Home

Een eeuw na zijn dood is ‘Gods architect’ Antoni Gaudí groter dan ooit

Precies een eeuw geleden stierf Antoni Gaudí, ‘Gods architect’ van de Sagrada Familia. Voor zijn herdenking haalt Spanje alles uit de kast: van een standbeeld in zijn geboorteplaats tot een bezoek van de paus. Misschien wordt hij wel zalig verklaard.

is correspondent Spanje, Portugal en Marokko van de Volkskrant. Hij woont in Madrid.

Als paus Leo XIV woensdag de Sagrada Familia betreedt, brengt hij allereerst een eerbetoon aan het graf van de Schepper. Niet die van hemel en aarde, maar die van deze kerk in Barcelona, de hoogste en meest zinsbegoochelende ter wereld. Die schepper is Antoni Gaudí.

Na die stop bij Gaudí’s graf, in de crypte, vervolgt de paus zijn bezoek bovengronds. In de basiliek – die op dat uur baadt in oranjerood licht dat door het glas-in-lood naar binnen knalt – zal Leo XIV een mis opdragen aan de Catalaanse architect. In de kerkbankjes niet de minsten: koning Felipe VI is er, premier Pedro Sánchez ook. Met hen nog vierduizend genodigden.

De mis in de Sagrada Familia is een hoogtepunt van het bezoek van de paus aan Spanje. Hij landde zaterdag in Madrid, reisde door naar Barcelona en vliegt donderdag nog naar de Canarische Eilanden. Maar de mis is zeker óók het hoofdgerecht van het Año Gaudí: het Jaar van Gaudí.

In heel Spanje wordt dit jaar stilgestaan bij het leven en de nalatenschap van de architect. Dat Leo XIV juist op 10 juni diens meesterwerk met een bezoek vereert, is niet toevallig. Het is dan precies een eeuw geleden dat Gaudí op 73-jarige leeftijd overleed. Drie dagen daarvoor was hij aangereden door een tram.

Het pauselijke bezoek is een bevestiging van de reputatie van misschien wel ’s werelds beroemdste architect ooit. In elk geval is hij een van de grootste figuren uit de Spaanse geschiedenis.

Het huidige Barcelona is ondenkbaar zonder zijn gebouwen. De Sagrada Familia, met bijna vijf miljoen bezoekers vorig jaar het meest bezochte monument van het land, en werken als Casa Battló en Casa Milà hebben de stad een toeristenmagneet gemaakt. Gaudí ís Barcelona – en toch liggen zijn wortels elders.

Waar precies, zal Leo XIV kunnen lezen in de donkere crypte. ‘Antonius Gaudí Cornet, reusensis’, staat gegraveerd in het grijze graniet van zijn grafsteen. De paus, die een aardig woordje Latijn spreekt, zal weten wat dat betekent: Gaudí, kind van Reus.

Een ver familielid

Reus (spreek uit: réé-oes), een stad op anderhalf uur rijden ten zuiden van Barcelona, heeft de eer de plek te zijn waar Gaudí’s wieg stond. Hier werd hij gedoopt in de San Pedrokerk, illustreerde hij het krantje dat hij uitgaf met jeugdvrienden Eduardo en Josep, en keek hij af bij zijn vader Francesc, een koperslager, hoe je met vuur metalen naar je hand zet.

Ook de ruim honderdduizend inwoners van Reus eren hun beroemdste stadgenoot in dit Jaar van Gaudí. Een nieuwe muurschildering, 21 meter hoog en 6,5 meter breed, verbeeldt hem in zijn jongere jaren, gekleed als dandy.

Maar het klapstuk wordt een standbeeld. Pal naast ‘zijn’ San Pedrokerk krijgt dat een prominente plek. Voor het beeld zamelden de Vrienden van Gaudí Reus, een vereniging van bewonderaars, 50 duizend euro in. Zo krijgt de stad eindelijk een passend eerbetoon voor Antoni Gaudí, zegt Maite Gaudí (80).

De voorzitter van de vereniging is verre familie: haar overgrootvader was een oom van Antoni. Omdat de architect geen kinderen had, en ook zijn broers en zussen geen levende afstammelingen meer hebben, is zij een van de laatste dragers van de familienaam.

‘Ze zeggen dat ik zijn ogen heb’, blauw met flitsen van bruin en groen, zegt Maite Gaudí. Zoals de architect zijn Sagrada Familia ontwierp als een woud, met pilaren die vertakken en bovenin een stenen bladerdek vormen, heeft zij zich midden in het centrum van Reus omringd door natuur. Cactussen van 5 meter hoog domineren haar ruime ommuurde tuin. Een schildpad zoekt verkoeling in een badje water.

Maite neemt plaats in de serre. Achter haar staan op een donkerbruin dressoir twee reusachtige portretten van haar illustere familielid. Als ze naar hem verwijst, zegt ze ‘hij’, en wijst ze met een duim over haar schouder naar achteren.

Tot in de hemel

Als gepensioneerd psycholoog waagt ze zich graag aan een analyse van zijn karakter. Een diep religieus man, die aan niets behoefte had buiten het geloof en zijn werk – behalve als jongvolwassene, toen hij in een vrouw met de bijnaam Pepeta een onbeantwoorde liefde kende.

Een man met ‘een IQ dat boven alle metingen uitstak’, maar die zich alleen kon concentreren op dat wat hem interesseerde. Bij zijn afstuderen aan de School voor Architectuur, waarvoor hij op 22-jarige leeftijd van Reus naar Barcelona verhuisde, zou de schooldirecteur zich hardop hebben afgevraagd of hij een diploma had uitgereikt aan ‘een genie of een gek’.

Hij kon ook een driftkikker zijn, zonder geduld voor degenen die hij zag als onbenullen en ‘mensen die hem lastigvielen of iets van hem wilden’. Maar voor zijn naasten maakte hij tijd, zelfs op de bouwplaats van de Sagrada Familia, een project dat hem zo opslokte dat hij de laatste jaren van zijn leven in de kerk woonde en zich nauwelijks meer verzorgde.

Maite’s vader, hij zal toen een jaar of 12 zijn geweest, zocht Gaudí daar soms op. Van hem heeft ze flarden van herinneringen. L’oncle, Catalaans voor oom, zoals hij de architect mocht noemen, had als tussendoortje ‘altijd hazelnoten in zijn broekzak’. ‘Die groeien hier op het platteland volop.’

‘Wat hij mijn vader ook vertelde, is dat er een toren gebouwd ging worden die tot in de hemel zou reiken.’ Deze Jezus Christus-toren, die woensdag door de paus wordt ingezegend, haalde op 20 februari van dit jaar een hoogte van 172,5 meter. Daarmee is het hoogste punt van de kerk bereikt, al zal het nog zeker acht jaar duren voor de bouw voltooid is.

Het standbeeld dat in Reus verrijst, bestaat uit twee delen. Het eerste is het beeld zelf, gemaakt van brons en 1.90 meter hoog. Dat wordt geplaatst op een stenen voetstuk van nog eens 80 centimeter hoog. Met trots vertelt Maite dat het zandsteen uit dezelfde groeve komt als de bouwstenen voor de Sagrada Familia. Dat heeft ze via de kerk weten te regelen.

Aan wie Gaudí zich zéker zou ergeren, zegt ze, is de steenhouwer die ze heeft ingehuurd om het voetstuk te maken. ‘Die is gisteren ineens met vakantie gegaan.’ Op de onthulling van het beeld, dat was gepland voor eind mei, durft ze geen datum meer te plakken. ‘Gaudí zou ’m een mep met z’n moker geven. Straks is de Sagrada Familia nog eerder af dan ons beeld.’

Ereschuld inlossen

Aan de andere kant van Reus, in een zwartgeblakerde werkplaats, klinkt die middag ook gegrom over de steenhouwer. ‘Zeven dagen in de week werk ik om alles af te krijgen’, zegt Joan Serramià, ‘en die vent grijpt ieder excuusje aan om er tussenuit te knijpen.’

Serramià (63), een gevierde lokale kunstenaar, is de man die door Maite is gevraagd om het bronzen beeld te maken. In de werkplaats, een ambachtelijke smederij, werkt Serramià aan de laatste details.

De buitenste laag is nu nog van donkergrijze boetseerwas; met een klein mesje, zijn lippen geconcentreerd op elkaar geperst, verfijnt hij de revers van het jasje van de architect. Deze Gaudí is die van vóór zijn zelfverwaarlozing: zijn strikje zit recht, zijn baard is vol en golvend.

