Zijn voorstel om oude stadswijken niet te ‘verdunnen’, maar juist te ‘verdichten’, sloeg in als een bom. Architect Reimar von Meding, directeur bij het Rotterdamse KAW, gelooft niet in nieuwe steden, maar des te meer in de potentie van bestaande wijken.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Zijn voorstel om oude stadswijken niet te ‘verdunnen’, maar juist te ‘verdichten’, sloeg in als een bom. Architect Reimar von Meding, directeur bij het Rotterdamse KAW, gelooft niet in nieuwe steden, maar des te meer in de potentie van bestaande wijken.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Niet minder dan anderhalf miljoen woningen kunnen ‘met speels gemak’ in Nederlandse steden worden bijgebouwd, zonder dat die overvol raken, met behoud van voldoende groen en met ‘slimme oplossingen’ voor auto’s. Ga als regering niet dagdromen over nieuwe steden die in de praktijk ‘volstrekt onhaalbaar’ zullen blijken, zoals D66 tijdens de verkiezingscampagne deed (‘tien nieuwe steden’), maar richt alle inspanningen op verbetering van de naoorlogse wijken die ‘sowieso moeten worden aangepakt’. Met creatief gebruik van bestaande gebouwen, de randen van wijken en herbestemming van garageboxen zal blijken dat er ‘ruimte zat in de stad’ is.
Met die laatste woorden haalt architect Reimar von Meding de titel aan van het rapport dat hij in 2020 met een onderzoeksteam publiceerde. De berekening van destijds was dat er ‘600- tot 800 duizend woningen’ mogelijk zouden zijn, maar dat is ‘een conservatieve rekensom’ gebleken. Zijn tegenwoordige schatting van anderhalf miljoen woningen, royaal genoeg om het huidige tekort van ruim 400 duizend woningen op te heffen, spreekt hij ‘zonder blikken of blozen’ uit: ‘Ik zie je kijken: is die man gek geworden? Die reactie krijg ik vaak van mensen. Ze kunnen zich geen voorstelling maken van het adaptief vermogen van de bestaande stad.’
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
De 50-jarige Von Meding draagt zijn boodschap daarover onvermoeibaar uit in zijn functie van directeur van het middelgrote Rotterdamse architectenbureau KAW, dat dit jaar eveneens 50 jaar bestaat. De oprichters ervan, ‘linkse rakkers’ luidt zijn typering, bekommerden zich van meet af aan om ‘betaalbare woningen voor mensen die het minder breed hadden, voor daklozen en voor mensen die panden illegaal bewoonden’. Met trots vermeldt hij dat KAW ‘nooit een substantieel plan voor nieuwbouw op groene weiden heeft gemaakt’, maar ‘vrijwel uitsluitend in de bestaande stad heeft gewerkt’.
Niet gericht zijn op ‘je eigen handtekening op een gebouw’, maar bovenal op ‘maatschappelijke meerwaarde’, is niet alleen voor KAW, maar ook voor Von Meding zelf kenmerkend. Die bescheiden opstelling werd hem van jongs af aan voorgehouden in een gezin met drie kinderen in een Noord-Duits boerendorp, waar zijn ouders ‘de intellectuele buitenbeentjes’ waren. Zijn moeder was leraar, zijn vader theoloog en predikant. Hij stamde uit ‘een van de oudste, adellijke families van Duitsland’, wat geen enkele betekenis had, zo kreeg de jonge Reimar uitgelegd. ‘Mijn vader had het grootste plezier erin mij duidelijk te maken dat ik geen enkel privilege eraan kon ontlenen, omdat de adelstand in 1919 was afgeschaft. ‘Beste jongen, het is helemaal niks waard’, hield hij me vaak voor.’ Tijdens geschiedenislessen over het Derde Rijk kreeg hij op school eveneens bescheidenheid bijgebracht. ‘Mijn generatie werd extreem ingepeperd dat de nazitijd een collectieve schuld was. Tot op de dag van vandaag kan ik me niet trots op mijn land voelen, laat staan een Duitse vlag ophangen. Dat wil ik ook helemaal niet, ik voel me Europeaan.’
Na uw middelbare school moest u uw maatschappelijke dienstplicht vervullen. Hoe heeft u dat gevormd?
