Defensie Berlijn en Parijs trokken deze week de stekker uit de bouw van een eigen gevechtsvliegtuig. Al veel langer worstelen fabrikanten Airbus en Dassault met het grootste defensieproject van Europa. Dat bleek ook eind mei, op een bijeenkomst van Airbus’ defensietak op de Duitse vliegbasis Manching.
Een model op ware grootte van het Frans-Duitse gevechtsvliegtuig van het Future Combat Air System (FCAS), dat werd ontwikkeld door Dassault Aviation, Airbus en Indra Sistemas, in juni 2023 op de luchthaven Parijs-Le Bourget.
Een notitieboekje, een glanzend magazine, een embleem voor een vliegeniersjack. Maar oordopjes? En een busje anti-insectenspray?
Enigszins verward nemen de deelnemers aan de Airbus Defence Summit de goodiebag in ontvangst. Het is 9.00 uur, de bijeenkomst op de Duitse luchtmachtbasis Manching, 60 kilometer van München, moet nog beginnen. En nu al een tasje met promotiemateriaal?
Airbus, ’s werelds meest succesvolle producent van passagiersvliegtuigen én een van de grootste leveranciers van defensiematerieel in de EU, ontvangt op woensdag 20 mei tientallen journalisten, influencers en andere genodigden voor een dag vol presentaties en demonstraties.
Op het programma: straaljagers, helikopters, drones en satellieten. En blijkbaar alleen voor de vloggers, een bezoekje aan het reusachtige transportvliegtuig A400M even verderop op de vliegbasis. De TikTok-video als het moderne instrument voor personeelswerving.
Manching is niet alleen een belangrijke basis van de Duitse luchtmacht. Het is ook Airbus’ grootste productie- en testlocatie van militaire vliegtuigen. Hier wil het concern het vandaag hebben over het versterken van de Europese defensie. Niet zozeer waarom – dat staat wat Airbus betreft buiten kijf, de toegenomen dreiging uit onder meer Rusland – maar vooral hóe. Wat is er te koop, nu en in de toekomst, en hoe organiseer je de productie op een Europese wijze?
Samenwerken is essentieel, zegt bestuursvoorzitter Guillaume Faury meerdere keren tijdens de bijeenkomst. „75 jaar lang hebben we de vruchten van de vrede geplukt”, aldus de Franse topman in zijn welkomstpraatje. „Defensiebudgetten zijn gedaald en we hebben ons op andere producten gericht, in de veronderstelling dat we voor altijd vrede zouden hebben. We leunden zwaar op de VS, die nog steeds veel meer uitgeven aan defensie en veiligheid dan wij.”
Europa, stelt Faury, moet weer ‘eigenaar’ worden van haar eigen veiligheid en defensie. Help elkaar, is zijn devies, werk samen, en koop Europese waar. „De agressie van de Russische strijdkrachten in Oekraïne, de conflicten in het Midden-Oosten en andere conflicten over de hele wereld dagen ons uit in ons vermogen om onszelf te verdedigen.”
De nadruk op samenwerken is saillant. Drie weken na de bijeenkomst in Manching blijkt dat samenwerking binnen het meest ambitieuze defensieproject van Europa, tussen de (met name Duitse) defensietak van Airbus en de Franse fabrikant Dassault (plus een Spaanse producent), definitief is geklapt. Berlijn en Parijs trekken de stekker uit de bouw van een superstraaljager. Beide regeringen „betreuren het onvermogen van industriepartijen” om samen te werken. Dassault gaat nu het liefst alleen een gevechtsvliegtuig bouwen, Airbus zoekt nieuwe partners in Duitsland, mogelijk in Zweden en elders in Europa.
Terug naar Manching, woensdagmorgen 20 mei. ‘Defence. Made in Europe’ staat in grote witte letters op de donkerblauwe muur van de hangaar waar het evenement plaatsvind. Airbus gebruikt de hal gewoonlijk om straaljagers te testen en te onderhouden. Maar vandaag heeft hij iets weg van een autoshowroom.
