentie werpt mogelijk nog een barrière op voor het trainen van dat zorgsysteem, en dus van onze morele intuïtie. Als we niet oppassen vervangen we therapeuten, huisartsen en mentoren door Claude of ChatGPT. Praten we liever met een taalmodel dat niet kan voelen dan met een vriend. Verleren we hoe we een goede klik met een ander niet verwarren met een piepend moreel kompas.

Willen we vooruitgang, concludeerde ik, dan hebben we juist meer interpersoonlijke synchronisatie nodig, meer zorgzaamheid, meer gevoeligheid, niet minder. Zonder vertrouwen immers geen sociale cohesie, geen gezamenlijke doelen. Een morele held moet dus een zorgzaam mens zijn.

Twijfel aan mezelf

De lente brak aan, de iepenregen hoopte zich op naast de stoepranden. Ik prikte afval in de buurt met de plaatselijke kerkgangers en ik keuvelde me een ongeluk met supermarktmedewerkers en mensen in bushokjes.

Desondanks voelde ik weinig verbinding tijdens al die smalltalkgesprekken met onbekenden. Jaloers dacht ik terug aan de prestaties van de TikTokhovenier, de buurtbusbestuurder, en ja, van Rutger Bregman. Wat had ík nu eigenlijk bereikt? Voor het eerst tijdens dit project nestelde een nog onbehaaglijker gevoel zich in mij: twijfel aan mijzelf, aan mijn eigen morele kompas.

Het filmpje waarin ik de hovenier hielp met de tuin van de oudere man verscheen in mijn for you page. Ik keek naar de timelapse van ons gesnoei, naar de ietwat bedremmelde glimlach van de oudere man bij het zien van het eindresultaat, naar de honderden hartjes en duimpjes.

Ik luisterde mijn opgenomen interview met de tuinman terug, hoorde hoe hij vertelt over zijn ambitie om samen met gemeenten een landelijk tuinproject uit te rollen. Deed ik niet te moeilijk? Was ik te streng?

Te snel een held

Heldendom, schrijft Jurriën Hamer, is onderhevig aan inflatie. In de moderne wereld is het zó moeilijk om een fatsoenlijk mens te zijn, dat we mensen al tot held uitroepen bij de allerkleinste goede daad. Het is tegenwoordig normaal om op sociale media te schelden, op de VVD te stemmen vanwege de hypotheekrenteaftrek en liever geld te besteden aan plastic wegwerpmeuk dan aan het redden van mensenlevens.

In zo’n cultuur feliciteren we elkaar als je een keertje niet vliegt en is vrijwilligerswerk een heldendaad waarover je post op LinkedIn. Hamer betoogt dat we juist niet moeten streven naar het morele heldendom: probeer eerst maar eens je plicht te vervullen, de zware taak op je te nemen om een good enough burger te zijn.

En omdat dit tegenwoordig zo moeilijk is, stelt Hamer, is het zaak dat de overheid ingrijpt, het voor ons met vleestaks, erfbelasting en regulatie van de digitale wereld makkelijker maakt om het goede te doen.

Het probleem met heldendom is dat het in essentie individualistisch is. De held stijgt boven anderen uit en ontleent daaraan zijn identiteit. Het verlangen om een morele held te zijn, verschilt in die zin weinig van mijn zoektocht naar zelfverbetering. De uitkomst verschilt misschien (mijzelf helpen versus andere mensen helpen), maar de motivatie (een persoonlijk doel, een raison d’être) blijft gelijk.

In dat streven naar heldendom zit eenzelfde soort zucht naar een totaaloplossing, naar een overkoepelend verhaal dat richting geeft, naar eenduidigheid en zuiverheid. Wat verloren gaat is precies hetgeen waarnaar ik op zoek was: meer oog voor de wereld en de mensen om me heen.

Rutger Bregman lijkt tot eenzelfde conclusie te zijn gekomen. In Morele revolutie slaat hij een andere toon aan dan in Morele ambitie: de consultancyretoriek is verdwenen. Deels komt dat door de vorm: Morele revolutie is geen zelfhulpboek zoals haar voorganger, maar een seculiere preek. Deels omdat Bregman terugblikt op zijn eerdere werk, zoals De meeste mensen deugen. (Mijn intuïtie zou daaraan toevoegen: het vaderschap heeft hem vast doen verzachten.) Hoe dan ook, op de vraag ‘wat is heilig?’ antwoordt Bregman nu: onze menselijke natuur, ons verlangen naar liefde.

Het begin van alles

Op een bankje in een winkelcentrum komt een gesluierde vrouw naast me zitten. Ze opent een zak Sensations, haar gigantische zonnebril op het puntje van haar neus. ‘Wil je ook?’

De artificiële geur van sweet chili dringt mijn neus binnen. Dankbaar steek ik mijn hand in de zak en laat het zout mijn mond vullen. De zon verdwijnt achter de gebouwen en ik voel mijn ambitie uitdoven. We praten wat. Over het weer, over het verloop van onze zondag, over het gebrek aan een Action in de buurt. Dit, denk ik als ik naar huis loop, is het begin van alles.

Rutger Bregman: Morele revolutie – De BBC Reith-lezingen. De Correspondent; 94 pagina’s; € 15.

Jurriën Hamer: Wat vrijheid van je vraagt – Filosofie voor een bloedserieuze tijd. De Bezige Bij; 208 pagina’s; € 20,99.

Andy J. Merolla & Jeffrey A. Hall: The Social Biome – How Everyday Communication Connects and Shapes Us. Yale University Press; 256 pagina’s; € 24,92.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next