‘Die vervulde ik in een verzorgingstehuis. Een halfjaar lang verzorgde ik een oude man met een dwarslaesie die als enig perspectief verdere aftakeling en de dood had. Na een bevoorrechte tijd op het gymnasium was het voor mij de ontdekking van een geheel andere kant van de samenleving. Ik vond het fijn dat ik meteen van betekenis voor de maatschappij kon zijn. Werken als verzorger sloot ook goed aan bij de bescheidenheid die me van huis uit was bijgebracht.’
Hoe kwam een studie architectuur in Delft in beeld?
‘Na twee jaar hogeschool bouwkunde in Münster was ik daar uitgekeken en andere opleidingen in Duitsland kwamen nogal stoffig op me over. Ook wist ik van de Duitse architectuurwereld dat die sterk hiërarchisch was, als jonge architect zou ik de eerste jaren daarin niet mijn eigen ideeën kwijt kunnen. Op aanraden van een decaan ben ik naar Delft gereden, waar de sfeer op de campus me direct aansprak. Vooral in het oude gebouw van bouwkunde voelde ik: hier gebeurt het. Nog diezelfde dag heb ik me er als student ingeschreven. Daarbij speelde mee dat de arbeidsmarkt voor architecten in Nederland veel beter was dan in Duitsland, waar het destijds, rond 2000, economisch slecht ging. In Nederland kon ik direct aan de slag en ook nog met mijn eigen ideeën. Die van mij sloten goed aan bij de idealen van KAW.’
Hoe zou u uw ideaal omschrijven?
‘Breed gesteld vind ik het belangrijker dat we als maatschappij erop vooruitgaan dan dat bepaalde individuen rijker worden. Toegespitst op wonen betekent dat dat ik aan het woonrecht voor iedereen de hoogste waarde toeken. Een speculatieve omgang met woningen staat daarmee op gespannen voet. Daarmee doel ik dan niet op de praktijken van een groepje speculanten, maar op iedere woningbezitter die aan zijn woning geld verdient. Een huis voor twee ton kopen en voor drie ton verkopen wordt in Nederland maatschappelijk gewaardeerd, maar het is natuurlijk pure speculatie, gebakken lucht. Zo’n huis wordt niet plots zoveel méér waard, er staan niet opeens gouden muren in. Het zou eigenlijk juist minder waard moeten worden, omdat het veroudert. Maar door die speculatieve kant van de handel in huizen zijn de prijzen steeds verder gestegen, kijk maar naar hun ontwikkeling in de voorbije decennia. Het gevolg daarvan is dat woningbezit steeds elitairder wordt, er is sprake van een groeiende kloof. Voor mensen zonder vermogen wordt goed wonen steeds lastiger. Mijn ideaal is die kloof te dichten.’
Valt dat speculatieve element uit het systeem te halen?
‘Het zou veel schelen wanneer woningcorporaties weer een grotere greep op de markt krijgen. Zij zijn zo’n 120 jaar geleden opgericht om te voorkomen dat arme sloebers in de modder zouden sterven, als maatschappij wilden we dat voorkomen. De corporaties hebben lang goed gefunctioneerd door sociale woningen voor brede lagen van de bevolking te bouwen, maar het is misgegaan met hun liberalisering in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Op dat moment gaf de overheid haar regie over de volkshuisvesting uit handen. Ik ben voorstander van een grotere rol voor corporaties. Nederland zou een voorbeeld kunnen nemen aan Wenen, waar het overgrote deel van de woningen in handen van de stad is. Dat is bepaald geen armoedige stad. Wenen heeft begrepen dat je met betaalbare huisvesting een aantrekkelijk economisch klimaat kunt scheppen waar mensen op afkomen.’
U bent onderzoek gaan doen naar de potentie van de naoorlogse wijken. Wat was daarvoor de aanleiding?
‘Tussen 2000 en 2015 had je de hoogtijdagen van de wijkvernieuwing met termen als ‘krachtwijken’, ‘prachtwijken’ en ‘Vogelaarwijken’. Daarbij werd ingezet op vermenging en verdunning. Bij vermengen breng je andere doelgroepen, met name huizenkopers, naar een mindere wijk. Die gaat er dan op vooruit, althans statistisch, met hogere huizenwaarden en wellicht een lagere criminaliteit. Maar het is een lompe methode: als je in een wijk de helft van de sociale woningen vervangt door koopwoningen verdrijf je veel sociale huurders naar nog slechtere buurten, voor hen los je niets op. Sociaal deugt dat niet.
‘Bij verdunning ging het om minder woningen per wijk. Portiekwoningen met vier woonlagen vervang je bijvoorbeeld door een eengezinswoning met een tuintje. Financieel leverde dat winst op, maar de denkfout was dat stagnerende of afnemende bevolkingsgroei betekende dat er minder woningen nodig waren. Dat klopte niet, omdat er een sterke toename van huishoudens met een of twee personen was, terwijl er vooral eengezinswoningen werden neergezet. Die mismatch verklaart voor een belangrijk deel het oplopen van het woningtekort. Ik zag dat met lede ogen aan en wilde daarom onderzoeken wat de potentie voor extra woningen in de bestaande stad was – dus niet langer de wijken verdunnen, maar juist verdichten.’
Hoe werd daarop gereageerd?
‘Bij woningcorporaties sloeg het in als een bom. Voor hen zijn nieuwe woningen waarvoor ze grond moeten kopen vrijwel onbetaalbaar, omdat de grondprijzen zo hoog zijn. Onze boodschap aan hen was: gebruik je bestaande grond beter dan heb je die grondkosten helemaal niet en lukt het je wel betaalbare woningen neer te zetten. Dat was een eyeopener, ze zagen in dat hun eigen bezit veel meer potentie had dan ze tot dan toe voor mogelijk hielden.
‘Ook vroegen tientallen gemeenten me over het onderzoek te komen vertellen. Zij hebben last van een perverse prikkel: de omzetting van landbouwgrond naar bouwgrond levert hen een enorme bron van inkomsten op – de prijs gaat dan van 3 euro naar 300 euro per vierkante meter, dat verklaart hun hang naar nieuwe wijken. Maar politici met een bredere kijk zien in dat onze ideëen goed zijn voor zowel de woningvoorraad in de wijken als voor het aanpakken van sociale problemen ter plekke.’
Kunt u een concreet voorbeeld geven?
‘In Vlaardingen zijn we bezig met een project in een oude stadswijk waarbij aan de bestaande zevenhonderd sociale huurwoningen niet alleen nog eens driehonderd woningen worden toegevoegd, maar ook nog vijfduizend vierkante meter aan extra groen, onder meer door de auto’s op loopafstand aan de randen van de wijk te verzamelen. Ook maken we er op ecologisch vlak een grote, kwalitatieve sprong met de wateropvang, het is werkelijk een uniek project waar ik erg trots op ben. In de wijk komen er koopwoningen bij, maar zonder dat sociale huurders hoeven te vertrekken. We kunnen het aantal woningen vooral opvoeren door de randen van de wijk beter te gebruiken. Dat zijn vaak onveilige plekken. Door van die slechte achterkanten als het ware de voorkanten van de wijk te maken, kunnen we woningen toevoegen.’
Uw rapport dateert uit 2020. Hoeveel is sindsdien daadwerkelijk tot stand gekomen?
‘De gemiddelde tijd voor een project in de bestaande stad, vanaf het eerste besluit tot de oplevering, bedraagt tien jaar. Er zit veel in de pijplijn, maar er is nog weinig klaar. Maar daarbij moet je wel bedenken dat voor het bouwen van een nieuwe wijk twintig jaar nodig is, dus twee keer zo veel tijd. Ook daarom is het beter je voor het aanpakken van de woningnood op de bestaande stad te richten. Nieuwe steden moet je uit je hoofd zetten, iedere aandacht daarvoor is verspilde energie. In de afgelopen halve eeuw hebben we alleen Almere en Lelystad erbij gekregen; hoe denk je in het huidige tijdsgewricht, in een land waar iedere vierkante centimeter een bestemming heeft, voor een nieuwe stad ruimte te kunnen vinden? Dat D66 in de verkiezingscampagne daarmee aankwam was puur populisme.
‘Je geld kun je maar eenmaal uitgeven: doe dat dan aan verbetering van de bestaande stadswijken, waar ons land hoe dan ook een waanzinnig grote vernieuwingsopgave wacht. Ook vanuit een oogpunt van duurzaamheid is dat zoveel beter dan compleet nieuwe wijken bouwen. Er liggen zo veel kansen in de steden. Gelukkig zie ik de beweging die daarvan overtuigd is steeds sterker worden.’
Boektip: Het slimme onbewuste van Ap Dijksterhuis
‘Intuïtie is geen ‘toeval’ of ‘gokken en gissen’, maar iets wat we op basis van kennis en ervaring hebben opgebouwd en inzetten voor tal van onbewuste beslissingen. Door te wijzen op het nut ervan helpt Dijksterhuis me weg te komen van de focus op logische, risicomijdende stappen die vertragend werken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant