Jongeren zijn vaak kwetsbaar, zonder vast werk en vangnetten en met een slechte positie op de woningmarkt. Dat komt door keuzes die politiek en samenleving hebben gemaakt, betogen Janneke ter Bille en Merdan Yagmur. Met name de vakbeweging moet zichzelf opnieuw uitvinden.
Wie naar een groep jongeren kijkt, ziet hoofden gebogen, schermen oplichtend, duimen scrollend. En al snel volgt het oordeel: ze zijn verslaafd aan hun telefoon, ze maken geen echt contact meer. Maar dat beeld zien we ook in elke vergadering en elke wachtkamer. Als een jongere scrolt, is het een probleem; als een volwassene het doet, heet het multitasken.
En toch wijzen we naar de jongeren. Die dubbele maatstaf vertelt alles over hoe wij naar jongeren kijken: als een probleem dat opgelost moet worden, in plaats van als een generatie die de rekening betaalt voor keuzes die wij hebben gemaakt. Onderzoek van de Universiteit Gent toont aan dat wat wij generatieconflicten noemen zelden over leeftijd gaat, maar over maatschappelijke veranderingen, prestatiedruk en een werkcultuur die steeds minder zekerheid biedt. Geen generatiekloof dus, maar een systeemkloof.
Over de auteurs
Janneke ter Bille is pedagoog en auteur van De Generatiespiegel.
Merdan Yagmur is voormalig onbezoldigd lid van het Algemeen Bestuur van de FNV.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
De afgelopen dertig jaar zijn risico’s stelselmatig verschoven van bedrijven naar werknemers. Marktwerking, flexibilisering en bezuinigingen hebben collectieve vangnetten afgebroken, precies in de jaren dat deze generatie opgroeide. Jongeren bewegen zich in een economie waarin tijdelijke contracten de norm zijn, woningprijzen in tien jaar tijd zijn verdubbeld en klimaatangst een dagelijkse achtergrond vormt. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is Nederland in Europa koploper in tijdelijke arbeidscontracten, met de grootste concentratie bij jongeren en mensen met een migratieachtergrond. De oorzaak van die kwetsbaarheid ligt niet bij hen, maar bij de keuzes die wij hebben gemaakt.
De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving stelde in 2025 vast dat Nederland is doorgeschoten in prestatiedruk en individualisme. De maatschappelijke kosten van psychische problematiek lopen op tot ten minste 18 miljard euro per jaar. Uit onderzoek van TNO en het CBS blijkt dat in 2022 een op de vier werkenden tussen de 18 en 34 jaar burn-outklachten ervoer, een verdubbeling ten opzichte van 2015. Het schoolsysteem draagt daaraan bij: gebouwd voor een arbeidsmarkt die niet meer bestaat, vraagt het van jongeren te presteren binnen structuren die wij hebben ontworpen. En dan zijn wij verbaasd als ze afhaken.
Op de werkvloer worden jongeren behandeld als talent in wording, mensen die zich eerst moeten bewijzen voor ze serieus worden genomen. Maar zij zijn niet de werknemers van morgen. Ze zijn de collega’s van vandaag. Onderzoek laat zien dat gebrek aan uitdaging en perspectief de voornaamste redenen zijn waarom medewerkers onder de 30 vertrekken.
Het is de rekening van een systeem dat presteert op korte termijn en mensen verbruikt op lange termijn. Wat werkgevers nodig hebben is geen betere uitlegstrategie, maar een andere houding: minder sturen op wie jongeren moeten worden, meer luisteren naar wat zij zien en meemaken. Loyaliteit vraag je niet van mensen aan wie je zelf weinig loyaliteit hebt getoond. Die verdien je.
En dan de vakbeweging, ooit opgericht om precies deze mensen te beschermen. Uit cijfers van het CBS blijkt dat de helft van alle vakbondsleden in Nederland ouder is dan 45 jaar. Jonge flexwerkers, platformmedewerkers en zelfstandigen blijven grotendeels buiten beeld, niet omdat zij geen solidariteit kennen, maar omdat de bestaande structuren niet voor hen zijn gebouwd. Het lidmaatschapsmodel, de cao-onderhandelingen, de vertegenwoordiging in de polder: het zijn instrumenten van een arbeidsmarkt die niet meer bestaat.
Hoe het anders kan, laten andere landen zien. In Denemarken wordt flexibele arbeid gedragen door robuuste sociale zekerheid en intensieve scholing. Baanwisselingen zijn er gewone loopbaanstappen, en meer dan 70 procent van de werkenden is vakbondslid.
Finland heeft jongerenwelzijn in wetgeving verankerd, met laagdrempelige jongerencentra in vrijwel elke wijk van Helsinki. Zweden combineert een organisatiegraad van 80 procent met een moderne economie, doordat vakbonden er actief zijn in scholing en loopbaanbegeleiding. Dat zijn geen utopieën. Dat zijn beleidskeuzes.
Vakbonden in Nederland kunnen het verschil maken, maar dan moeten zij naar de mensen toe. Dat betekent zichtbaar zijn in de horeca, de logistiek, de zorg en de platformeconomie. Een ledendemocratie die jongeren een stem geeft. En zekerheden die meegaan met mensen in plaats van met contracten: pensioenopbouw en scholingsfondsen die niet afhangen van een vaste werkgever. Een vakbeweging die dat hardop zegt, doet er weer toe.
In het boek De Generatiespiegel staat de vraag centraal die zelden wordt gesteld: wat vraagt de wereld die wij hebben gebouwd van deze generatie, en is dat redelijk? Wie eerlijk kijkt, ziet geen jongeren die niet willen. Die ziet jongeren die vastlopen op systemen ontworpen door mensen die er zelf nooit in hoeven te leven. De uitdaging ligt niet bij hen. Die ligt bij ons. Bij werkgevers, beleidsmakers en een vakbeweging die bereid moet zijn zichzelf opnieuw uit te vinden. De spiegel die jongeren ons voorhouden, is niet ongemakkelijk. Die is noodzakelijk.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Source: Volkskrant