‘Werk dat door de oorlog is geblokkeerd’, staat er bij de lege vitrines van de tentoonstelling Byblos in Parijs. De expositie gewijd aan de mythische Libanese havenstad vangt zowel de grootsheid als de kwetsbaarheid van die beschaving.
is correspondent Frankrijk van de Volkskrant. Ze woont in Parijs.
Midden in Parijs klinkt het ruisen van de zee en raast de wind door cederbomen. Aan de horizon ligt de oude haven van Byblos, aan onze voeten een kerkhof van grote stenen ankers, alsof we op de bodem van de zee staan. De expositie Byblos, cité millénaire du Liban in het Parijse Institut du monde arabe (IMA) dompelt de bezoeker van meet af aan onder in de mythische wereld van wat kenners de oudste havenstad ter wereld noemen.
Die entree tussen de tientallen stijlvol opgestelde ankers uit de Bronstijd ontroert; de grootsheid en kwetsbaarheid van een beschaving in één museumzaal gevangen. Een bordje bij de ingang kondigt aan dat sommige vitrines leeg zijn gebleven: ‘Vanwege het Israëlische offensief in Libanon konden sommige werken niet naar Frankrijk worden gehaald.’ De expositie is opgedragen aan de Libanese bevolking, ‘het eerste slachtoffer van dit conflict’.
Die politieke dimensie was aanvankelijk niet de bedoeling, vertelt Agnès Carayon, die als curator voor het IMA bij de expositie betrokken is en een rondleiding geeft. Maar de werkelijkheid haalde hen tijdens de voorbereiding in. ‘Libanees cultureel erfgoed staat door aanhoudend conflict onder druk.’
In de bronstijd (grofweg 3.000 tot 1.200 voor Christus) groeide het vissersstadje Byblos uit tot een van de belangrijkste havens van de Levant, strategisch gelegen tussen Egypte, Mesopotamië en Anatolië. De tentoonstelling in Parijs richt zich voornamelijk op die bloeitijd van Byblos, dat inmiddels op de Unesco Werelderfgoedlijst staat.
Cruciaal voor de glorie van Byblos waren de cederbossen, waarvan de bomen door de Egyptenaren vanuit Libanon werden verscheept voor de constructie van piramides. Sommige farao’s kregen een houten zonneschip mee in het grafmonument, om na de dood naar het hiernamaals te kunnen reizen en zich bij zonnegod Ra te voegen. Naast de serie stenen ankers in de openingszaal staat een schaalmodel van zo’n schip, dat werd gevonden in de piramide van Cheops. In het echt is het ruim 43 meter lang en volledig opgetrokken uit Libanees cederhout.
In ruil voor het hout brachten de Egyptenaren pracht en praal naar Byblos, getuige de schitterende gouden sieraden die in de koninklijke graftombes werden gevonden. Soms rechtstreeks uit Egypte, soms lokaal geproduceerd naar Egyptische stijlregels – met afbeeldingen van valk en farao. De gouden borstsieraden en halskettingen doen ook vandaag nog modern aan. De juwelen staan achter extra beveiligd glas opgesteld, een aanpassing na de krankzinnige juwelenroof uit het Louvre in oktober vorig jaar.
Behalve een handelsknooppunt was Byblos ook een spiritueel belangrijke plek, vertelt Carayon. ‘Er stonden minstens zeven tempels, zoals voor de godin Ba’alat Gubla, die ook wel ‘de Dame van Byblos’ wordt genoemd. Ook de Egyptenaren stuurden talloze offerandes aan haar.’
Een deel ervan staat in de vitrines uitgestald: tientallen miniatuursoldaatjes met punthoeden, wapens en kleine gouden diertjes als nijlpaarden en scarabeeën. ‘Steeds als de tempel vol raakte, werden de schatten onder de grond bewaard om ruimte voor nieuwe offers te maken. Je kunt je voorstellen wat een goudmijn er is gevonden.’
‘Deze expositie is een vorm van cultureel verzet’, zei Tania Zaven, directeur van het archeologisch terrein van Byblos, eind maart bij de opening. Ook president Macron was daarbij aanwezig, als steunbetuiging aan een bevriend land dat onder vuur ligt.
De bijzondere band tussen Frankrijk en Libanon – dat na het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk Frans mandaatgebied werd – komt heel direct tot uiting in de expositie. Een van de hoogtepunten is een collectie vondsten uit de necropolis van Byblos, die in 2019 door een team van Libanese archeologen en experts van het Louvre werd ontdekt. De talloze vazen, sieraden en tombes die ze daar vonden, waren vierduizend jaar onaangetast gebleven.
‘Ook in het hiernamaals moest goed worden gegeten’, zegt curator Carayon. Ze wijst op een vitrine vol keramiek uit de necropolis: een soort tajineschaal, oliekruiken, een stenen handmolen. ‘Alles om daar te kunnen koken.’ Op de muren rondom toont een videoprojectie het werk van archeologen bij de ontdekking van de necropolis, die zorgvuldig met kwastjes eeuwenoude herinneringen schoonpoetsen. De getoonde kannen en kruiken verkeren in indrukwekkend piekfijne staat.
Aanvankelijk stond de tentoonstelling gepland voor 2024, vertelt Carayon, maar dat liep vertraging op door het oplaaiende conflict dat het transport van waardevolle objecten onmiddellijk raakt, met onstabiele routes en hoge verzekeringskosten. Sommige objecten werden buiten de tentoonstelling gehouden omdat ze te waardevol werden geacht om het risico van verplaatsing te nemen.
Andere vitrines bleven leeg door het noodlot, vertelt Carayon. ‘Er waren drie vluchten gepland om alles naar Parijs te brengen. De eerste twee vliegtuigen kwamen probleemloos aan. Het derde zou op maandagochtend vertrekken. Maar toen braken zaterdag nieuwe bombardementen los en werd de vlucht geannuleerd.’
De expositie is tot 23 augustus te zien in Parijs. De vraag die zich opdringt aan het einde van de reis door de tijd: kunnen de schatten nadien weer terug naar Libanon? Curator Carayon durft het niet te zeggen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant