Anna van den Breemer schrijft elke week over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt.
schrijft voor de Volkskrant over grote en kleine levensvragen.
‘Vanaf welke leeftijd kun je met je kinderen praten over genders en gendertransities?’ vraagt een moeder zich af. Ze vreest dat haar dochters in verwarring raken als ze er te vroeg over horen. ‘Gaan ze daardoor zelf twijfelen over hun gender of is dat onzin?’
Kinderen ontwikkelen al op jonge leeftijd ideeën over gender. Vanaf ongeveer 2 jaar kunnen ze onderscheid maken tussen jongens en meisjes en hun eigen gender benoemen. ‘Bij kleuters zijn die ideeën vaak zwart-wit. Ze denken bijvoorbeeld dat jongens niet met poppen spelen of dat meisjes niet van voetbal houden’, zegt docent-onderzoeker Antoinette Kroes bij Hogeschool Fontys.
Rond hun 4de of 5de begrijpen kinderen dat gender meestal stabiel is. Een jongetje denkt niet langer dat hij later moeder kan worden. ‘Rond hun 6de of 7de beseffen kinderen ook dat gender niet verandert door uiterlijk of gedrag. Een jongen die met poppen speelt, wordt daardoor geen meisje’, zegt universitair hoofddocent Joyce Endendijk (Universiteit Utrecht), die onderzoek doet naar genderontwikkeling bij kinderen.
Sommige ouders vrezen dat praten over gender kinderen aan het twijfelen brengt over hun eigen identiteit. In de psychologie wordt dat ‘sociale besmetting’ genoemd: het idee dat kinderen een genderidentiteit overnemen door erover te horen.
‘Daar is geen bewijs voor’, zegt Endendijk. ‘Mensen kiezen hun genderidentiteit niet op basis van wat ouders vertellen of wat ze in hun omgeving zien. Die identiteit ontdekken ze zelf.’
Wel klopt het dat het aantal jongeren dat in transitie wil, toeneemt. Endendijk: ‘De genderzorg heeft meer bekendheid gekregen, waardoor jongeren die worstelen met hun genderidentiteit eerder hulp zoeken.’
Uit een representatieve steekproef onder Nederlandse jongeren van 12 tot 25 jaar blijkt dat ongeveer 0,7 procent van de jongeren transgender is en 2,5 procent zich genderdivers noemt.
Praten over gender maakt kinderen dus niet transgender of non-binair. Wel kan het bijdragen aan begrip, respect en een veilige omgeving waarin kinderen vragen durven stellen, aldus de experts. Onderzoek laat bovendien zien dat het opleggen van een genderidentiteit die niet bij een kind past, schadelijk kan zijn voor het welzijn.
‘Er is niets mis met non-binaire of trans kinderen’, benadrukt Kroes. ‘Dat is geen teken van ouderlijk falen, ziekte of stoornis.’ Uit onderzoek blijkt dat non-binaire en trans kinderen vaker worden gepest en zich eenzaam voelen. Volgens Kroes is dat een extra reden om open over genderidentiteit te praten: zo nemen kinderen hun ouders eerder in vertrouwen als ze vragen hebben over hun identiteit.
Een gesprek over gender hoeft niet ingewikkeld te zijn, meent Endendijk. ‘Je kunt uitleggen dat de meeste mensen jongen of meisje zijn, maar dat er ook mensen zijn die zich allebei voelen, ertussenin of geen van beide.’ Ook transgender zijn kun je in jip-en-janneketaal uitleggen: sommige mensen worden geboren als jongen, maar voelen zich een meisje, of andersom.
Het is een misvatting dat dit onderwerp te complex is. Vaak ontstaan gesprekken vanzelf, bijvoorbeeld naar aanleiding van een vraag of van iets op televisie. ‘Kinderen zijn meestal tevreden met een kort antwoord dat aansluit bij hun belevingswereld.’
Prentenboeken kunnen daarbij helpen, zoals Het lammetje dat een varken is van Pim Lammers.
Met een open gesprek kun je ook stereotypen doorbreken. Vooral jongens krijgen vaak te maken met verwachtingen over hoe zij zich horen te gedragen, zegt Kroes. In de maatschappij is er meer ruimte voor stoere meisjes die voetballen dan voor lieve jongens die aan ballet doen.
Starre opvattingen kunnen invloed hebben op hoe kinderen naar zichzelf kijken. Kroes: ‘Een meisje dat denkt dat rekenen iets voor jongens is, kan minder vertrouwen krijgen in haar eigen vaardigheden. Nog een reden om hierover te praten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant