‘Even het zoutzuur eraf vegen.” Archeoloog Wil Roebroeks zegt het met een knipoog, terwijl hij het lemmet van zijn Opinel-mes schoonwrijft aan zijn werkbroek. Dan snijdt hij een royale punt kersenvlaai voor me af. Ik heb in geen jaren meer gedacht aan de flesjes zoutzuur. Of in vakjargon: HCl-oplossing. Als student aardwetenschappen had ik regelmatig docenten aan bodemmateriaal zien likken om de textuur te bepalen, direct nadat ze het bijtende zuur erop hadden gedruppeld om te zien of het zou bruisen (zo ja, dan zat er kalk in). Net genoeg verdund om geen brandwonden op hun tong te krijgen.
De vlaai smaakt prima, en ik volg Roebroeks – pet tegen de zon, geel hesje van de Universiteit Leiden – over het terrein van palletbedrijf Hurkmans, aan de noordwestrand van Maastricht. Om ons heen zigzaggen vorkheftrucs tussen stapels houten pallets. Uit een hal klinkt stampende techno. Aan de rand van het terrein staat een metershoge installatie. Een heimachine, zo lijkt het, al gaan er geen palen de grond in: het gaat om wat eruit komt. „Zestien meter löss, zand en klei”, vertelt geoloog Freek Busschers van TNO. „En met wat geluk ook neanderthalermateriaal van minstens 250.000 jaar oud.”
Dat juist hier de boring wordt verricht, is geen toeval. Twintig meter verderop, aan het oog onttrokken door de pallets, ligt de voormalige lössgroeve Belvédère. Ooit een bedevaartsoord voor archeologen, nu een overwoekerde afvalstort. De groeve was dé Nederlandse vindplaats voor sporen van neanderthalers: vuurstenen werktuigen, botten van bejaagde steppeneushoorns, houtskoolrestanten. Ruim veertig jaar geleden, als twintiger, beleefde Roebroeks er misschien wel de mooiste maanden uit zijn loopbaan. „Op wankele ladders stonden we tegen die wanden de löss te bemonsteren. In stromende regen, in stoffige droogte… En daarna aan het bier.”
De huidige boring is prozaïscher, maar voelt door de aanwezigheid van een handvol oudgedienden als reünie. Niet alleen een tijdreis door het Pleistoceen, maar ook door het leven van Roebroeks (71) en zijn vroegere kompanen: Dimitri De Loecker (62), Jean Pierre de Warrimont (77). Jongens waren ze, hemelbestormende jongens – archeologen die de toekomst voor zich hadden.
Eén hoofdrolspeler ontbreekt: Jef Vandenberghe, internationaal vermaard lössonderzoeker. Begin dit jaar stonden we op de begraafplaats van Zandvoort zij aan zij aan zijn kist – ikzelf als oud-student, Roebroeks als bevriende oud-collega. „Nu besef ik eens te meer hoe belangrijk het sociale aspect van dat veldwerk was. Jef had hier gewoon bij moeten zijn.”
De boring is een viering van het verleden én een proeve van vooruitgang. Want met de huidige onderzoeksmethoden kan het opgeboorde sediment straks een stuk nauwkeuriger gedateerd worden, vertelt Busschers (als veertiger een jonkie in de groep). „Er zijn vermoedens dat die eerdere neanderthalervondsten 350.000 jaar oud zijn – 100.000 jaar ouder dan gedacht. Dat willen we nu achterhalen.” En dus komt er meter na meter löss, zand en klei omhoog. Zelfs op de neus van Roebroeks zit bruinig slib. En dan: een grindlaag met kwartskiezels. Een oude stroomgeul van de Maas. Busschers, begeesterd: „We hebben emmers nodig. Meer emmers!” Het grind zit „kneitervol” vuursteenfragmenten. Bewerkte vuursteen: sporen van neanderthalergereedschap.
Gretig graaien de jonge broekies van weleer door de emmer, alsof het een grabbelton betreft. „Niet te geloven”, zegt Roebroeks met een brede lach. „Een droomvondst.” En dan: „Dit had Jef geweldig gevonden.”Vandaag smaakt het verleden niet zoutzuur maar bitterzoet.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag