Een levenslange fascinatie voor ruimtewezens bracht Steven Spielberg tot films als Close Encounters of the Third Kind en E.T. Maar zijn nieuwe sf-film is wezenlijk anders. Het verschil? Spielbergs veranderde houding tegenover buitenaards leven.
is filmredacteur van de Volkskrant.
In december verscheen de volgende tekst op billboards, in Los Angeles en New York City. ‘Alles zal worden onthuld. Spielberg. 12-6-2026.’
Wie gevoelig is voor complottheorieën zou een een-tweetje kunnen vermoeden tussen ’s werelds populairste filmregisseur en Donald Trump.
Net nu het Pentagon op aandringen van de Amerikaanse president de ene na de andere lading ooit geheime ‘ufo-files’ vrijgeeft, mogelijk ter afleiding van meer wereldse zaken, presenteert Steven Spielberg (79) het slotstuk van zijn levenslange (film)fascinatie voor buitenaards bezoek.
Want de aliens zijn onder ons. Zo blijkt – of lijkt het althans – in de trailer van zijn nieuwe blockbuster in spe, Disclosure Day. Weervrouw te Kansas City Margaret (Emily Blunt) gaat midden in de uitzending plots over op een bizarre kliktaal, schijnbaar in trance. En cyberexpert Daniel (Josh O’Connor) verstaat, tot zijn eigen verbazing, exact wat ze zegt.
Iets verbindt de twee, maar wat? Bij de schimmige organisatie Wardex weten ze meer, en tracht de sinistere directeur (Colin Firth) te voorkomen dat iets of iemand kan klokkenluiden. Want: ‘De mens is niet klaar voor wat wij weten.’
Speciaal voor spoilervrezers verklaarde Spielberg al dat de trailer van Disclosure Day – de film draait vanaf deze week wereldwijd in de bioscoop – heus nog niks van de derde akte prijsgeeft.
Wel zien we alvast een verre neef van E.T., gebogen over een (ontvoerd?) mensenkind. Met van die lange dunne vingers; het kenmerk van de typische Spielberg-alien, naast de ribbelhuid en schotelogen.
Tot voor kort presenteerde Spielberg zich in interviews altijd als ‘alien-agnost’. Uiteraard was er meer leven in het heelal, zei de regisseur dan, maar of het intelligent genoeg was om de aarde te bezoeken (of juist te mijden) wist hij niet.
Hoe oneerlijk was het wel niet, grapte de regisseur meermaals, dat hij zelf nooit eens zo’n ufo zag. Nota bene de maker van Close Encounters of the Third Kind, dé bioscoopblauwdruk voor een waardige ontvangst van de buitenaardsen, met dat vijftonige motiefje (re-mi-do-do-so) van componist John Williams.
Konden die bezoekers van een andere planeet hem na al die jaren niet eens eren met een ‘encounter’, al was het slechts eentje van de eerste klasse? Het classificatiesysteem voor ufo-waarnemingen, waarnaar Spielberg zijn film vernoemde, werd ooit bedacht door astronoom J. Allen Hynek: één voor op grote afstand waargenomen ‘schotels’, drie voor contact met een inzittende. Hynek, een oud-medewerker van Project Blue Book (codenaam van het Amerikaanse ufo-onderzoek), werkte als adviseur mee aan Spielbergs sf-klassieker uit 1977, waarin hij ook nog een klein rolletje speelde.
Vorige week, in een interview met Associated Press, maakte de regisseur bekend dat hij tegenwoordig wél gelooft dat intelligent buitenaards leven onze planeet aandeed, dit vanwege het ‘overweldigende indirecte bewijs’. Daarbij doelt hij onder meer op een artikel uit The New York Times uit 2017, waarin geheim ufo-onderzoek van het Pentagon werd onthuld, en de ‘historische’ eerste openbare ufo-hoorzitting van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden in 2022. ‘Dit is mijn eerste film die als sciencefiction zal worden beschouwd terwijl ik zelf denk dat het géén sciencefiction is.’
Officieel geldt The Sugarland Express als Spielbergs speelfilmdebuut, zijn achtervolgings-melodrama met Goldie Hawn uit 1974. Vaak wordt ook het al in 1971 verschenen Duel genoemd, zijn voor de televisie gemaakte – en magnifieke – film over een losgeslagen vrachtwagen (Jaws op wielen).
Maar zijn échte eerste avondvullende film betrof het 135 minuten lange sciencefictionavontuur Firelight. De filmmaker was 17 jaar oud toen het door vader Arnold Spielberg afgehuurde Phoenix Little Theater volliep voor de premièrevertoning op 24 maart 1964; vijfhonderd kaartjes van een dollar.
De jonge knul was toen al iets van een lokale sensatie. ‘Phoenix heeft een jonge Cecil B. DeMille’, berichtte een lokale tv-zender over zijn eerdere, al even ambitieuze korte lowbudgetoorlogsfilm Escape to Nowhere.
Firelight ging over vliegende schotels. Over een wetenschapper en een ufo-gelovige die de verdwijningen van een hond, een klein meisje en een peloton soldaten onderzoeken in een fictief Amerikaans stadje waar mysterieuze, gekleurde lichten aan de hemel verschijnen.
Het budget, 500 dollar, liet weinig ruimte voor kunstige lichteffecten: Spielberg hield twee glasplaten met gekleurde gel voor zijn camera of trok een waslijn met lichtjes langs een voorbijrijdende jeep. Slechts een krappe vier minuten van de film zijn online terug te vinden, van abominabele kwaliteit; Spielberg heeft Firelight nooit opnieuw vrijgegeven.
Dat hij doorbrak met Jaws, in de zomer van 1975, was aanvankelijk niet zijn plan. Eigenlijk hoopte Spielberg eerst Close Encounters te maken; hij was bang dat Hollywood hem in de kaartenbak zou plaatsen als ‘die vrachtwagen- en haaienregisseur’.
Maar het botste met scenarist Paul Schrader (Taxi Driver), die een eerste scriptversie schreef en het oneens was met Spielbergs idee om een gewone man als held te kiezen: waarom zou de mensheid een ordinaire elektricien (rol van Richard Dreyfuss) afvaardigen om als eerste dat ruimteschip binnen te gaan?
Hollywood had op dat moment ook niet zoveel fiducie meer in sciencefiction; dat was het genre van de jaren vijftig, toen de Koude Oorlog-paranoia de ufo-meldingen opvoerde. Maar na het kapitale succes van Jaws, de film die de blockbusterstrategie introduceerde (meteen uit in zo veel mogelijk bioscopen, als een tapijtbombardement), kon Spielberg maken wat hij wilde. In 1977 verscheen Close Encounters of the Third Kind, een soort remake van zijn jeugdfilm Fireflight.
Over Spielbergs fascinatie voor buitenaardse wezens is vaak beweerd dat hij zich als kind zelf soms een alien voelde: het Joodse en nerderige jochie dat gepest werd op school (‘Spielbug!’). Een buitenbeentje, dat enkel grip had op zijn leeftijdsgenoten als hij ze voor zijn camera opstelde, zoals ook te zien was in zijn autobiografische coming-of-agedrama The Fabelmans (2022).
Over het algemeen is de Spielberg-alien vriendelijk en goedaardig, begaan met de mensheid. Heel anders dan in de aan het McCarthy-tijdperk en de communistenjacht gekoppelde klassieker The Invasion of the Body Snatchers (1956), of dat heimelijk met een ruimteschip meereizende parasitaire monster uit Ridley Scotts Alien (1979).
Voor de kleine, bijna schattige wezens die uit het ruimteschip wandelen in Close Encounters of the Third Kind strikte de regisseur enkele tientallen meisjes van een lokale dansschool in Alabama, die verkleed met plastic maskers en lange handschoenen moesten doorgaan voor de buitenaardsen.
Niet helemaal tevreden met het resultaat zette Spielberg het schijnsel van de ufo wat feller aan, zodat we in de film vooral contouren aanschouwen. De truc paste hij – noodgedwongen – ook al toe met de haperende haai in Jaws: hoe minder je écht ziet, hoe beter.
Ook de mogelijk fraaiste op beeld gevatte ufowaarneming ooit, die in Close Encounters of the Third Kind dus, berust vooral op suggestie. Die van ‘koplampen’ die de auto van Dreyfuss’ elektricien van achteren naderen als hij bij nacht stilstaat voor een spoorwegovergang. Eerst die van een andere auto, die hem passeert. En vervolgens van iets anders, dat plots opstijgt. Zo veel effect, enkel met wat lampen.
