Links Waar sociaal-democraten eind vorige eeuw met succes toenadering zochten tot een liberaler en kosmopolitischer electoraat, moet PRO nu juist het tegenovergestelde voor elkaar krijgen, betoogt politicoloog Matthijs Rooduijn.
Na 80 jaar PvdA verdwijnt de rode roos en gaat GroenLinks/PvdA verder als Progressief Nederland (PRO).
Na jaren voorbereiding gaan PvdA en GroenLinks vanaf zaterdag 13 juni dan eindelijk definitief samen verder. De hoop is dat PRO de krachten van haar voorgangers weet te bundelen in een nieuwe volksbeweging die het optimisme terugbrengt in de samenleving – althans, zo staat het in het ‘Progressief Pleidooi‘ van de partij.
Matthijs Rooduijn is politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam.
PvdA en GroenLinks zijn zelf fusiepartijen. De geschiedenis leert dat ook als oude partij-identiteiten wegebben, de onderliggende ideologische bloedgroepen blijven voortbestaan. Fusiegeschiedenissen leren ons bovendien dat zowel de ontwikkeling van die bloedgroepen als de manier waarop ermee wordt omgegaan van grote invloed is op het lot van de uiteindelijke fusiepartij – zelfs decennia na het samengaan.
Sociaal-democratische partijen zoals de PvdA ontstonden na de oorlog als vertegenwoordigers van de geïndustrialiseerde arbeidersklasse. Dat was destijds een behoorlijk grote groep, maar niet groot genoeg om een echte brede volkspartij te vormen. Door hun standpunten enigszins te matigen en te koppelen aan een sociaal-cultureel progressief geluid, wisten ze hun aantrekkingskracht uit te breiden naar andere groepen; met name naar de groeiende groep werknemers in de publieke sector.
Het sluiten van deze ‘electorale coalitie‘ tussen arbeiders en professionals bleek een gouden formule. In veel landen boekten sociaal-democraten in de jaren zeventig grote verkiezingsoverwinningen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1977 behaalde de PvdA onder Joop den Uyl meer dan een derde van de stemmen – de beste landelijke uitslag van de partij ooit.
Decennialang werkte die formule. Totdat het volledig misging. In Nederland verloor de PvdA in 2017 driekwart van haar Tweede Kamerzetels (van 38 naar 9).
Waarom? Daar zijn allerlei verschillende verklaringen voor, maar de grote verliezen zijn vooral te herleiden tot het uiteenvallen van de ooit zo succesvolle electorale coalitie. De industriële arbeidersklasse was in de jaren negentig flink gekrompen en de sociaal-democraten kwamen steeds meer klem te zitten tussen twee uit elkaar groeiende groepen.
Verschillende sociaal-democratische leiders probeerden deze penibele situatie het hoofd te bieden met de ‘Derde Weg’ tussen socialisme en kapitalisme. Maar na een aantal korte-termijnsuccessen (met Kok in Nederland, Blair in het Verenigd Koninkrijk, en Schröder in Duitsland), lijkt het erop dat veel kiezers deze nieuwe koers vooral zagen als neoliberalisme in een héél lichtrood jasje.
Daar kwam nog bij dat juist de thema’s waarover de verschillende achterbannen van de sociaal-democraten van mening verschilden steeds centraler kwamen te staan in het publieke debat. Denk daarbij aan immigratie en Europese eenwording. Het resultaat is dat de voormalige achterban van de PvdA alle kanten op is gestoven. Het deel dat overbleef kan worden omschreven als een ‘geGroenLinksificeerd‘ electoraat: universitair geschoold, progressief op medisch-ethische thema’s, positief over immigratie en Europese eenwording, bezorgd over klimaatverandering en met relatief veel vertrouwen in de politiek. Met de fusie heeft dit proces zich verder doorgezet.
Als PRO zich wil ontwikkelen tot een nieuwe volksbeweging, zal ze deze kernachterban moeten uitbreiden met andere groepen kiezers. Maar om daar op de langere termijn succesvol in te zijn zal de partij drie uitdagingen het hoofd moeten bieden.
De eerste uitdaging heeft te maken met die samenstelling van de eigen achterban. De nieuwe partij heeft een kernachterban die bestaat uit een specifieke groep progressieve en kosmopolitisch ingestelde kiezers. Conservatievere en nationalistischere kiezers, of kiezers die zich meer thuis voelen bij partijen met een neoliberale koers, zijn inmiddels vertrokken. Of overleden. PRO zal er alles aan moeten doen de overgebleven groep kiezers niet te verliezen.
Een tweede uitdaging is dat het stemgedrag van Nederlanders fundamenteel is veranderd. De meeste kiezers zijn niet langer trouw aan één enkele partij, maar wisselen tussen verschillende partijen. Het resultaat is een gefragmenteerd en voortdurend bewegend partijenlandschap waarin partijen snel kunnen pieken, maar uiteindelijk ook weer diep kunnen (en zullen) dalen. Dat maakt het veel moeilijker om duurzaam een brede electorale coalitie op te bouwen. Dat geldt ook voor PRO. De partij zal zich moeten realiseren dat de structurele populariteit die de PvdA in de jaren zeventig genoot definitief tot het verleden behoort.
Daar komt een derde ontwikkeling bij. De term ‘links’ staat steeds sterker onder druk. Onder invloed van radicaal- en extreemrechtse bewegingen is het beeld ontstaan dat linkse partijen niet langer behoren tot het politieke midden, maar onderdeel zijn van een radicale flank. De afgelopen jaren is dit geluid steeds krachtiger geworden.
Ook rechtse middenpartijen nemen dit frame over. VVD-leider Dilan Yesilgöz schetst bijvoorbeeld een beeld waarin PRO op links minstens even radicaal is als de PVV op rechts.
Dit frame van links is misleidend en gevaarlijk, omdat het partijen als PRO presenteert als het linkse spiegelbeeld van partijen die fundamentele onderdelen van de liberale democratie ter discussie stellen. Maar het is wél een effectief frame. Links heeft een serieus imagoprobleem, wat het moeilijk maakt om grote groepen kiezers te mobiliseren. Linkse partijen concurreren niet alleen om stemmen, maar ook om de betekenis van begrippen als links en radicaal.
Wat kan PRO nu doen om deze uitdagingen het hoofd te bieden?
Om te beginnen moet de partij accepteren dat de zogenoemde GroenLinksificatie niet tijdelijk is, maar een structurele ontwikkeling. De huidige achterban van PRO hecht sterk aan thema’s als klimaatverandering, diversiteit, internationale solidariteit en Europese samenwerking. Dit is de kernachterban. Als PRO deze groep kiezers van zich vervreemdt slaat ze het fundament onder de partij weg.
Tegelijkertijd lijkt het onwaarschijnlijk dat een partij die uitsluitend op deze groep steunt kan uitgroeien tot de brede volksbeweging die ze zegt te willen zijn. Groei vereist het aanspreken van kiezers buiten de bestaande kern. Het succes van sociaaldemocratische partijen in de twintigste eeuw berustte voor een belangrijk deel op hun vermogen verschillende groepen kiezers met elkaar te verbinden.
De klassieke electorale formule bestond uit een kern van arbeiders die werd aangevuld met progressievere kiezers uit de publieke sector en de middenklasse. De vraag is of dat andersom ook mogelijk is. Een nieuwe electorale coalitie lijkt juist te moeten beginnen bij een progressieve, universitair geschoolde kern die vervolgens verbinding weet te maken met andere groepen kiezers: links in de zin dat ze sociaal-economische herverdeling steunen, maar minder gericht op progressieve en kosmopolitische waarden.
Dat is moeilijk, maar zeker niet onmogelijk. Uit onderzoek blijkt dat met name sociaal-economische thema’s linkse kiezers kunnen binden. Zorgen over betaalbaar wonen, de toegankelijkheid van de zorg, bestaanszekerheid en economische ongelijkheid worden veel breder gedeeld. Juist daar ligt de kracht van de sociaal-democratie: het vermogen om uiteenlopende groepen rond een gedeeld idee van sociale rechtvaardigheid te verenigen. De politieke boodschap die beide groepen bij elkaar kan brengen is dan ook een sociaal-economisch linkse boodschap.
Dat roept de vraag op hoe PRO zich moet verhouden tot het begrip links zelf. Opvallend genoeg lijkt de nieuwe partij het woord eerder te vermijden dan te omarmen. De keuze voor de naam Progressief Nederland past in die strategie. Ook in het eerder genoemde Progressief Pleidooi komt het woord slechts één keer voor. Dat is misschien begrijpelijk gezien de steeds negatievere lading van het begrip links, maar is het ook verstandig?
Dat valt te bezien. Het is gevaarlijk om de term die bij uitstek geschikt kan zijn om als bindmiddel te fungeren, bij het grofvuil te zetten. Bovendien zou het betekenen dat PRO zich laat gijzelen door een (uiterst) rechts frame. Een vruchtbaarder alternatief is om zelf in te vullen wat links betekent. Geen ideologisch label, maar een verhaal over zaken die voor veel mensen direct herkenbaar zijn. Denk aan bestaanszekerheid, bescherming tegen marktkrachten en krachten die de natuur kapot maken, betaalbaar wonen en toegankelijke zorg.
Kiezers zijn emotionele wezens die zelden overtuigd worden door feiten alleen. Mensen begrijpen politiek doorgaans door middel van aansprekende verhalen. Onderzoek laat zien dat feiten overtuigender worden wanneer zij onderdeel zijn van een herkenbaar verhaal. Niet feiten in plaats van verhalen dus, maar feiten in verhalen.
Verhalen over bestaanszekerheid, wonen, zorg, werk of natuur zijn niet alleen beleidsmatige kwesties. Het zijn ook manieren waarop abstracte waarden als solidariteit, rechtvaardigheid en duurzaamheid betekenis krijgen in het dagelijks leven van mensen. Een verhaal over een jong gezin dat geen woning kan vinden. Over iemand die maanden op zorg wacht. Over een werknemer die ondanks een voltijdbaan nauwelijks rondkomt. Juist via zulke verhalen krijgen politieke idealen concrete betekenis.
Politieke partijen slagen er zelden in uiteenlopende groepen kiezers bijeen te houden met alleen statistieken, beleidsnota’s, beginselprogramma’s en abstracte ideologische discussies. Voor PRO ligt precies daar de uitdaging. Niet in de fusie zelf, maar in de vraag of de partij erin slaagt verhalen te ontwikkelen waarin verschillende groepen kiezers zich herkennen. Pas dan kan zij uitgroeien tot meer dan de optelsom van GroenLinks en PvdA.