Janneke kookt Het tuinseizoen begon wat aarzelend dit jaar, schrijft Janneke Vreugdenhil, en de zestiende-eeuwse worteltjes zijn nog in de groei. Radijzen zijn er wél, daar maken we twee rauwkostsalades mee.
Het tuinseizoen begon wat aarzelend dit jaar. Of het aan het koude maartse weer lag of aan ons, de Haagse Tuinders, weet ik niet precies. Eerdere jaren was het eerste weekeinde nadat we de code van het hek hadden gekregen hét moment geweest waarop we ons met het complete clubje, inmiddels uitgegroeid tot acht mensen, hadden verzameld op het buurttuintjescomplex om de eerste radijszaadjes in de grond te stoppen en dit heuglijke feit te vieren met koffie en taart.
Uiteindelijk gingen pas met Pasen de eerste zaailingen de grond in: tuinbonen. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik hier schrijf dat tuinbonen ons belangrijkste gewas vormen. Waar slechts een deel van ons tuinclubje iets opheeft met pastinaken en een nog veel kleiner deel snijbiet weet te waarderen (lees: alleen ik), zijn we daar juist alle acht gek op. Om vogels op afstand te houden, bouwden M en ik een tunnel om de plantjes heen, opgetrokken van boogjes en een net. Het werd onze mooiste tunnel tot nu toe en we voelden ons niet alleen trots, maar ook bijzonder professioneel.
Pas later, in mei, werd ons in de moestuinnieuwsbrief onder het kopje ‘gewasbescherming’ op het hart gedrukt zulke netten alleen te gebruiken als het écht nodig was. Vogels konden er namelijk verstrikt in raken. „Dit is zielig voor de vogels en ook vervelend voor onze medewerkers die ze moeten helpen”, stond er droogjes bij. Als we dan toch een net wilden gebruiken, konden we er het beste voor zorgen dat dit goed aansloot op de grond, zodat de vogels er niet onderdoor konden kruipen. M en ik hadden de uiteinden van het net ingegraven en keken elkaar tevreden aan: professionals indeed.
Overigens zijn de vogels waarvan we het meeste last hebben de eenden uit de sloot die langs het complex loopt. Hoe vaak we die al niet hebben betrapt op het oppeuzelen van onze jonge aanplant. Ik weet het, ze zijn ook erg nuttig. Ze eten namelijk ook slakken op, en bemesten en passant de grond. Maar voor ons zijn ze toch voornamelijk bloedirritant. Niet voor niets grappen we al jaren dat we het seizoen in november zullen afsluiten met een Thanksgiving-diner van zelfgekweekte pompoenen en gebraden eend.
Inmiddels is het seizoen in volle gang en vond enkele weken geleden de radijzenborrel plaats, steevast ons eerste moestuinfeestje van het jaar: ter plekke uit de grond getrokken radijzen, chips, nootjes, witte wijn en pizza van de Napolitaan op een kleedje in het gras. De worteltjes zijn in de groei, net als de sperziebonen, venkel, broccoli, biet, courgettes en Turkse drakenkop waarvan we over niet al te lange tijd thee hopen te zetten (en die erom bekendstaat bijen aan te trekken). Ik verheug me op het oogsten van al deze dingen, maar misschien nog wel het meest op de worteltjes. Het zaad daarvoor is me namelijk toegestuurd door een lezer en het zijn geen ordinaire worteltjes, maar een zeldzaam historisch ras genaamd Scarlet Horn.
Op deze bijzondere zestiende-eeuwse worteltjes hoop ik aan het einde van de zomer nog terug te komen, zodra ik ze heb kunnen proeven. Wat dat betreft is moestuinieren een goede oefening in zowel geduld als vertrouwen. We zaaien, we wieden, we wateren, we koesteren en we vertrouwen erop dat daar iets uit voort zal komen. En ondertussen eten we bij elke maaltijd radijsjes.
We gaan twee rauwkostsalades maken met radijs als gemene deler. Zo’n fris slaatje van knapperige groente doet het altijd goed bij een zomerse maaltijd. Het eerste leunt een beetje op de Oost-Europese keuken en bevat behalve radijs ook venkel en rabarber. Ik kan me zo voorstellen dat u er nooit aan gedacht heeft om rabarber rauw in een salade te verwerken, maar het kan heel goed en is erg lekker. Het tweede slaatje, van komkommer en radijs, past goed bij pittige Aziatische gerechten. De groenten worden voor ze in stukjes worden gesneden eerst gekneusd, wat ze niet alleen malser maakt, maar er ook voor zorgt dat ze de dressing beter absorberen.
Rabarber-venkel-radijsslaatje
Voor 2-3 personen:
Verwijder het loof en de staartjes van de radijs. Snijd de toppen en het kontje van de venkel. Trek de stugge draden van de rabarber. Schaaf elke groente op een mandoline in dunne plakjes – de rabarberstengels liefst een beetje schuin – of snijd met een scherp mes zo dun mogelijk.
Doe alles in een schaal en voeg de zure room, dille en olijfolie toe. Proef en maak de salade op smaak met zout en versgemalen peper.
Rooster de zonnebloempitten goudbruin in een droge koekenpan en strooi ze over de salade.
Slaatje van gekneusde komkommer en radijs
Leg de komkommer op een snijplank en sla erop met een koekenpan. Het is echt de bedoeling hem flink te kneuzen. Snijd de komkommer open en schraap de zaadlijsten eruit. Snijd het vruchtvlees in korte, schuine staafjes. Doe ze in een vergiet, voeg een snuf zout toe en laat ze zo 10 minuutjes staan.
Maak de radijsjes schoon, verwijder het staartje maar laat desgewenst (voor het mooi) een klein stukje van het groen zitten. Plet de radijsjes door er stevig, met de platte kant van een groot mes, op te drukken. Snijd de radijs in stukjes die net iets kleiner zijn dan de komkommerstaafjes.
Maak een dressing van de azijn, sojasaus, sesamolie en desgewenst een snuf suiker en chilivlokken.
Knijp zoveel mogelijk vocht uit de komkommer en meng er de radijs, de dressing en de koriander door. Proef of er zout bij moet, of misschien alsnog dat snufje suiker of een drup azijn. Pas zo nodig de smaken aan. Zet het slaatje liefst nog 30-60 minuten in de koelkast, zodat het lekker koud wordt en de smaken kunnen intrekken.
Rooster de sesamzaadjes goudbruin in een droge koekenpan en strooi ze over het slaatje.