Airbus heeft zijn meest glimmende producten uitgestald. Centraal staat de Eurofighter Typhoon, de straaljager die Airbus maakt met het Britse BAE Systems en het Italiaanse Leonardo. Daarnaast de militaire uitvoering van de C295-helikopter, diverse drones en onbemande vliegtuigjes, en een schaalmodel van een van de satellieten die Airbus bouwt. Wie meer koopwaar wil zien, kijkt in de goodiebag; huisblad Rotor leest als een glanzende verkoopfolder vol militaire actie.
Met een militaire omzet van 13,4 miljard euro in 2025 (+11 procent ten opzichte van 2024) is Airbus de grootste producent van defensiematerieel in de Europese Unie. Ook al vormen wapens slechts 20 procent van de totale omzet. Wie overigens ‘wapens’ zegt, krijgt een standje van de woordvoerder. „Wij maken systemen om ons te verdedigen.”
Het orderboek van Airbus Defence & Space groeide vorig jaar naar 17,7 miljard euro (2024: 16,7 miljard). Dat de cijfers stijgen, betekent niet dat alles vlekkeloos verloopt. Juist het transportvliegtuig A400M, dat elders trots wordt getoond, kostte Airbus jarenlange vertraging en miljarden aan afschrijvingen. Mondiaal is Airbus slechts een middenmotor. Boeings defensietak is drie keer zo groot, die van Lockheed Martin (F-35) ruim vijf keer.
Maar hoe zit het nu met die goodiebag? Vlak voor de lunch krijgen de deelnemers een eerste antwoord op de raadselachtige inhoud van het witte tasje.
Terwijl de etensluchten de hangaar vullen, schuiven de metershoge deuren langzaam open. Het publiek stroomt naar buiten en van verre klinkt al het donderende geluid van straaljagers. Ah, snel, de oordopjes uit de goodiebag. Het notitieboekje blijkt speciaal voor vliegtuigspotters; de fans zetten twee Eurofighters op hun lijstje. De toestellen van de Luftwaffe komen laag over, trekken razendsnel op, bulderen naar grote hoogte en maken nog een rondje.
Tevreden zetten de spotters twee streepjes in hun boekje, maar eigenlijk pronkt Airbus hier met oud materieel. De Eurofighter Typhoon is een toestel van de vierde generatie, net als de Franse Rafale en de Amerikaanse F-16. De volgende stap, de vijfde generatie die nagenoeg onzichtbaar is voor radar (stealth) en veilige kan communiceren tussen straaljagers, drones en het commandocentrum op de grond (sensorfusie), wordt belichaamd door de F-35 van Lockheed Martin – waarmee ook Nederland vliegt. Een eigen vijfde-generatietoestel heeft Europa niet.
Veel liever had Airbus in Manching een eerste demonstratie gegeven van de zesde generatie straaljager die het helpt bouwen. Oorspronkelijk stond dat demo-model voor 2026 op de planning. Het gaat om de Next Generation Fighter (NGF), het hart van het Future Combat Air System (FCAS). Maar die samenwerking – sinds 2017, tussen Airbus, Dassault en het Spaanse Indra – is dus ingestort. Afgelopen maandag hakte de Duitse bondskanselier Merz de knoop door, de Franse president Macron (met Angela Merkel initiatiefnemer) kon niet anders dan volgen.
FCAS moest meer zijn dan dat ene toestel. Het is opgezet als een ‘systeem van systemen’: een bemande straaljager, een zwerm onbemande remote carriers (wingmen-drones) en een combat cloud die alle communicatie en data versleuteld met elkaar verbindt. De kosten werden geraamd op minimaal 100 miljard euro, waarvan Duitsland ongeveer een derde zou dragen.
De taakverdeling leek overzichtelijk: Dassault zou de leiding krijgen over de NGF, het vliegtuig; Airbus zou het werk aan de drones en de cloud leiden; Indra de sensoren. In de praktijk liep de samenwerking vast.
