Thuisonderwijs Ouders kunnen voortaan alleen nog een beroep doen op de vrijstelling wegens richtingsbezwaren wanneer zij kunnen aantonen dat het onderwijs op openbare scholen in hun buurt niet objectief, kritisch en pluralistisch is. Joke Sperling betoogt dat deze uitspraak van de Hoge Raad de vrijheid van onderwijs potentieel aantast.
Een moeder in Den Haag geeft thuisonderwijs aan haar kinderen.
De Hoge Raad deed onlangs een opzienbarende uitspraak over de vrijstelling van de leerplicht wegens richtingsbezwaren, bezwaren tegen de levensbeschouwelijke richting van scholen. Ouders kunnen zich alleen nog op deze vrijstelling beroepen wanneer zij kunnen aantonen dat het onderwijs op de openbare scholen in hun buurt niet op een objectieve, kritische en pluralistische manier wordt gegeven. Slagen zij daar niet in, dan hebben zij geen recht op vrijstelling en zijn ze verplicht hun kind op een school in te schrijven, ook als die niet overeenstemt met hun overtuigingen. De uitspraak is niet alleen in strijd met de bedoeling van de vrijstelling, maar vormt ook een potentiële aantasting van de vrijheid van onderwijs.
Mr. dr. Joke Sperling is gespecialiseerd in onderwijsrecht en gepromoveerd op de juridische aspecten van thuisonderwijs.
Om de vrijstelling te begrijpen, moet worden teruggegaan naar de basisprincipes van ons onderwijsstelsel. Dat stelsel is in het leven geroepen om ouders te ondersteunen in hun fundamentele recht hun kinderen op te voeden volgens hun eigen levensbeschouwelijke en pedagogische overtuigingen. Onderwijs is een onlosmakelijk onderdeel van de opvoeding. Ouders hebben daarom het recht te kiezen voor onderwijs dat hun overtuigingen actief ondersteunt.
De overheid faciliteert dit recht op twee manieren. Ten eerste houdt zij openbare scholen in stand. Die zijn, gelet op het gelijkheidsbeginsel, levensbeschouwelijk neutraal en algemeen toegankelijk. Ten tweede staat de overheid, via de vrijheid van onderwijs zoals vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, toe dat burgers scholen oprichten met een eigen levensbeschouwelijke of pedagogisch-didactische grondslag. Veel van deze zogenoemde bijzondere scholen ontvangen dezelfde bekostiging als openbare scholen. De gedachte daarachter is dat het keuzerecht van ouders niet afhankelijk mag zijn van de financiële draagkracht: iedereen moet zijn kind naar een school van de eigen overtuiging kunnen sturen. Artikel 23 zorgt er dus voor dat ouders zelf een school van hun overtuiging kunnen kiezen en is geen doel op zich.
Bij de parlementaire behandeling van de leerplichtwet in 1900 ontstond een principiële discussie over de vraag of de overheid ouders kon verplichten hun kinderen naar een school te sturen als er geen school van hun overtuiging in de buurt was. Dat kon het geval zijn wanneer in een omgeving slechts één godsdienstige overtuiging overheerste, waardoor er alleen scholen van die richting beschikbaar waren. Ook kon het zijn dat de ouders een levensbeschouwing hadden waarvoor in de omgeving onvoldoende kinderen waren om een school op te richten. Dan konden ouders niet worden verplicht hun kind naar de openbare school te sturen, omdat zij meer keuzevrijheid hebben dan alleen neutraal onderwijs.
Voor die situatie werd artikel 5b Leerplichtwet in het leven geroepen. Ouders die bedenkingen hebben tegen het onderwijs op alle scholen in hun omgeving kunnen op basis hiervan een beroep doen op vrijstelling van de inschrijfplicht.
De wetgever koos er uitdrukkelijk voor geen bepalingen op te nemen over alternatief onderwijs voor vrijgestelde kinderen, een omissie die tot op heden voortduurt. In de praktijk geven vrijgestelde ouders hun kinderen thuisonderwijs, vaak samen met andere ouders. Veel van hen juichen toezicht toe of laten het onderwijs aan hun kinderen vrijwillig certificeren via Stichting Keurmerk Thuisonderwijs.
Het ontbreken van een wettelijke onderwijsverplichting lijkt de reden waarom de Hoge Raad de vrijstelling door de jaren heen steeds verder heeft ingeperkt. Maar in zijn ijver heeft hij het ouderlijk keuzerecht nu fundamenteel veranderd: van een recht op onderwijs dat de overtuigingen van de ouders actief ondersteunt, naar een recht op onderwijs dat die overtuigingen slechts objectief, kritisch en pluralistisch behandelt.
Dat is een geleidelijke verandering van het keuzerecht dat ten grondslag ligt aan artikel 23 Grondwet. Dit artikel garandeert weliswaar nog steeds het recht een eigen school op te richten, maar de redenering van de Hoge Raad laat zich gemakkelijk doortrekken. Wie garandeert dat het argument dat neutraal onderwijs volstaat, later niet wordt gebruikt om de bijzondere school zelf ter discussie te stellen, bijvoorbeeld bij het aanvragen van bekostiging voor een nieuwe school van een bepaalde overtuiging? Sommige politieke partijen pleiten al jaren voor afschaffing van de vrijheid van onderwijs. De uitspraak van de Hoge Raad ondersteunt hen daarin.
De oplossing om deze uitholling van het keuzerecht tegen te gaan, ligt in de afschaffing van de vrijstelling en invoering van een wettelijke regeling voor thuisonderwijs. In de meerderheid van de Europese landen is thuisonderwijs een volwaardige onderwijsvorm en onderdeel van het keuzerecht, waarbij ouders hun keuze niet hoeven te rechtvaardigen met bedenkingen tegen bestaande scholen.
In sommige landen, zoals Ierland en Denemarken, is dat recht zelfs grondwettelijk verankerd. In de leerplichtwet kan worden opgenomen dat ouders zijn vrijgesteld zolang zij zorgen voor voldoende onderwijs, met toezicht door de onderwijsinspectie. Buitenlandse voorbeelden van toezicht, waaronder België, zijn ruimschoots voorhanden. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die thuisonderwijs krijgen minstens zo goed functioneren als schoolgaande kinderen. Beweringen die dit tegenspreken zijn gebaseerd op vooroordelen.