Maar de aliens moesten beter en geloofwaardiger ogen voor E.T., de film die maakte dat elk kind in de jaren tachtig (inclusief fan Michael Jackson) óók zo’n buitenaards wezentje in huis wilde nemen. In zijn Spielberg-biografie uit 1997 beschrijft Joseph McBride hoe Spielberg ook nog even oefende met een chimpansee in het rubberen E.T.-pak, met rolschaatsen aan de poten zodat het dier zich niet te aapachtig zou voortbewegen.
Uiteindelijk werd de mechanische pop van binnenuit bediend door twee volwassen kleine mensen die beurtelings in het pak kropen. Maar ook door een zonder benen geboren jongen van 12, die E.T.’s kenmerkende waggelende tred uitvoerde.
Net als bij Close Encounters wensten de Nasa en de Amerikaanse luchtmacht niet mee te werken, omdat men de ‘publieke hysterie’ over buitenaardse wezens en vliegende schotels niet wilde aanmoedigen. ‘Er zijn minder dan zes mensen in deze kamer die weten dat alles in de film waar is’, grapte president Ronald Reagan na afloop van de vertoning van E.T. in het Witte Huis.
Nadat de filmstudio (Columbia Pictures) om een Close Encounters deel twee had gevraagd, waar Spielberg niks in zag, overwoog de regisseur enige tijd een horror-sf. Night Skies, waarin een stel minder frisse aliens een gezin (en de dieren) op een boerderij terroriseren.
Hij zag er toch maar van af, maar elementen van het scriptidee eindigden wel in de door hem geproduceerde titels Poltergeist en Gremlins. ‘E.T. is waar ik van hou’, zei Spielberg, ‘Poltergeist is waar ik bang voor ben.’
Pas veel later regisseerde hij zelf een speelfilm met daarin een minder aaibare, niet-menselijke soort: de in driepotige vechtmachines vanuit de grond oprijzende, bloed drinkende, hagedisachtige wezens uit War of the Worlds (2005). Die film, zo verklaarde de regisseur, was een reactie op 9/11.
Het buitenaardse vormt in Spielbergs sciencefictions altijd een klankbord voor menselijk drama. E.T. is in de kern het verhaal van een jochie dat worstelt met de scheiding van zijn ouders, zoals Spielberg die als kind zelf meemaakte. In Close Encounters krijgt de gewone Amerikaan een visioen van boven, waarna hij losbreekt uit zijn huwelijk en uit het aangeharkte gezinsleventje tussen keurige buren.
Een andere, vooral loze buitenaardse aanwezigheid betrof die in het geflopte Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull (2008), waarvoor Spielberg zijn avonturier liet speuren naar kristallen alienschedels. Zelfs de grootste Indiana Jones-fans, die toch wel wat bovennatuurlijke wendingen gewend zijn, hadden moeite met dit van pseudo-wetenschapper en schrijver Erich von Däniken (Waren de Goden kosmonauten?) geleende plotje.
Na The Fabelmans vroeg Spielberg zich enige tijd af wat hij nu nog kon filmen; iets van de cirkel was wel rond, met die zo persoonlijke film. En toen begonnen de aliens weer te knagen. Zelf beschouwt hij Disclosure Day als de ‘optelsom’ van de sf-poot in zijn oeuvre; hierna is het gedaan (zijn volgende film wordt een western).
Het sleutelwoord in het meer dan veertig keer herschreven script, waarvoor schrijver David Koepp (Jurassic Park) voortdurend overleg pleegde met de regisseur, is ‘empathie’. Onze menselijke superkracht, die we volgens Spielberg momenteel ernstig verwaarlozen; (ook) in de film stevenen we af op een Derde Wereldoorlog. De mens vormt de grootste bedreiging voor de mens, niet die bezoekers van een andere planeet.
Al zijn ze er dus wel: ook in het promotiemateriaal van Disclosure Day getuigt Spielberg van zijn ufobekering. ‘Ik zei altijd tegen mezelf: zou het niet geweldig zijn als dit allemaal waar was? Nu denk ik: zou het niet geweldig zijn, voor de mens, om te weten dat dit allemaal waar ís?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant