Onderwijs Vrijstelling krijgen van de leerplicht vanwege religieuze of levensbeschouwelijke bezwaren wordt lastiger. Is openbaar onderwijs in de buurt beschikbaar? Dan kunnen ouders in principe geen aanspraak maken op vrijstelling, zo staat in een handreiking voor gemeenten.
Een leerplichtambtenaar aan het werk in Rotterdam.
Gemeenten moeten aanvragen van ouders die vrijstelling van de leerplicht willen voor hun kinderen – vanwege religieuze of levensbeschouwelijke bezwaren tegen het onderwijs op scholen – strenger beoordelen. Dat stellen de branchevereniging voor leerplichtambtenaren, Ingrado, en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in een handreiking die donderdag is uitgebracht.
Indien binnen zes kilometer van het ouderlijk huis openbaar basisonderwijs beschikbaar is – of twintig in het geval van voortgezet onderwijs – ligt zo’n vrijstelling „niet voor de hand”, schrijven ze. Voor kinderen die al langer thuis zitten, kan een overgangsperiode van een jaar worden afgesproken. In die tijd moet wel een „individueel plan van aanpak” worden gemaakt, waarin „actief wordt toegewerkt naar onderwijsdeelname”.
De handreiking is gemaakt omdat de Hoge Raad in april een uitspraak deed die volgens Ingrado en de VNG meer duidelijkheid geeft over hoe vrijstellingsaanvragen te toetsen. Volgens het rechtscollege is vrijstelling vanwege religieuze of levensbeschouwelijke bezwaren alleen mogelijk als ouders aantonen dat het onderwijs op alle openbare scholen „binnen redelijke afstand” van de woning „niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier”. In de praktijk betekent dit dat vrijstellingen zelden zullen worden toegekend.
Het aantal kinderen dat is vrijgesteld van de leerplicht omdat hun ouders stellen dat ze geen school kunnen vinden die aansluit bij hun religie of levensovertuiging, is afgelopen jaren fors gegroeid. In 2015-2016 waren zo’n zevenhonderd kinderen vrijgesteld, inmiddels bijna drieduizend.
Ingrado en de VNG vinden evenals de Hoge Raad dat het recht van het kind op onderwijs centraal moet staan. In de handreiking staat dat dit „niemand mag worden ontzegd en niet ondergeschikt mag worden gemaakt aan rechten van ouders”.
Staatssecretaris Judith Tielen (Onderwijs, VVD) deelt het uitgangspunt van Ingrado en de VNG „dat het recht voor kinderen op goed onderwijs gegarandeerd moet worden en dat dit het beste op school kan”, zo laat Tielen weten. De handreiking biedt gemeenten „meer houvast”, maar de staatssecretaris kijkt zelf ook naar „mogelijkheden om verandering in de situatie te brengen”. „Het gaat dan om ofwel het afschaffen van deze vrijstelling ofwel om het regelen van toezicht op het thuisonderwijs.” Voor de zomer komt ze met een brief aan de Tweede Kamer.
Sommige gemeenten, zoals Den Haag, hadden zelf al een strengere aanpak aangekondigd. De Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs stelde daarop dat gemeenten niet de bevoegdheid hebben om eigen beleid te maken inzake de vrijstellingen. Vicevoorzitter Josien van Putten zei dat een vrijstelling „van rechtswege” ontstaat, als ouders een beroep doen op artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969. „Ouders hoeven de gemeente slechts op de hoogte te stellen”, zei Van Putten.
Ingrado en de VNG kijken hier anders tegenaan. Gemeenten krijgen het advies om ouders actief te benaderen en met een brief erop te wijzen dat voldaan moet worden aan de uitspraak van de Hoge Raad. En dat „de (verlenging van de) vrijstelling dus niet vanzelf ontstaat”.