is opinieredacteur en columnist voor de Volkskrant.
In 2010 liet ik me naturaliseren en verkreeg ik de Nederlandse nationaliteit. Waarom ik geen Nederlandse nationaliteit had, terwijl ik op Nederlandse bodem ben geboren en getogen? Lang verhaal. Maar ik vroeg mijn paspoort aan om louter opportunistische redenen: Geert Wilders dreigde de verkiezingen te winnen, en ik had geen zin om gedeporteerd te worden. Gezien zijn retoriek destijds, die nog mild te noemen is vergeleken met de nazi-taal die tegenwoordig in de Tweede Kamer klinkt, kwam naturalisatie niet over als een overbodige handeling.
Zo werd ik, in de woorden van Sywert van Lienden (’s lands bekendste landverrader, die de Nederlandse overheid en belastingbetalers probeerde op te lichten in crisistijd), een ‘paspoort-Nederlander’. En toegegeven, dat heb ik zelf ook lange tijd geloofd: Nederlands op papier, identiteitscrisis in de ziel.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Er is immers nooit een gezond gesprek over Nederlanderschap gevoerd. Een gesprek dat meer behelst dan vals kraaiende rechts-radicale politici en defensieve reacties daarop. Maar hoe verstrengeld de term inmiddels ook dreigt te raken met racistische en antisemitische terminologie als ‘omvolking’, de betekenis van Nederlanderschap zal vroeg of laat geadresseerd moeten worden. Juist om te voorkomen dat het alleen nog wordt geassocieerd met bruinrechts.
En dat begint misschien met begrip hebben voor grieven die niet gemotiveerd zijn door superioriteitsdenken. Zo is het meer dan begrijpelijk dat Nederlanders met een migratieachtergrond moeite hebben om zich Nederlands te noemen wanneer er geen week voorbijgaat zonder afwijzing en besmeuring op grond van kleur, afkomst van ouders of religie. Het is ook niet van de pot gerukt dat progressieve witte Nederlanders het Nederlanderschap niet willen claimen uit schaamte over deze ervaringen.
Maar ik begin evengoed beter te begrijpen dat Nederlanders zonder migratieachtergrond twijfelen aan de loyaliteit van hun medelanders met een migratieachtergrond. Bijvoorbeeld wanneer zij tijdens internationale voetbaltoernooien wel voor Marokko of Turkije spelen of juichen, maar niet voor Nederland. En dat zij zich evengoed afgewezen voelen door ressentiment onder Nederlanders met een migratieachtergrond.
Serieus, het is maar voetbal, zou je kunnen denken. Maar dat het raakt aan iets wezenlijks, werd mij duidelijk toen deze loyaliteitskwestie enkele jaren geleden opvallend eerlijk werd besproken in Voetbal Inside door Johan Derksen en ex-profvoetballer Nordin Amrabat. Derksen vond dat Marokkaans-Nederlandse voetballers een ‘morele verplichting’ hadden om uit te komen voor Nederland, Amrabat kaatste terug dat hij die keuze in zijn tijd überhaupt nooit had gekregen.
Het gesprek werd na enkele minuten abrupt afgekapt wegens ongemak bij de andere tafelgasten. Maar het was kraakhelder dat de meeste voetballers slechts kozen voor het herkomstland van hun ouders, omdat opportunistische scouts haarfijn aanvoelen dat met name onthechte jonge mensen hunkeren naar een beetje liefde, waardering en acceptatie.
Dat is ook niet gek, want een sense of belonging (een goede Nederlandse vertaling kan ik helaas niet bedenken, en dat zegt wat) is een diepmenselijke behoefte. De afwijzing die aan beide kanten wordt gevoeld is dan ook legitiem. De vragen die daaronder liggen – ‘ik dacht dat jij bij ons hoorde?’, ‘ik dacht dat ik bij jullie hoorde?’ en vooral: ‘kan ik op je bescherming en zorg rekenen?’ – zouden daarom het vertrekpunt moeten zijn voor een goed gesprek over Nederlanderschap.
Maar dan moet je die vragen wel hardop durven stellen. Te beginnen aan de mensen die net buiten je veilige kring vallen.
Source: Volkskrant