Home

Samuel Becketts Winnie uit ‘Happy Days’ heeft in ieder geval haar lippenstift nog

In Samuel Becketts huwelijksdrama Happy Days zit Winnie tot haar nek weggezakt in het zand. Als meelijwekkende mens aan de rand van de afgrond houdt ze zich vooral veel bezig met haar uiterlijk. Wat moeten we met dat vrouwbeeld?

is chef-kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.

Ze is een explosie van fuchsiaroze ruches temidden van het grauwe zand. Gestipte parasol, roze hoedje, lippenstift, revolver. Actrice Manja Topper van Dood Paard zit tot haar heupen vast in een berg aarde, op een verlaten bouwterrein in Amsterdam waar (misschien, ooit?) een nieuwe duurzame woonwijk zal verrijzen.

Maar nu bevinden we ons midden in een postapocalyptisch huwelijksdrama van Samuel Beckett, uit 1961. Winnie zit vast in die berg zand, haar man Willie (Marien Jongewaard) scharrelt eromheen, buiten haar zicht. Winnie kletst en kletst, opgewekt en onvermoeibaar, om de groeiende wanhoop op afstand te houden. Heel af en toe mompelt haar Willie iets onverstaanbaars terug.

Het is een meedogenloos beeld van het huwelijk. En deze echtelieden bevinden zich ook nog in de eindtijd – de wereld is vergaan, ze zijn alleen, binnenkort is het voorbij. ‘Arme Willie, loopt op zijn eind’, stelt Winnie vast. In het tweede deel van de tweeakter Happy Days zit ze weggezakt tot haar nek in het zand. De volgende stap laat zich raden.

Happy Days – de titel verraadt een sardonisch plezier om die meelijwekkende mens aan de rand van de afgrond. Ook Winnie zelf blijft stug volhouden dat ze heus gelukkige dagen beleeft. ‘Geen verandering, geen pijn, bijna geen, dat is fantastisch!’

Het verhaal gaat dat Beckett zijn stuk schreef na kritiek van actrice Maureen Cusack. Die had na het sombere Krapp’s Last Lape (1958) verzucht: ‘Kun je niet een keer een vrolijk toneelstuk schrijven?’

Dit was zijn antwoord: een vrolijk gevecht met de wanhoop. Waarschijnlijk heeft Beckett zich voor het vertrekpunt – vrouw verzonken in berg zand – laten inspireren door een surrealistische foto van Angus McBean.

81 voorgeschreven stiltes

In 1961 speelde speelde Ruth White Winnie bij de wereldpremière in het Cherry Lane Theatre in New York. Het jaar daarop was het bij het Londense Royal Court Theatre de beurt aan Brenda Bruce. Beckett regisseerde die productie zelf en was onmogelijk star in zijn aanwijzingen – blikken, pauzes, oogopslag. Het ritme van de tekst ging boven alles, hij dicteerde het juiste tempo met een metronoom. In de tekst zitten 81 voorgeschreven stiltes die allemaal op een andere manier gespeeld moeten worden.

Dit stuk geldt daarom als de ultieme test voor het vakmanschap van een actrice. Happy Days is voor actrices wat Hamlet is voor acteurs: een olympische prestatie, een proeve van meesterschap. Internationaal speelden grootheden als Fiona Shaw, Dianne Wiest en Juliet Stevenson haar. In Nederland Elsie de Brauw, Marlies Heuer, Antoinette Jelgersma. En nu dus Manja Topper, in een verrassend geanimeerde, meisjesachtige variant. ‘Begin Winnie! Begin je dag.’

Zo nu en dan vallen Beckett en zijn Winnie ten prooi aan een feministisch debat. Want schreef Beckett niet ook voor dat zijn meesterlijke Wachten op Godot alleen maar door mannen mag worden gespeeld? En wat moeten we in hemelsnaam met Winnie, qua vrouwbeeld? Het onnozele bazelen, dat getut met haar handtas: spiegeltje, borstel, lippenstift.

Zelfs aan het einde van de wereld is deze vrouw nog geobsedeerd door haar uiterlijk en of dat in de smaak valt bij de paar omstanders die nog over zijn. ‘Was ik ooit aantrekkelijk?’, vraagt ze Willie. En: ‘De aarde zit strak vandaag. Ik hoop niet dat ik ben aangekomen.’

Ode of aanklacht?

Happy Days is zo niet alleen een stuk over de mens die zich verhoudt tot zijn onvermijdelijke einde, maar ook over een vrouw die amechtig de vergankelijkheid op afstand wil houden. ‘Maak jezelf mooi, dat zeg ik altijd’. Of moeten we Winnie juist zien als commentaar op de benarde positie van de vrouw? Bij Beckett blijft het gissen. Is Happy Days ode of aanklacht? En aan, of tegen, wie: de vrouw, de mensheid, het leven? Het eenvoudigste antwoord is: allebei, allemaal.

Maar Beckett zo bekijken is natuurlijk veel te letterlijk en te plat. Hij is niet uit op snel begrip of heldere duiding, daar stuurt hij met zijn fragmentarische teksten in absurde situaties juist zo veel mogelijk van weg. Wil Winnie überhaupt nog iets overbrengen met haar woorden, betekenen ze nog iets, of zit ze simpelweg gevangen in een carrousel van clichés omdat we dat zo gewend zijn? Is dit ‘gesprek’ ook maar een vorm, waaraan ze zich vastklampt om niet op te lossen in het niets?

Al die woorden, waartoe, waarvoor?

Beckett wordt vaak gespeeld in tijden van crisis – en wie Happy Days nu ensceneert zegt vanzelf iets over de klimaatcatastrofe – ook al omdat de aarde Winnie hier langzaam verzwelgt. ‘Ha, iets levends!’, roept Manja Topper verrukt uit. ‘Een mier!’ Er is alleen maar verschroeide aarde om haar heen, maar de mieren redderen voort. Dat heeft, heel in de verte, iets hoopvols. Ook daar trekt ze zich aan op.

Winnie is een vrouw die zichzelf onmetelijk voor de gek houdt. Maar ze is óók een vrouw die ondanks alles de moed erin houdt. En hoe kun je anders leven? Het is knettergek, maar we moeten wel.

Dat heeft Beckett goed gezien. Aan actrice Brenda Bruce vertelde hij wat hij voor zich zag bij Happy Days, en hoe dat idee zich verder uitkristalliseerde. ‘Ik dacht dat het vreselijkste dat iemand kan overkomen is (…) dat je levend wegzinkt in de grond die vol mieren zit. De zon schijnt meedogenloos dag en nacht. Er is geen boom… er is geen schaduw, niets (…) en alles wat je hebt is een klein tasje met spulletjes om je door het leven heen te helpen. Ik dacht: wie zou dat aankunnen? Zingend ten onder gaan? Alleen een vrouw.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next