Home

Bronnen van levensvreugde

Toen Jean-Jacques Rousseau in 1761 de roman Julie ou la nouvelle Héloïse had gepubliceerd, lieten sommige lezers weten zo hard te hebben gehuild dat ze meteen van hun verkoudheid af waren. Weliswaar waren er in de achttiende eeuw zeurpieten die beweerden dat lezen een gevaarlijke verslaving was, een gekte, maar men ervoer kennelijk ook de gunstige effecten ervan.

Een eeuw eerder hadden mensen nog met smaak naar openbare ophangingen gekeken; in de achttiende eeuw ontwikkelden ze tedere gevoelens aan de hand van romans over freules en hun onderwijzers. Opeens huilden ze. Ze snotterden. Ze snikten zich gezond.

Dit is een tamelijk onbetrouwbare samenvatting van een radioprogramma dat de BBC heeft gemaakt over de geschiedenis van het lezen. Nu het lezen op zijn retour loopt, mensen minder vaak lezen en kinderen nauwelijks nog in staat zijn te lezen, vroeg columnist James Marriott zich in een serie uitzendingen af wat het de mensheid heeft gebracht en wat er gebeurt als we er binnenkort mee stoppen.

Aan wetenschappers ontlokte hij inzichten over de effecten van geletterdheid op de democratie en het brein, maar enfin, dat hebt u allemaal wel eens vaker gelezen. Interessanter was de vraag of de eenzame positie van de lezer heilzaam of onheilzaam is: doen lezers empathie voor anderen op of zonderen ze zich juist van hen af? En zullen nieuwe vormen van informatieverwerving het isolement van het individu opheffen of versterken?

De vraag dook niet alleen op bij de BBC. Opeens had iedereen het over het belang van interactie. Over de dialoog die belangrijk is voor de ontwikkeling van het ik. Over de relatie tussen individu en gemeenschap. In feite klampten zo angstaanjagend veel mensen me de laatste tijd aan over de onontbeerlijkheid van onderlinge contacten dat ik af en toe even de innerlijke wipbrug moest ophalen en mezelf moest toeroepen: ‘Ik ben een bron van stilte.’

Er kwam een dichteres voorbij die schreef over de verschrikkingen van de oorlog. Er kwam een dichter uit Zuid-Amerika voorbij die zich van de academische gemeenschap had afgewend en nu familie was van de maan. En van de zon. „Op jouw dag komen we samen, drinken we je gefermenteerde chicha, dansen we met honderd gemeenschappen.” Na aankomst in Nederland was hij meteen naar de Maas gegaan om voor de rivier te zingen.

Alles en iedereen had het over afzondering en toenadering, over empathie en het gebrek eraan, uniek zijn en verbonden zijn. Iedereen had erover geschreven, gedichten en boeken; vanuit hun werkkamer stuurden mensen me artikelen over nabijheid die ik op mijn scherm las. Er zat iets achttiende-eeuws in al die mensen die de bemiddeling van het schrift nodig hadden om dichterbij te komen.

In de achttiende eeuw hadden lezers hun afzondering gebruikt om een kennisgemeenschap te vormen. Doordat ze hun informatie uit boeken haalden, waren ze opeens niet langer afhankelijk van anderen die het leven kenden. Ze lazen en dus waren ze alleen, maar ze deelden kennis en dus waren ze tegelijkertijd samen.

En nu wilde in 2026 iedereen, werkelijk iedereen, onmiddellijk en op het zelfde moment weten hoe dit zonder het lezen verder zou gaan. Het liefst vandaag nog. Een piepjonge geleerde deelde een artikel over het begrip betrokkenheid in de eenentwintigste eeuw. Hoe eenentwintigste-eeuwse technologieën ons beschrijven – „how technologies narrate or co-narrate our actions” – werkt anders dan in de boeken. Dus hoe kweken we in deze eeuw empathie?

Ik werd er uiteindelijk bloednerveus van. Al dat denken en al die zorgen! Welke kant willen we op? Worden we allener of doen we meer samen? „Ik ben een bron van stilte”, riep ik, maar dat hielp niet meer. En toen, net op het moment dat ik dreigde de brug definitief op te halen, las ik iets laconieks van de psychoanalyticus Adam Phillips.

Ja, er zijn gevaren en spanningen, schreef hij in zijn boek Unforbidden Pleasures. Maar we zouden ook kunnen beginnen te beseffen „dat we uitzonderlijk veel genoegen aan elkaars gezelschap kunnen beleven en dat dit grotendeels toegestaan is”. En omdat dit het simpelste was wat ik in lange tijd over betrokkenheid had gelezen, stapte ik mijn werkkamer uit en liep de wereld in.

Al dan niet bij toeval woonde ik een lezing bij van de filosoof Harry Kunneman over ‘oncontroleerbare bronnen van levensvreugde’. En door al die onverboden genoegens en die bronnen van levensvreugde wist ik helemaal zeker dat ik de rest van de week alleen nog gefermenteerde chicha wilde drinken en over straat wilde slenteren. En als u absoluut wilde weten hoe we in vredesnaam in de toekomst zonder schrift tot elkaar moeten komen, dan zou u dat ditmaal volstrekt zelf moeten verzinnen.

Literatuur

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next