De kern van het conflict was een machtsstrijd over wie het vliegtuig mocht bouwen. Dassault wilde de absolute leiding en eiste, zo lekte in 2025 uit, tot 80 procent van al het werk aan de NGF op. „Wij weten hoe dit van A tot Z moet worden gedaan”, aldus Dassault-topman Éric Trappier, die niet wilde dat drie partijen aan tafel alle technische beslissingen namen. Airbus, dat namens Duitsland aan tafel zat, wilde juist een evenwichtiger verdeling.
„Airbus en Dassault hebben een probleem met het gevechtsvliegtuig”, stelt Mike Schöllhorn, directeur van Airbus Defense & Space, droogjes aan het einde van de ochtend in Manching. Beide bedrijven botsten niet alleen over het aandeel in de werkzaamheden, maar ook in hun manier van samenwerken. „Airbus is van nature een Europese joint-venture”, aldus Schöllhorn. „Wij zoeken altijd compromissen tussen uiteenlopende belangen; Dassault werkt anders.” Niet alle bedrijven zijn in staat om samen te werken, voegt Faury later toe.
In die voorstelling is Airbus de redelijke partij en Dassault de dwarsligger. Maar de Eurofighter die Faury als geslaagd voorbeeld aanhaalt, staat nu juist bekend als voorbeeld van wat misgaat als meerdere landen samen een toestel ontwerpen. Jaren vertraging, fors hogere kosten, eindeloos geruzie over werkverdeling. Het „alles in overleg” waar Airbus zo bedreven in zegt te zijn, heeft ook een keerzijde. Dassault’s wens om de regie strak in handen te houden komt niet uit het niets. Het verwijt dat Airbus soms traag en bureaucratisch opereert, klinkt in de industrie minstens zo vaak als het verwijt dat Dassault te dominant is.
Achter de industriële ruzie zit ook een militair meningsverschil. Frankrijk wil een lichter toestel dat kernwapens kan dragen; het moet de nucleaire afschrikking overnemen van de Rafale. Het toestel moet bovendien kunnen opereren vanaf een vliegdekschip.
„Dat is niet wat we momenteel nodig hebben binnen het Duitse leger”, stelde de Duitse bondskanselier Friedrich Merz eerder dit jaar. Duitsland en Spanje, zonder vliegdekschepen en eigen kernwapens, willen vooral een zwaarder toestel voor luchtoverwicht op de lange afstand. Deze week herhaalde Merz de Duitse wensen.
Faury wijst in Manching op de timing: het FCAS-project werd in 2017 gelanceerd, vóór de oorlog in Oekraïne de Europese defensieprioriteiten op hun kop zette. Krijgsmachten met krappe budgetten wilden destijds eerder compromissen sluiten om kosten te drukken. Nu de dreiging concreter is, worden de eisen scherper.
Het is overigens niet de eerste keer dat Frankrijk een eigen weg wil kiezen. In de jaren tachtig stapte het uit het Eurofighter-project en ontwikkelde het in zijn eentje de Rafale, deels vanwege diezelfde behoefte aan een lichter, vliegdekschip-geschikt toestel.
In oktober 2025 dreigde de Duitse minister Boris Pistorius (Defensie) het FCAS-programma al te beëindigen; zijn Franse ambtgenoot Catherine Vautrin zei in november publiekelijk dat Duitsland op dit moment niet de capaciteit heeft om een gevechtsvliegtuig te bouwen.
Tijdens de ‘open dag’ in Manching hield Airbus nog de deur open: niet één gezamenlijk toestel moest FCAS opleveren, maar twee aparte gevechtsvliegtuigen. Faury verwees naar het Amerikaanse voorbeeld. „Van de F-35 zijn ook meerdere varianten operationeel.”
Frankrijk enerzijds en Duitsland en Spanje anderzijds zouden dan elk een eigen toestel bouwen. De verbindende technologie die Airbus leidt – de drones en de combat cloud – zouden ze blijven delen. „De impasse van één enkele straaljager mag de toekomst van dit hoogtechnologische Europese project niet in gevaar brengen”, aldus Faury.
Een handige oplossing voor Airbus zelf. Precies het deel waarover het de strijd om de leiding dreigt te verliezen – het vliegtuig, dat Dassault opeist – mag worden opgesplitst. Waar Airbus de baas is – de combat cloud en de drones – blijft onmisbaar en ongedeeld in handen van het concern. Wat Faury presenteerde als de redding van het Europese project, beschermt en passant ook de positie van Airbus.
Faury toonde zich tijdens de open dag nog optimistisch over FCAS „als systeem”. „Bij Airbus blijven we samenwerken met verschillende landen.” Volgens defensiebronnen heeft Airbus al gepolst bij de Zweedse Saab en bij een rivaliserend project van BAE Systems en Leonardo – een teken dat het bedrijf zijn opties openhoudt.
Tijdens de luchtvaartbeurs ILA in Berlijn ontvouwt Airbus deze donderdag naar verwachting een plan met Duitse, gelijkgestemde partners voor een gevechtsvliegtuig. Dit ‘Team Gen 6’ zou samen een straaljager van de zesde generatie willen ontwikkelen. Wat dat zou betekenen voor de drones en de combat cloud is nog onduidelijk.
Nu kost één straaljager vele tientallen, soms honderden miljoenen euro’s. De vraag die de hele dag in Manching boven de presentaties en demonstraties hangt: heb je als land, als krijgsmacht, eigenlijk nog wel zo’n peperdure straaljager nodig, nu drones de luchtoorlog steeds meer bepalen?
Elon Musk stelt regelmatig dat bemande jagers binnenkort verouderd (obsolete) zijn. Volgens hem is de toekomst aan autonome onbemande gevechtsvliegtuigen. Defensie-experts noemen dat idee te extreem, maar erkennen wel de onderliggende verschuiving.
De consensus is dat de straaljager niet verdwijnt, maar van rol verandert: van solojager naar knooppunt in een netwerk. In de VS noemen ze de bemande straaljager de ‘quarterback’; in Europa zouden we hem eerder de centrale middenvelder dan de spits noemen. Rondom die bemande jager vliegen goedkopere, deels opofferbare drones, verbonden door de combat cloud.
Twee recente conflicten voeden het debat en wijzen verschillende kanten op. In Oekraïne slaagde Rusland er nooit in een luchtoverwicht te vestigen; in dat vacuüm werd de oorlog een uitputtingsslag van goedkope drones en luchtafweer. Zelfs Ruslands modernste stealth-toestel werd slechts zeer beperkt en vooral op afstand ingezet.
Boven Iran lijkt de bemande straaljager zijn waarde juist te bewijzen. Amerikaanse en Israëlische jagers schakelen luchtafweer uit, wijzen doelen aan en treden op als vliegend commandoknooppunt. Maar die luchtoverheersing kent een hoge prijs. Volgens een rapport aan het Amerikaanse Congres gingen tientallen toestellen verloren of raakten beschadigd, terwijl Iran met drones en raketten liet zien hoe kwetsbaar zelfs een superieure luchtmacht blijft.
De les die experts trekken is daarom genuanceerd: het gaat niet om het platform alleen, maar om de combinatie van inlichtingen, netwerken en het integreren van bemande en onbemande systemen.
FCAS is niet het enige zesde-generatieproject. In de VS bouwt Boeing de F-47, het verst gevorderde programma, met een prototype rond 2028: één bemande jager stuurt een zwerm drones aan, vanuit de logica dat één duur toestel met goedkope drones meer levert dan klassieke jagers.
China bouwt zelfs aan twee zesde-generatie-jets: een voor boven land, en een voor de marine. En in Europa is er het Brits-Italiaans-Japanse GCAP, dat al in 2035 in dienst moet komen; juist die strakke organisatie contrasteert met het Frans-Duits-Spaanse FCAS. De kanttekening van experts: alle drie leveren pas rond 2035, en Oekraïne en Iran tonen hoe snel de werkelijkheid van oorlog verandert.
