Home

Een afdaling in de hel van Nederland, waar zelfs de ziel handelswaar blijkt te zijn

Poëzie Lieke Marsman laat in De dichter en de duivel in een virtuoze compositie verschillende zienswijzen met bijbehorende talen botsen. De vraag hoe taal zelf macht organiseert is een constante in de bundel. Hopelijk zal haar overrompelende poëzie nog lang van invloed zijn.

Ik maak een treinreis van Eindhoven naar Den Helder, terwijl ik afdaal in de ringen van de hel onder Nederland zoals beschreven door Lieke Marsman in De dichter en de duivel. Ik wil iedereen vertellen dat ze deze urgente en overrompelende bundel moeten lezen. Maar wie zou me horen? Zelfs in de stiltecoupé zondert men zich af, gewapend met scherm en oortjes, in de eigen bubbel.

Lieke Marsman: De dichter en de duivel. Pluim, 119 blz. € 24,99

Lieke Marsman (1990-2026), dichter en filosoof, doet er in De dichter en de duivel alles aan om door te dringen tot van elkaar gescheiden bubbels of werelden die vaak een eigen taal kennen. In tegenstelling tot een „ongeneeslijk zieke” wereld die ze beschrijft, zijn de gedichten springlevend. Raak, bijtend grappig, geestrijk en fijnzinnig.

De gedichten waar ik me in afzonder, bieden een achtergrond bij het landschap waar ik doorheen dender. Doodse industrieterreinen met showrooms rijgen zich aan elkaar, af en toe onderbroken door een weiland met advertenties op elektronische billboards. Zelfs het plakkerige tafeltje waar ik de bundel op leg, past bij het van kapitalisme vermoeide Nederland dat Marsman in haar bundel schetst: iedereen weet dat treinen niet meer worden schoongemaakt sinds er op elk kaartje winst moet worden gemaakt.

Net als Dante in De goddelijke komedie beschrijft Marsman in De dichter en de duivel een tocht door het hiernamaals. Ze wordt begeleid door kopstukken uit de politiek, om tenslotte de duivel te ontmoeten. In dit ‘Onder-Nederland’, toegankelijk vanuit de „riante berging van mijn charmante en slim ingedeelde woning” wordt gehandeld met de waarde van de ziel. Wil je niet overal om je heen advertenties zien? Dan kun je een pakket afsluiten bij SoulSearcher, een monetair systeem dat handelt met de waarde van de ziel.

De op winst beluste wereld die hier wordt beschreven, is een uitvergroting van de wereld waarin we leven – een slim spel dat Marsman speelt, waarmee ze onze samenleving een spiegel voorhoudt. Wanneer ze, na afscheid te hebben genomen van de duivel, via een put weer de ‘echte’ wereld inkruipt – waar inmiddels Amerika Nederland is binnengevallen – ga je als lezer bijna terugverlangen naar de hel waarin Marsmans eerste metgezel niet Vergilius is, maar Dick Schoof. Zelfs het hiernamaals is niet meer wat het geweest is.

Schoof legt opgewekt uit hoe in de eerste binnenring van wat Onder-Nederland wordt genoemd alter ego’s moeten boeten voor alles wat het daglicht niet verdragen kan. „Ooit hield ik hier kantoor,/ de veiligheidsdiensten heersten toen over dit gebied./ Nu bestieren robottrainees het datacenter/ dat ons doen en laten registreert, analyseert.”

Twee door AI bestuurde androïdes lichten toe dat er voor zonden moet worden betaald met een currency die gebaseerd is op de waarde van de ziel. Een bot die dwingend naar een whiteboard wijst, legt uit wat de huisregels zijn:

Mensen, welke het woord ‘welke’op deze wijze gebruiken om intelligentof professioneel over te komenzijn psychopaten, echter geldt dit ookvoor mensen die het woord ‘echter’ gebruikenom hun domheid te verhullen.

Het zou kunnen dat de regelgevers gevoel voor humor hebben, maar waarschijnlijker is dat hier wordt aangegeven dat zij zich boven hun eigen wetten plaatsen.

De omgeving bestaat uit een spiegelpaleis met duizenden projecties van mensen die elkaar, als op Facebook en Instagram, breed lachend valse complimenten maken en doen alsof hun leven geweldig is.

In het tweede deel van de bundel, die in totaal uit zeven delen bestaat, ontmoet de dichter een influencer die Marsman vraagt naar wat zij zoal doet. Nadat duidelijk wordt dat de influencer en zij in hun eigen register langs elkaar heen praten, laat Marsman zich in een indrukwekkend fragment ontvallen wat poëzie voor haar betekent: „Poëzie is het maken van keuzes. Onder elk woord dat het papier haalt zie je die keuzes doorschemeren, in goede poëzie althans, en zo krijgen zelfs de simpelste gedichten de gelaagdheid die ervoor zorgt dat je een dag lang op één gedicht kan kauwen, niet omdat je probeert die keuzes te achterhalen, maar omdat je de geestelijke kracht voelt die nodig is voor het maken van zoveel keuzes in het tijdsbestek van een regel of negen…’ – waarop de influencer reageert met: „Wacht, ben jij niet die ongeneeslijk zieke dichter?”

Interessant is dat Marsman weinig afstand laat bestaan tussen haarzelf en haar lyrisch ik. „Eh… daar heb ik het liever niet meer over.”

De spanning tussen onverenigbare stemmen wordt in het vervolg van de bundel verder opgevoerd. Marsman heeft een virtuoze compositie gemaakt waarin verschillende zienswijzen met bijbehorende talen botsen. Een passend en absurdistisch aandoend strijdtoneel hiervoor is de boksring die wordt geïntroduceerd. In de eerste ronde wordt gevochten over de hypotheekrenteaftrek. In de tweede staat de dichter in de ring tegenover drie vrouwen (Annabel, Eva en Lidewij) met wie ze van mening verschilt over hoe om te gaan met de vrijheid van meningsuiting.

„Ik hoorde Annabel de Holocaust belachelijk maken. Daarna zei ze dat ik een Hamas-propagandist was omdat ik had meegelopen in een Rode Lijn-demonstratie. ‘Moraalridders, die was Hitler even vergeten in die mooie ovens van ’m’.”

Dichterlijke overdrijving? Nee. Bij die laatste uitspraak staat in de bronvermelding: „Verwijderde tweet van @ANanninga” – huidig Tweede-Kamerlid voor JA21.

Na het incasseren van een trap in de voortplantingsorganen, stamelt Marsman: „De Verenigde Naties hebben keer op keer vastgesteld dat Israël oorlogsmisdaden pleegt, mag je dat eigenlijk nog zeggen?”

De boksring is een metafoor voor de ruwe omgangsvormen die te zien zijn in de Tweede Kamer en op sociale media, maar het gevecht dat Marsman er levert kan ook gelezen worden als oproep om in ieder geval met elkaar in gesprek te blijven. Al moet het in de boksring en al doet het pijn, riskeer een gesprek!

„Hamas is een terroristische organisatie”, vervolgt Marsman spottend, „niemand die betwijfelt of je dat mag zeggen.” En dan deelt ze rake klappen uit: „Israëlische soldaten hebben vluchtelingenkampen gebombardeerd en kinderen geëxecuteerd. Ze hebben hulpverleners door het hoofd geschoten en met ambulance en al in een massagraf gegooid. Ze hebben miljoenen Palestijnen verdreven, uitgehongerd en gemarteld, dat mag je dan toch ook gewoon zeggen?”

Na het antwoord „En als je dat gewoon mag zeggen, wie luistert er dan?”, die nagalmt als een kopstoot, valt Marsman „knock-out op de kille grond”.

De vraag hoe taal zelf macht organiseert is een constante in de bundel. Marsman neemt de lezer daarin mee, in uiteenlopende ontmoetingen met figuren die hedendaagse macht en machtswellust vertegenwoordigen. Hun taal is niet onmiddellijk kwaadaardig of duivels. Juist daarom is ze zo gevaarlijk. Ze klinkt redelijk, efficiënt en professioneel, bijvoorbeeld uit de mond van Gerrit Zalm met wie Marsman in de vierde ring van Onder-Nederland in gesprek gaat over de privatisering van basisvoorzieningen die hij in gang zette.

‘Wat vindt u,’ vroeg ik voorzichtig, ‘van de ongelijkheiddie de laatste decennia zo is toegenomenals gevolg van het feit dat belasting op vermogen

persistent laag is gehouden en alle publieke voorzieningenaan de markt zijn toevertrouwd, waardoor erin één klap tientallen bedrijven bij kwamen

die winst moesten maken terwijl ze toegang kregentot de vitale infrastructuur van ons landwaar nogal wat mensen afhankelijk van waren?’

Zalm antwoordt geoefend: „Dat is een hele brede vraag”. En: „Ik kijk er wel met plezier op terug.” Hij verontschuldigt zich nergens voor en benadrukt dat het allemaal zo slecht nog niet kan zijn, de post wordt immers nog altijd bezorgd. Maar overal waar deze positieve, ontwijkende taal klinkt – waar ook het kabinet-Jetten in uitblinkt – dreigt de ziel, of het bezielde, het onderspit te delven. In het vijfde deel van de bundel komen we dicht in de buurt van waar deze schijntaal zijn oorsprong heeft, wanneer Marsman, wadend door de mist, stuit op een eilandje met op een groot eikenhouten bureau een printer. Op een morsig bordje, vastgeklemd tussen twee rotsen, is te lezen:

DIT IS AL SINDS 1995DE PLEK WAAR BIJNA ALLE POLITICI,LINKS EN RECHTS, HUN TEKSTENLATEN SCHRIJVEN.HET IS HET RESULTAATVAN EEN VAN DE VROEGEREAANBESTEDINGSPROCEDURES,DIE WERD GEWONNENDOOR EEN BEDRIJF DAT DE SPININ HET WEB VAN EEN AANTALONDUIDELIJKE N.V.’S BLEEK.WAARDOOR WE NIET PRECIESWETEN WAAR DE TEKSTEN VANDAANKOMEN, MAAR ZE KOMEN,AL DERTIG JAAR ONAFGEBROKEN.

De uitleg die geen verklaring biedt, geeft treffend weer hoe ver taal kan afdrijven van wat ze beschrijft, om een eigen werkelijkheid te vormen in de mist.

Marsman laat met de bundel als geheel zien dat ze verschillende registers niet alleen spitsvondig weet weer te geven, maar bovendien kan terugvechten met een tegenstem. Door zich te richten op wat mensen uitkramen keert ze zich tegen politici die motiverende managers zijn geworden, tegen makelaars die woningen omschrijven als een plek voor self-improvement. Tegen influencers die ieder aspect van het bestaan omvormen tot een merk. Tegen chatbots die empathie simuleren. Tegen beleidsmakers die mensen zien als dossiers, gevallen en doelgroepen.

De dichter en de duivel vormt uiteindelijk een krachtig pleidooi om op zoek te blijven naar integriteit met een taal die, dwars tegen alle vercommercialisering en invloeden van kunstmatige intelligentie in, uitdrukking geeft aan menselijke waarde. Marsman doet dat zelf ruimschoots, met haar overrompelende poëzie, die hopelijk nog lang van invloed zal zijn op het Boven-Nederland waarin we vooralsnog leven.

Aan het slot van bundel klinkt het ouderwetse luchtalarm. „Gewoon die donkere loei, die klank/ van een eerste aanzet tot paniek/ in je onderbuik. Het systeem achter het NL-alert/ was verkocht aan de Amerikanen/ en derhalve onbruikbaar.” Wanneer je gevangen zit in een schuilkelder, suggereert Marsman, is het enige wat ons nog rest het reciteren van gedichten:

Ik had voor dit moment geoefend.Ik kende veel gedichten uit het hoofd.

En ik zong: […]

soms is de grond gewoon de gronddie aardlaag waar de doden in verdwijnenen haal je adem maar het zand komt tot je mond

nog een keer over bakboord op gesmolten poolijser sterven dichters en consultants aan het frontgeef me je hand, ik tel de onderbroken levenslijnen

we wisten het niet, dat er veel meer dan dit bestondeen wanordelijk gespeld maar helder prachtig paradijsal die kanaries, al die kolenmijnen

Marsman laat horen dat poëzie, misschien wel juist in een ongeneeslijk zieke wereld, een vaste menselijke waarde heeft. Opvallend is daarbij de rol van rijm, het oude instrument van de dichter, dat in deze bundel alleen optreedt als we de stem horen van de terugvechtende dichter, als om aan te geven dat de kracht van de dichterlijke stem een lange, onuitroeibare geschiedenis heeft.

In het licht van het overlijden van Lieke Marsman is het aangrijpend dat er aan het slot een „helder prachtig paradijs” wordt genoemd, dat ergens moet bestaan, zonder dat duidelijk wordt of we deze hemel op de uitgeputte aarde moeten zoeken, met „al die kanaries, al de kolenmijnen”, of juist in het hiernamaals. Marsman laat ons niet achter met antwoorden, maar met indrukwekkende poëzie. We leven in een hel op aarde. Maar misschien is dit wel het paradijs.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next