Oud-premier Mark Rutte (VVD) voorafgaand aan het verhoor door de parlementaire enquêtecommissie over het coronabeleid.
In de eerste fase van de coronapandemie is Nederland „door het oog van de naald gekropen”, zei oud-premier Mark Rutte (VVD) vrijdagmiddag in zijn eerste verhoor door de parlementaire enquêtecommissie Corona. Een ‘code zwart’, waarbij patiënten buiten het ziekenhuis zouden sterven vanwege gebrek aan plek op de intensive care, was volgens Rutte vanaf half maart 2020 tot de tweede week van april dichtbij.
Rutte: „De IC-capaciteit heeft mij en de rest van het kabinet die weken de hele tijd beziggehouden. We hadden zo’n 850 IC-bedden, de voorspelling was dat we er 2.400 nodig zouden hebben. Die waren er niet.”
De beelden uit het Italiaanse Bergamo, waar een dergelijk scenario zich voltrok, kwamen volgens Rutte bij het kabinet als een „mokerslag” binnen. „We voelden wel: wij zijn nu verantwoordelijk voor het land. En we dachten: als de voorspellingen kloppen, dan komen we ook in een Bergamo-scenario.” Uiteindelijk bleef Nederland dat bespaard, onder meer dankzij hulp uit Duitsland.
Dat Rutte tijdens een historische televisietoespraak vanuit het Torentje op 16 maart 2020 hamerde op ‘groepsimmuniteit’, was niet omdat dit onderdeel vormde van het kabinetsbeleid, verklaarde de oud-premier. „Dat was zeker geen doel.”
Volgens Rutte verwachtte het kabinet in die eerste fase dat groepsimmuniteit een gevolg zou zijn van het beleid van „maximaal controleren”, waarbij het land niet in een totale lockdown zou gaan maar het virus ook niet vrij mocht rondrazen. Achteraf bleek het volgens Rutte niet zo te werken, omdat mensen na een coronabesmetting opnieuw vatbaar bleken voor het virus.
Mark Rutte legt de eed af voorafgaand aan het verhoor.
Rutte noemde de vele zondagse overleggen in het Catshuis, waar de belangrijkste nieuwe coronamaatregelen werden besproken, van „grote meerwaarde”. „Ik denk dat het verstandig was om het zo te doen,” zei Rutte tegen de commissie.
De betrokken ministers en experts kwamen in het Catshuis bij elkaar „zonder de druk om meteen een besluit te moeten nemen”, aldus Rutte. „We kwamen daar niet tot een definitief besluit, maar tot een idee van: wat moet er nou? In zo’n crisis heb je plekken nodig waar je zonder grote tijdsdruk dit soort dingen kun bespreken.” In het Catshuis was volgens Rutte ook ruimte voor „extreme” ideeën, „bijvoorbeeld het voorrang geven aan allerlei groepen bij vaccinaties.”
Ook ná de sessies discussieerden bewindslieden over de te nemen maatregelen, zei Rutte. Met soms „hevige botsingen” als resultaat. Rutte: „Ik stimuleerde dat ook. Dan ging het over: is het nou echt nodig maatregelen te nemen die de economie zo hard raken?”
Binnen het kabinet was er vaak ruzie over de te nemen maatregelen, vertelde Rutte. „Ik was er blij mee, dat betekende dat het echt ergens over ging.” Aan het eind van 2020 stuurde hij collega-minister Hugo de Jonge een appje: „Super. Te gek. Heb van onze samenwerking genoten. [..] Samen met Ferd [Grapperhaus, minister van justitie] tegen de rest,” zo citeerde de commissie het bericht.
Op de herhaalde vraag van de enquêtecommissie wat hij daar precies mee bedoelde, weigerde Rutte te antwoorden. Hij benadrukte dat hij, De Jonge en Grapperhaus onderling ook „enorme ruzies” hadden. De kabinetsleden konden wel tegen zulke ruzies, zei Rutte, en het hoorde nu eenmaal bij de crisissituatie.
Ook het Torentjesoverleg, dat drie keer per week werd gehouden, was volgens Rutte tijdens de pandemie „heel belangrijk”. De ministers evalueerden dan de maatregelen. Ook deelden ze tijdens deze bijeenkomsten hun emoties. Rutte: „Deze crisis leidde tot allerlei momenten waarop de druk en de impact van de maatregelen soms overweldigend waren. Er zijn momenten geweest waarin er grote emoties waren.”
Zo waren Rutte en andere bewindslieden in april 2020 geraakt doordat Duitsland extra IC-capaciteit aanbood. De situatie in verpleeghuizen, waar veel mensen eenzaam aan corona stierven, leidde volgens Rutte ook tot „grote emoties” bij zorgministers Hugo de Jonge (CDA) en Martin van Rijn (PvdA).
Tijdens het verhoor verweerde Rutte zich tegen het verwijt, onder meer van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, dat het kabinet tijdens de pandemie te veel luisterde naar virusbestrijders en te weinig naar andere experts. Het kabinet was volgens hem juist „constant bezig met de worsteling” tussen maatregelen om het virus te bestrijden en de impact daarvan op de samenleving. Rutte sprak telkens van de „brede weging” die het kabinet maakte voorafgaand aan besluiten. En hij had het over een „duivels dilemma” en een „evenwichtsbalk”.
Rutte: „Het is niet zo dat het kabinet afstempelde wat het OMT [adviesorgaan Outbreak Management Team] adviseerde”, zei Rutte. Onder meer de scholensluiting in maart 2020, de mondkapjesplicht eind 2020 en de avondklok begin 2021 werden volgens Rutte niet door het OMT geadviseerd.
Pas in het voorjaar van 2021 volgde het kabinet het OMT-advies – van een jaar eerder – om het beperken van maatschappelijke schade tot een expliciet beleidsdoel te maken. Volgens Rutte was toevoegen van dat doel niet nodig, omdat het kabinet zich daar al van bewust was: „De gevolgen voor de samenleving waren verschrikkelijk. We hebben er vanaf het begin volledige aandacht voor gehad. Het is sinds het begin van de crisis een leidend thema geweest.”