Zodra Serramià tevreden is, wordt het wassen beeld omhuld met een laag cement en gaat het vijf dagen de oven in. Op 800 graden Celsius smelt de boetseerwas; onder het cement ontstaat een holte in de vorm van Gaudí. Daarin giet Serramià vervolgens vloeibaar brons. Als het brons is gestold, verwijdert hij het cementen omhulsel, en is na vier volle maanden zijn werk eindelijk af.

Hoe terecht alle lof voor Gaudí ook is, Serramià herinnert zich ook een tijd waarin de architect veel minder in de smaak viel. Zijn creaties werden gezien als te apart, te uitzinnig. Als kind reed Serramià langs het Casa Battlò in Barcelona en zag hij hoe ‘de gevel zwart zag van de uitlaatgassen’. En: ‘De vloer van de Sagrada Familia werd gebruikt als voetbalveld.’

In zijn geboorteplaats was de ontvangst van zijn werk tijdens zijn leven lauw. Gaudí kreeg tot zijn teleurstelling in Reus nooit een project toegewezen. Bijna mocht hij in 1904 de façade verfraaien van het Heiligdom van de Genade, de belangrijkste kerk van de stad. De schetsen lagen klaar. Maar door gedoe met omwonenden en een lokale architect kwam het er niet van.

Daardoor heeft Reus wél een straat, wijk, middelbare school, tapasbar, bezoekerscentrum en golfbaan met de naam van Gaudí, maar geen enkel werk van hemzelf. Ook in economische zin doet dat pijn: een façade van de hand van de meester zou drommen toeristen hebben getrokken.

Om de ereschuld van de stad in te lossen, laat Serramià de architect in zijn standbeeld knutselen aan een maquette voor het Heiligdom van de Genade. Ook die vervaardigt hij van brons. ‘Zo kan hij alsnog werken aan het project dat ze hem bij leven niet lieten uitvoeren.’

Status van heilige

Kreeg Gaudí, ook wel Gods architect genoemd, hulp van hogerhand? Een week voordat paus Franciscus vorig jaar overleed, verklaarde hij de Catalaan ‘eerbiedwaardig’. Daarmee zette hij hem op weg naar de status van heilige.

Gefluisterd wordt in Spanje dat Franciscus’ opvolger Leo de honderdste sterfdag, of in ieder geval dit jaar, zou kunnen aangrijpen voor de volgende stap: een zaligverklaring. Daarvoor moet het Vaticaan wel een wonder naar voren schuiven dat Gaudí zou hebben verricht.

Maite Gaudí zou het allemaal niks verbazen. Zij kent een vrouw die van haar dokter had gehoord dat ze blind zou worden. Na zich in een gebed te hebben gericht tot Gaudí zou ze wonderbaarlijk zijn genezen. ‘Ik denk dat hij een heilige kan worden. Hij gaf zich volledig aan de kerk.’

Ook Joan Serramià wil bovennatuurlijke invloed niet uitsluiten. Hem is ter ore gekomen dat Gaudí eens over straat liep, toen een door een paard getrokken kar bijna een wiel verloor. ‘Gaudí, die toen al ouder was, tilde in zijn eentje die zwaarbeladen kar op zodat anderen het wiel konden rechtzetten. Geen idee of dit waargebeurd is. Een mooi verhaal is het wel.’

Anderen stellen zich tevreden met aardse wonderen zoals de Sagrada Familia. Onder wie Anton Soler (75). In banketbakkerij Padreny, die al sinds 1815 in Reus is gevestigd en die Gaudí dus gekend moet hebben, staat hij te wachten om te bestellen. Met zijn golvende grijze haar en baardje heeft hij wel wat weg van zijn bijna-voornaamgenoot. Al loopt Soler er een heel stuk verzorgder bij.

‘Weet je, ik noem mezelf een radicaal atheïst’, zegt hij bij het afrekenen van een zoet gebakje met pijnboompitten. ‘In die zin dat ik niet in een persoonlijke, katholieke God geloof. Maar de werken van Gaudí helpen me om te geloven dat er wel íéts is. Dat is wat schoonheid met je doet.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next