De boodschap die topman Faury de hele dag – tegen beter weten in misschien – herhaalt in Manching is dat Europa niet mag versnipperen. Vóór het uitbreken van de oorlog in Oekraïne gaf de EU vijf keer minder uit aan defensiematerieel dan de VS, rekent hij voor. Zo’n 60 procent van wat EU-landen kochten kwam van buiten Europa, en minder dan 10 procent kochten EU-landen bij elkaar – een schril contrast met hoeveel de VS bij eigen bedrijven besteden.
Sinds 2022 lopen de Europese defensiebudgetten flink op, maar dat geld moet volgens Faury verstandig worden besteed, niet gefragmenteerd. „Schaal doet ertoe”, zegt hij; om in Europa schaal te bereiken moeten landen samenkomen. „Alleen gaan we snel. Maar slechts gezamenlijk komen we verder.” Die boodschap is geen onbaatzuchtige. Als grootste defensieproducent in de EU heeft Airbus grote belangen. „Fragmenteer niet, koop Europese waar” wordt al snel: „Koop bij ons”.
Tegelijk waarschuwt Airbus voor een tegengestelde trend: nu de budgetten stijgen, neigen landen ertoe het extra geld vooral naar de eigen nationale industrie te laten vloeien. Politici zouden volgens Airbus Defense-topman Schöllhorn meer oog moeten hebben voor het bredere Europese belang. De Nederlandse staatssecretaris Derk Boswijk (Defensie, D66) stelde op 3 juni in het Financieele Dagblad dat Nederland een ‘gouden aandeel’ zou moeten nemen in kansrijke defensie-start-ups uit Nederland.
Volgens Airbus-defensiedirecteur Schöllhorn versterkt samenwerken ook de Europese waarden op het gebied van autonome oorlogsvoering: AI-wapens op het slagveld. „Zolang Europa trouw wil blijven aan zijn waarden, moet er bij beslissingen over leven en dood zo lang mogelijk een human in the loop blijven. Machines ondersteunen, mensen beslissen.”
Aan het einde van de middag volgt nog een verklaring voor de inhoud van de Airbus-tas. De journalisten en de influencers stappen in de bussen. Na een ritje rond het vliegveld stoppen ze bij een paar containers in de moerassige velden rond Manching. In blijde afwachting stellen de deelnemers zich op in de zon. Een grote langpootmug landt op de tas van de verslaggever. Tijd voor de anti-insectenspray? Nee, grapt iemand, dit is Airbus’ meest geavanceerde minidrone.
Onbemande vliegtuigen zijn wel de kern van de demonstratie die volgt. Het scenario: een fictieve ontvoering. Ergens in de velden rijdt een zwart busje met een „gijzelaar”. Alarm. Eerst zijn het drones die het busje in de gaten houden – hoog in de lucht, want de ontvoerders mogen niet doorhebben dat ze zijn gespot. Een Aliaca, een lichte verticaal startende verkenningsdrone, levert vanuit de hoogte live beelden aan.
Dan komen twee H145-helikopters over, met gemaskerde mariniers aan boord. Zij houden het busje staande en bevrijden de gijzelaar. Het verhaal dat Airbus hier wil vertellen is opnieuw dat van samenwerking: tussen drones en helikopters, tussen bemande en onbemande vliegtuigen.
Bij een volgende demonstratie laat het bedrijf zijn AI-systeem MindShare zien: twee toestellen sporen autonoom een nagebootste grond-luchtraketinstallatie op. Hoeveel toestellen tegelijk met MindShare kunnen worden aangestuurd, wil Airbus niet zeggen, maar „het systeem is in principe ongelimiteerd”. „Het is één stel hersenen verspreid over verschillende drones”, aldus de presentator.
Zo blijft Airbus herhalen: samenwerken. Tussen vliegtuigen, klein en groot, bemand en onbemand, verticaal of horizontaal opstijgend. Maar ook tussen fabrikanten en tussen landen. Of, in de woorden van Schöllhorn: Europa kan het zich niet veroorloven het geld van zijn belastingbetalers te besteden aan de concurrerende ontwikkeling van drie of vier verschillende gevechtsvliegtuigen. De goodiebag, inmiddels, heeft al zijn raadsels prijsgegeven.