Mochten zes medewerkers van ggz Drenthe hun beroepsgeheim doorbreken omdat ze dáchten dat een coronaverpleegkundige aan hen ‘een twintigtal moorden’ had opgebiecht? Het medisch tuchtcollege buigt zich over die vraag. ‘Het zette ons klem.’
‘Ik zat echt aan de grond. Ik wist van voren niet meer dat ik van achteren leefde. Ik sliep niet meer. Elke nacht zag ik de beelden van stikkende mensen weer voor me. En nu dacht ik: fijn, eindelijk luistert iemand naar mij.’
In de rechtbank in Zwolle beschrijft de voormalige coronaverpleegkundige Theodoor vrijdag tegenover het medisch tuchtcollege hoe hij zich voelde toen hij eind 2022 met PTSS-klachten aanklopte bij ggz Drenthe. Het was een noodkreet.
Maar de ggz-hulpverleners begrepen zijn woorden heel anders. Zij raakten ervan overtuigd dat hij had opgebiecht eigenhandig coronapatiënten uit hun lijden te hebben verlost. Ze namen begin 2023 een uitzonderlijk besluit: ze doorbraken hun medisch beroepsgeheim en lichtten met een brief Theodoors werkgever in, het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. Ook praatten enkelen van hen met de politie.
Kort daarop viel een arrestatieteam Theodoors huis binnen. De voormalige coronaverpleegkundige werd opeens verdachte in plaats van iemand met een trauma die hulp vroeg. Hij zou betrokken zijn geweest bij de dood van ‘een twintigtal’ covid-patiënten. Op eigen houtje zou hij hun sterven hebben versneld. Het leek de grootste moordzaak in de Nederlandse geschiedenis.
‘Hij kwam voor hulp, en vertrok in de handboeien’, zegt zijn advocaat Ronald Knegt. ‘Alles zou binnen de muren blijven’, zegt Theodoor. ‘En dat is niet gebeurd.’
Van de ernstige verdenking bleef uiteindelijk niets over: het OM vond ondanks uitgebreid onderzoek geen enkel bewijs en vervolgde Theodoor niet. Hijzelf had vanaf het begin ontkend.
Vanwege de enorme gevolgen die het voor hem heeft gehad, zit hij nu, drie jaar later, hier in de rechtbank in Zwolle. Theodoor heeft een tuchtzaak aangespannen tegen de zes betrokken ggz-medewerkers: drie psychiaters, twee psychologen en een verpleegkundig specialist. Volgens hem hebben zij ten onrechte hun beroepsgeheim doorbroken en hebben ze onzorgvuldig gehandeld.
‘Er zijn hem woorden in de mond gelegd’, zegt zijn advocaat tijdens de zitting. ‘Ze hebben te snel een ‘niet-pluis’-gevoel gehad. Ze hebben zich bovendien geen enkel moment verdiept in de gang van zaken op de covid-afdeling.’
Na slechts een ‘indicatiegesprek’ van drie kwartier rinkelden de alarmbellen al. De advocaat vergelijkt het overleg tussen de hulpverleners over wat Theodoor gezegd zou hebben met een doorfluisterspelletje in een schoolklas. ‘Dat gaat bijna altijd mis.’
Dat Theodoor in zijn wanhoop zei dat het soms ‘vóélde als moord’ als hij morfine toediende en zuurstoftoevoer verminderde – gebruikelijke handelingen bij patiënten in de laatste levensfase op de covid-afdeling – werd vervolgens als een bekentenis opgevat.
Het medisch beroepsgeheim mag slechts onder strikte voorwaarden doorbroken worden, blijkt uit de richtlijn van artsenfederatie KNMG. Bijvoorbeeld als er een ‘zwaarwegend belang’ is, of een zogenoemd ‘conflict van plichten’.
Op deze laatste grond beroepen de ggz-hulpverleners zich. Ze moesten wel, stelt hun advocaat, om te voorkomen dat de verpleegkundige in de toekomst anderen ernstige schade zou toebrengen. ‘Hij vertelde dat hij angst had voor zijn eigen handelen, en dat hij het in een soortgelijke situatie weer zou doen.’
Volgens haar hebben de hulpverleners steeds zorgvuldig overlegd en afgewogen of, en in welke mate, zij hun beroepsgeheim zouden doorbreken, ook tijdens de politieverhoren. Er was overleg met een interne advocaat en een advies van een externe jurist.
‘Je zou bijna denken: bij ggz Drenthe kun je niks vertellen, want ze vertellen daar alles door. Maar dat doet geen recht aan deze zorgverleners. Het doorbreken van het beroepsgeheim is het moeilijkste dat er is.’ Volgens haar vertelde de verpleegkundige in meerdere gesprekken hetzelfde verhaal, en worstelde hij met wat hij had gedaan.
Theodoor en zijn advocaten vinden dat de hulpverleners daar te snel hun eigen conclusies uit hebben getrokken. Mede omdat hij ziek thuis zat, was er volgens hen bovendien geen acuut risico op herhaling - als er al sprake was van een misdrijf. Een psycholoog noteerde zelfs dat het recidiverisico ‘laag’ was. Ook zou er slordig en soms ook pas achteraf aan verslaglegging zijn gedaan.
Het tuchtcollege vraagt naar de procedures, de behandelrelatie, de dossiervorming, het diagnostische proces. Er zijn maar drie gesprekken met hem geweest, constateert een van de leden kritisch. ‘Waarom is er zo snel gehandeld?’
‘We voelden een toenemende urgentie om er iets mee te doen’, antwoordt de klinisch psycholoog. ‘Theodoor zei dat hij zich machtig voelde. Dat hij het lijden van patiënten niet kon verdragen. Dat het makkelijker werd naarmate hij het vaker deed. Het zette ons klem.’ Ze maanden de verpleegkundige zelf naar de politie te stappen. Zoniet, dan zouden zij dit doen.
‘Eigenlijk is de weg naar behandeling daar afgekapt’, stelt de voorzitter van het tuchtcollege vast. ‘U had toch nog verder in gesprek kunnen gaan?’
Terugblikkend, zegt de psycholoog: ‘Ik sta er nog steeds achter dat het zo gegaan is. Ons zwaarwegende belang was: toekomstig ernstig leed voorkomen.’
Voor Theodoor is het moeilijk om te horen dat ze er nog steeds van overtuigd zijn het goede te hebben gedaan. Geëmotioneerd probeert hij uit te leggen dat de hulpverleners hem verkeerd begrepen.
‘Het klopt: ik draaide aan de zuurstof, ik gaf morfine’, zegt hij. ‘Maar weet je waarom? Omdat mijn patiënten stervende waren. Ze kregen palliatieve zorg. Dat was mijn werk, en als verpleegkundige zou ik het inderdaad weer zo doen. Ik was daar niet om te moorden. Ik was daar om mensen te helpen.’
De uitspraak volgt over zes weken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant