Hem helemaal begrijpen, dat wil je geen enkele man aandoen. En toch was er in hun veertig jaar vriendschap één moment waarop Connie Palmen Cees Nooteboom écht zag, schrijft ze.
Cees Nooteboom werd een vriend vanaf onze eerste ontmoeting eind jaren tachtig, toen we op een houten bankje voor café De Klepel in de Prinsenstraat een gesprek begonnen dat een kleine veertig jaar heeft geduurd.
Na die ontmoeting doopte hij me ‘razorblade Connie’; ik heb me duidelijk onmiddellijk van mijn beste kant laten zien.
Het was een wonderlijke ontmoeting, omdat ik voor het eerst in het echt de man sprak van wiens werk ik juist zoveel hield omdat het gaat over echt en onecht, werkelijkheid en fictie, schijn en wezen, over wat schrijven is, wat het betekent om als schrijver te leven.
In een vriendschap ben je verbonden door onzichtbare draden, die je eerder bespeurt omdat ze aan je trekken, dan dat je ze ziet.
Cees Nooteboom was een zuidelijke man. Het was niet het eerste wat in je opkwam als je hem zag: van jongs af aan op de een of andere manier al een man op leeftijd, altijd enigszins ontstemd, schijnbaar afstandelijk, niet bepaald iemand met de ‘warme, spontane hartelijkheid’ die aan ons zuiderlingen wordt toegeschreven. Misschien moet je zelf uit het Zuiden komen om te zien waar het hem in zat, en eerlijk gezegd vrees ik dat je er eigenlijk ook katholiek voor moet zijn.
Maar als je het eenmaal ziet, begrijp je waarom hij meer dan de helft van zijn leven met een Limburgse vrouw was getrouwd, hij met de Brabantse Hans gregoriaanse kerkliederen zong, en Spanje uitkoos om er te sterven.
Het meest zuidelijke aan Cees was zijn talent voor onmiddellijke vertrouwelijkheid. Hij kon maandenlang wegblijven, maar zodra we elkaar terugzagen zette hij het gesprek voort waar het de vorige keer stopte, alsof hij alleen maar even de deur uit was geweest om een krant te kopen.
Die vertrouwdheid verried zijn enorme talent voor vriendschap en intimiteit, een talent dat, zoals alle talenten, groeide op een composthoop van tekortkomingen en gebreken, een berg waarvan iedereen die hem kent vermoedt dat die best hoog was.
Ik denk dat Cees zijn charme en het ogenschijnlijk gemak in de omgang met anderen moest ontwikkelen omdat hij, die een voorbijganger leek, in het diepst van zijn wezen een blijver was, trouw, toegewijd, standvastig in de liefde en in de vriendschap.
Er is een moment geweest waarop ik meende hem helemaal te begrijpen. Dat wil je geen enkele man aandoen, zeker niet een man die schreef dat we onze geheimen zijn en ze meenemen naar waar niemand erbij kan, dus ik heb het altijd voor mezelf gehouden.
Het gebeurde toen ik in De zucht naar het Westen zijn verhaal over New York las, dat hij daar de stad van het verdwijnen doopt. Hij vliegt er vanuit Parijs naartoe in een tijd dat je nog mocht roken in het vliegtuig, struint na aankomst door de overbevolkte metropool; de straten kolken van de mensen, een drukke meltingpot van culturen en volkeren.
En dan, opeens, uit het niets, duikt die passage op, schrijft hij over iets wat alleen daar in New York kan, iets wat hij het geheime doel van alle reizen noemt, de reden van al dat om de wereld gaan, van verre landen en steden aandoen, altijd weer een koffer pakken en weggaan van waar hij was.
Het geheime doel, schrijft hij, is eenwording. Eenwording met vreemden, opgaan in de menigte, erin verdwijnen, niemand worden. ‘Samen, met zijn allen, zijn we de menigte, en als menigte ondeelbaar. Niemand ontneemt mij, in deze jagende, overbevolkte straten, mijn status van menigte. Niemand sluit mij uit. Ik ben dus gelukkig.’
Dat dus.
Schrijnende waarheden verschuilen zich altijd in achteloos gemaakte opmerkingen, onopvallende bijzinnen, slinkse samenstellingen, ze zijn een noodzakelijke camouflage van de ziel om een wond te bedekken die nooit helemaal is geheeld.
‘Niemand sluit mij uit. Ik ben dus gelukkig.’
Hij heeft het woordje dus, waarin hij de pijn van de causaliteit opborg, schuingedrukt geschreven.
Om het dus te begrijpen, kan ik alleen maar terug naar het begin, naar de bron van alle geluk en ongeluk, naar de geboorte van de reiziger, van de schrijver, naar zijn voorbije passages. In de eerste zeven jaar verhuizen zijn ouders zeven keer en op zijn 10de pakt zijn vader de koffers om er met het dienstmeisje vandoor te gaan. Vanaf dat moment woont hij nu eens bij de ene en dan bij de andere ouder, totdat aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn vader wordt gedood bij het bombardement op het Bezuidenhout.
Hij is dan 11.
Ook na de oorlog wordt hij heen en weer geschoven, brengen ze hem nu eens hier, dan eens daar onder. Op alle scholen sturen ze hem weg, een lastpak, totdat zijn stiefvader zich definitief van hem afmaakt en hem naar een kostschool in het Zuiden stuurt, eerst bij de franciscanen in Venray, later bij de augustijnen in Eindhoven. Op zijn 14de is hij vaderloos en nergens thuis.
‘Soms vraag ik me weleens af of ik er vroeger wel geweest ben’, schrijft Cees.
‘Niemand sluit mij uit. Ik ben dus gelukkig.’
Ik begreep opeens ook zijn overgevoeligheid als het om de ontvangst van zijn werk in Nederland ging, in zijn vaderland, in zijn moedertaal. Ik ben bang dat er niet genoeg prijzen hadden bestaan om bij hem het gevoel weg te nemen dat hij in zijn eigen land buitengesloten werd, er niet bij hoorde.
Er bestaan twee foto’s waarop drie schrijvers in hun zwembroek op een strand in Ibiza staan, twintigers zijn het, waarvan er twee in elk geval kunnen doen alsof ze zelfverzekerd en baldadig zijn.
Op de ene staan ze boven elkaar, op de andere naast elkaar. Om die laatste foto gaat het mij. Helemaal op rechts zien we de verrukkelijk vlezige, gargantueske Hugo Claus die zijn spierballen toont; in het goddelijke midden bevindt zich de overmatig gebruinde, zijn schoonheid ironiserende Harry Mulisch, en dan, naast hem, op links, Cees Nooteboom, de kleinste van de drie, broodmager, melkbleek, een vroegoude jongen die de armen om zichzelf heen heeft geslagen, om zijn schriele tors te verbergen of omdat hij het gewend is zich aan zichzelf vast te klampen.
Niemand heeft de literatuur met eenzamere mannen bevolkt dan Cees Nooteboom.
Wij katholieken leven in de gemeenschap van de levenden en de doden, wij zetten niet in op een leven na de dood, daar verwachten we niet veel van. De hemel is op aarde, of zoals Cees in Philip en de anderen schrijft: ‘De wereld: er ligt een paradijs tegen aan.’
Cees had het vermogen om dat paradijs te zien, in een boom, een cactus, een schilderij, in een vrouw, in een vriend, en om in dat paradijs te leven, waar dan ook op de wereld, als het maar met zijn vrouw Simone was. Hij was op een haast kinderachtige manier echt. Ik was vaak getuige van zijn onbesuisde authenticiteit, zijn onvermogen of weigering ergernissen en ongeduld te verbergen, gekwetstheid te verhullen, maar veel vaker stortte ik huilend van de lach ter aarde.
Ik ben dankbaar en blij in hetzelfde paradijs geboren te zijn als dat waarin hij leefde, waarin ik op onze etentjes, feesten, kerstavonden mocht genieten van zijn geestige, onderhoudende gezelschap, van zijn gulle vriendschap, van zijn talent voor intimiteit.
Hij antwoordde ooit op vraag hoe hij zou willen sterven met de laatste zin van André Malraux: ‘Ik wist niet dat het zo gemakkelijk was.’
Dag dan maar, lieve Cees. Je was een geweldige vriend. Ik hoop dat het voor jou gemakkelijker was om te gaan, dan het voor mij is om je te laten gaan.
De nieuwe roman van Connie Palmen heet Johnny Walker en verschijnt op 1 september.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant