Plek met niets In hoekjes van de stad liggen soms nog braakliggende grondjes. Geen reclamescherm jat je ogen, geen logo rukt aan je pinpas, geen hardloper hijgt in je nek. Hoe bescherm je zo’n struinplek tegen ontwikkelaars, vraagt Arjen van Veelen zich af.
Soms als ik de stad zat ben, speur ik op de satellietkaart naar plaatsen waar niets is. Ik zoek perceeltjes zonder winkel, café of park; er mag geen parkeerplaats zijn of fitnessparcours of azc en zelfs geen liefelijk natuurgebiedje met wandelroute – gewoon niets. Nou ja, behalve wat braamstruiken, een rietkraagje, wat wegroestend ijzer. Graag zelfs. Het moet zo’n plek zijn waar je zorgeloos een lijk zou kunnen dumpen of onbekommerd orgies organiseren, mocht je dat willen. Maar dat wil je niet. Je wil er niets. Misschien een beetje verwilderen. Staren naar zonlicht op schors. Een wolk volgen.
Bij ‘wildernis’ denk je aan wilde dingen. Maar de natuur is lui. Ieder voorjaar duiken de klaprozen en de pinksterbloemen op in precies dezelfde jurkjes als het jaar ervoor. Wie wild leeft hoeft zichzelf niet opnieuw uit te vinden. ‘Val in herhaling’, schreeuwt al dat prachtige om je heen.
Steden zijn plaatsen die iets van je willen, die je gebrek aanpraten, waar je gaat denken dat je beter, fitter, sneller moet zijn. Daarom zoek ik de plaatsen waar je kunt spijbelen, waar je van het padje af kunt raken.
Soms zijn tien stappen opzij genoeg. Soms moet je een hek of een slootje over of een streng bordje even niet zien. Maar als je er eenmaal bent, met kleefkruid in je haar en een schram op je knie en een kloppend hart, ben je in het paradijs. Geen reclamescherm jat je ogen, geen logo rukt aan je pinpas, geen hardloper hijgt in je nek. Je vindt er stilte, sterren, soms een kogelhulsje. Het is er magisch, leeg, eng. Je kunt er dansen zonder dat iemand kijkt. En als je niet in je eentje durft, vraag je iemand mee.
De Franse antropoloog Marc Augé kwam in de jaren negentig met de term non-places, hij bedoelde: plaatsen waar je wel bent, maar waar je geen band mee voelt. Denk aan vliegvelden of snelwegen of anonieme winkelcentra. Maar in de hoekjes die ik zoek, voel je je juist onmiddellijk thuis. Het land is er aan het helen van voorbije tijdperken, je loopt langs ruïnes en over vergruisd beton, toch wemelt het er van aanstekelijke levenslust. Je schiet er wortel.
En leeg zijn die plaatsen nooit. Er lopen altijd onzichtbare draden van betekenis, de sporen van andere mensen. Een stoel verstopt achter een boom. Een monument voor een geliefde hond: twee takken met een touwtje eromheen en een geplastificeerde foto. Een bloem en een fles met een plengoffer verstopt in de holte van een knotwilg.
Elke plek van niets kent zijn koesteraars en pelgrims. Tezamen vormen ze een verborgen genootschap van mensen die schielijk in het bos verdwijnen om clandestiene dingen te doen zoals de daad van zomaar ergens zijn – zonder een hengel, boek, telefoon, sigaret als alibi. Daarom vormen zulke terreintjes de ademgaten van de stad. Je herkent ze op een luchtfoto aan de olifantenpaadjes. Je vindt ze in de hoekjes en de bochten, de liflafjes van het landschap.
Vroeger, toen we ze nog in overvloed hadden, heetten ze terrain vague. Die term komt uit de jaren negentig, van de Catalaanse architect Ignasi de Solà-Morales. Hij zag de vage terreintjes als inspirerende alternatieven voor de geplande, efficiënte stad. Hij koos het Franse woord vague omdat het zo fijn dromerig Frans klonk, denk ik; maar ook vanwege de etymologische verwantschap met het Latijnse vacuus – ‘leeg’ – zowel als vagus – ‘zwervend’.
Maar er is inmiddels niets váágs en dromerigs meer aan struinruimte. Niet alleen stadsvluchtelingen, ook ontwikkelaars speuren de kaart af, zien euro’s in rommelhoekjes die voor omwonenden heilige wouden zijn. In elk struweel kun je wel een windturbine prikken, op elk bramenveldje past een containerwoningendorp, zelfs de klaverbladen van snelwegen betegelen we met zonnepanelen. Het heeft iets dwaas dat de homo sapiens zich bekommert om één dolende bultrug maar intussen zijn eigen habitat totaal betegelt.
De plaatsen waar niets is, zijn inmiddels zo zeldzaam geworden, dat we moeten spreken van heilige grondjes. Heilig komt van het Proto-Germaanse hailagaz wat ‘heel’ betekent. Heilig is etymologisch verwant aan helen. Heilig zijn de plaatsen die helen. Heilig zijn de plaatsen zonder looproutes, foodtrucks en reclameborden. Heilig zijn de plaatsen van niets.
Soms huist er een zeldzaam spinnetje, soms een bijzondere uil; maar het zijn de grondjes zélf die we moeten beschouwen als een bijna uitgestorven soort.
Hoe bescherm je ook een plek waar niets is? Heilige grondjes hebben per definitie geen pr-bureau, geen bezoekerscentrum, geen advocaten, geen Facebook-pagina. Geen kwantificeerbare buurtfunctie of bijdrage aan de economie. Zelfs geen informatiepaneel. Zodra ze die wél zouden hebben, zijn ze niet meer niets. Ze zijn als poëzie: die red je niet door te wijzen op de economische opbrengsten.
Ik geloof dat je heilige grondjes alleen kunt verdedigen met behulp van nimfen, bosgeesten en beschermheiligen. En soms moet je voor wijze raad naar een kluizenaar.
Laatst sprak ik er eentje. Ik was in Londen, een prachtige stad waar je in een reuzenrad kunt zitten en nog heel veel meer – een stad die desalniettemin op de zenuwen begon te werken. Gelukkig had ik de kaart afgespeurd naar nietsige grondjes. En zo belandde ik in de moerassen van Swanscombe.
Die moerassen liggen in een bocht van de Theems, op een uur van Londen richting de zee. De rivier maakt hier een scherpe knik om een zompige landtong heen. Het landschap is pokdalig en groen, aan het helen van een episode met kalkmijnen en cementfabrieken. Er is vrijwel niets behalve een gigantische hoogspanningsmast, de hoogste van het land. En op de satellietkaart was een kreekje te zien met iets wat leek op een scheepskerkhof en allerlei rommelweggetjes. Ik zocht op internet, er bleek hier een botenclub te zijn. En er woonde iemand, al 35 jaar, in een caravan aan de kreek, geheel off grid (ironisch genoeg onder die hoogspanningsmast).
Je moest eerst over een paadje door de moerasjungle. Je passeerde een ingestorte klif. Her en der stonden omineuze rode bordjes met PRIVATE LAND – NO PUBLIC FOOTPATH. Er waren hekken. En zo kwam je bij een piratennest met slordige houten steigertjes met oude speedbootjes, zeiljachtjes, kano’s, een viskotter en een historisch binnenvaartschip.
Hier stond ook de trailer van kluizenaar Bob (78), de beschermheilige en officieuze havenmeester. Hij ontving me in een donkerblauw Lonsdale-joggingpak. Zijn goeie vriend Dave (67), een karaoke-dj, was er ook, net als de rode kater Rusty. De fluitketel floot. We dronken thee.
Bob kwam uit een ruige volkswijk in Londen, hij was hier 35 jaar geleden komen wonen na liefdespech. Al gauw werd hij verliefd op de plek. Vanwege de stilte, de wilde dieren en vogels, de zonsondergangen die de Theems rood kleurden. Hij plantte er appelbomen, paardenkastanjes en coniferen, die inmiddels volwassen waren. Voor passerende wandelaars of vogelaars zette hij stoelen buiten en een bordje met ‘take a rest’. In de zomer was het hier gezellig, met barbecues en alles. Je had hier ook zeehonden en ijsvogels, vertelde hij, soms dolfijnen en vaak groene spechten. Het meest was hij gesteld op de houtduiven. Die deden hem denken aan hoe hij als stadskind baby-duifjes redde uit de handen van van ettertjes.
Verderop lag de snelwegbrug over de Theems. „Je hebt twee werelden”, zei Bob. „Je hebt de wereld van de brug, daar zie je mensen in de file staan. En je hebt dit. Dan weet ik wel waar ik liever ben.”
Uiteraard hing er een schaduw over dit paradijs. Eerst was er een projectontwikkelaar die hier een pretpark van het formaat Disneyland wilde bouwen. Een lokale coalitie aangevoerd door een kapster en een juf, tevens raadslid van de Green Party, Laura Edie, wist dat plan te verijdelen. Nu was de grond opgekocht door een nieuwe projectontwikkelaar. Het bedrijf beschouwde Bob als kraker die moest oprotten. Eerst hadden ze met betonblokken de toegangswegen geblokkeerd. Toen een hek om het haventje gebouwd, hij was nu bijna letterlijk gekooid. Er patrouilleerden security guards en overal hingen die rode bordjes. Waarom Bob weg moest, begreep niemand, er was nog geen nieuwe bestemming voor het moeras.
Op Britse landgoederen bestond in de achttiende eeuw de traditie van de ornamental hermit, de ‘sierkluizenaar’. Dat was iemand die tegen kost-en-inwoning op het terrein woonde, in een armzalig hutje. Hij fungeerde als spiegel. Tegenwoordig kunnen landeigenaren zelfs die reflectie kennelijk niet meer aan.
Voor een gekooide tijger oogde Bob buitengewoon vrolijk en goedgeluimd, hij had een twinkeling in zijn ogen die ik niet begreep. Hij vertelde dat hij de brieven gewoon niet opende; dat hij het spelletje van de landeigenaar niet meespeelde. Hij wilde de mannen in pakken – die enkel per brief, hek en bordje communiceerden – laten zien dat ze niets voorstelden.
Toen ik wegging, wees hij me op een eetbare plant, ik scheurde een blad af, andijvie-achtig, ik kende het niet – pas later snapte ik wat het was.
Ik was toen allang weer thuis in Nederland. Ik had de kinderen op bed gelegd, op mijn telefoon kwamen foto’s binnen van een ravage alsof een tornado was gepasseerd. Wat bleek: toen Bob even weg was om boodschappen te doen, hadden bulldozers zijn huis verwoest, inclusief al zijn persoonlijke bezittingen en foto’s. En Rusty was kwijt.
Op Facebook las ik boze berichten van buren. „Hebben die mensen zwarte harten en geen ziel?”, vroeg er een (een vraag die ik ook aan het bedrijf heb voorgelegd, vooralsnog geen reactie). Ik voelde een machteloze kwaadheid opkomen, alsof alle vernietiging op aarde zich geconcentreerd had op de trailer van Bob. Ik dacht aan zijn dolende kat en aan het stukje plant – en toen aan een boek dat in de kamer van de kinderen rondslingerde.
Het gaat over een kraker die een heilig grondje redt met behulp van een kluizenaar die hem softdrugs geeft. De held rijdt eerst als een nomade door de stad, dakloos, „want alle huizen waren vol” – aldus Pluk van de Petteflet uit 1971 van Annie M.G. Schmidt. Uit pure noodzaak overweegt hij om maar in het park te overnachten. Daar fluistert een duif hem in dat er bovenin een woontoren van twintig verdiepingen nog een kamertje leeg staat.
„Denk je dat ik hier zomaar mag wonen?”, vraagt Pluk.
„Ja hoor”, zegt die duif, „Het staat leeg.”
Dus hij trekt er in, samen met een „intelligente” en „beleefde” kakkerlak. Die duif woont in de Torteltuin, een „echt, wild, woest bos” met varens, mos en bomen – in feite gewoon een verwilderde tuin, „de struiken groeien er maar raak”. Dit slordige wildernisje wordt bedreigd: het moet een tegelpleintje worden „met een keurig bloemperk”. Pluk gaat hulp zoeken bij de „kluizelaar”, een soort hippie die off grid leeft in het bos. Een lange reis, hij neemt liefst 24 boterhammen mee.
De tocht lijkt uit te lopen op een echec: hij krijgt van de kluizelaar enkel een zielig plantje mee. Maar dat blijken Hasselbramen te zijn, een magische plant die volwassen mensen spelplezier geeft: „zodra je ervan eet wil je spelen in plaats van werken”. De foute types eten van de bramen en vergeten de Torteltuin te betegelen. Eind goed, al goed.
Ik vond het schokkend om terug te lezen. Een historische spiegel. Want het boek mag nog steeds razend populair zijn; wat die lieve Pluk deed – een leeg huis betrekken – hebben we als maatschappij een halve eeuw later gebrandmerkt als crimineel gedrag (zie de Wet kraken en leegstand uit 2010). En op lsd of hasj in kinderboeken zijn we ook niet meer zo happig. Het verhaal zou sowieso heel anders gaan. In de Torteltuin zou een datacenter komen, Pluk zou in een participatietraject belanden waarin hij mocht co-creëren over de kleur van de nieuwe bloembakken. Hij zou eindeloos handhavingsverzoeken pennen en quick scans laten uitvoeren om de waarde in euro’s van de zogeheten ‘ecosysteemdiensten’ te berekenen – net op tijd zou hij beseffen dat wat op het spel stond niet dat wildernisje was, maar zijn ziel. Het vermogen om in wat struweel een magisch woud te zien en in een mondje bramen een lsd-trip.
Toen begreep ik waarom Bob de kluizenaar die twinkeling had in een hopeloze situatie. Hij had ook gegeten van de hasselbramen. Hij bezat dat magische voorstellingsvermogen. Hij kon een scheepskerkhof aanzien voor een luxe marina en een caravan voor een kasteel. Hij had die wildheid van hart, die geen bulldozer kan pletten, althans dat hoop ik maar; in ieder geval begreep ik nu welk plantje hij me had meegegeven, dat moesten dan ook vast hasselbramen zijn. En ik wist nu hoe je een heilig grondje redt. Namelijk: niet. Landjes waar je niets hoeft, hoef je zelfs niet te redden. Het enige wat je met je leven moet bevechten is het vermogen om ze te blijven zien.