Dans Met lichaam en stem, brute elegantie en gecontroleerde oerkracht belichamen twintig geweldige dansers van het Nederlands Dans Theater gevoelens van woede, verdriet en machteloosheid over het huidige oorlogsgeweld.
Dansers van het Nederlands Dans Theater in ‘Zō’ van choreograaf Ohad Naharin.
Zō van Ohad Naharin door Nederlands Dans Theater. Gezien 11/6, Amare, Den Haag. Herhalingen t/m 14/7. Info: ndt.nl
Zō is het Japanse woord voor olifant. Het is de dubbelzinnige titel van het meest recente werk van Ohad Naharin. Hoezo olifant? En doet dat er eigenlijk toe, bij een choreografie die van minuut één tot de laatste seconde waanzinnig boeiend is? Maar in het laatste deel verschijnt hij, de olifant in de kamer.
Naharin, inmiddels 73, voormalig directeur van de fameuze Batsheva Dance Company in Tel Aviv, was een van de danskunstenaars die zich in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde tot één van de kanonnen van de hedendaagse academische dans. Met zijn Gaga-techniek gaf hij dansers de instrumenten om uiterste flexibiliteit, dynamiek en improvisatievermogen in te zetten bij het vertalen van innerlijke sensaties.
Voor de dansers van het Nederlands Dans Theater is het een heerlijke uitdaging. Zij voeren Zō ‘en rond’ uit in de black box van Amare. Daarmee is het de opvolger van het al even overrompelende The Hole (beste voorstelling van 2018). Bij aanvang krijgt het publiek de bekende instructies: geen foto’s, telefoon uit, et cetera. In drie talen. In de voorstelling klinken liedjes in nog veel meer talen en naast kijken lijkt naar de ander luisteren dan ook het impliciete appèl. Luisteren, ook als je elkaar niet verstaat, naar de klank en het ritme, maar vooral naar de universele emotie.
Dansers van het Nederlands Dans Theater in ‘Zō’ van choreograaf Ohad Naharin.
Bij aanvang lopen dansers bij wijze van introductie een rondje, glimlachend, verleidelijk. Daarna gaat het los met de kenmerkende energie, de brute elegantie en gecontroleerde oerkracht van de Israëlische choreograaf. Met staccato gezang begeleiden de dansers zichzelf in een synchrone groepsdans. Diep door de knieën gaat het, soepele rompen buigen even makkelijk voor- als ver achterover, armen schieten als uitroeptekens in de lucht. Als dieren kruipen de tien dansers over de vloer, het publiek recht aankijkend, soms verzamelen ze zich in het midden waar een wirwar van verbonden lichamen ontstaat, dan weer waaieren ze uit in een folksy of martiale groepsdans of maakt een danser zich los om in een vreemde taal te zingen. Allemaal met grote urgentie, vooral de wanhoop van Surimu Fukushi, die „Wei Wei Wei” zingzegt, een lied over het onmachtige gevoel niet te kunnen ingrijpen bij misstanden, is onontkoombaar.
Los van een oproep of boodschap: het ritme in de voorstelling is werkelijk fantastisch. Met enige regelmaat dendert de tweede groep van tien dansers het speelvlak op om zich tussen de anderen te mengen of over te nemen. De meeslepende energie en harde muziek lost op in ruimtelijke klanken uit de speakers die dansers meedragen, kracht stroomt leeg in zachtheid, soms dooft het licht en zwijgt de muziek – waardoor de oren zich nog meer spitsen.
Luisteren dus. En niet wegkijken. De enorme olifant in de kamer die tegen het einde wordt opgeblazen op het nummer ‘Gimme! Gimme!’ van ABBA is echter opgesierd met bedrieglijk lieflijke, kleurige patronen. De dansers (eerder zongen ze „Wij zijn showroom dummies”) poseren er koket bij. Het is prachtig. Het is duister en cynisch. Het is nu.