Wij moeten als samenleving accepteren dat sommige kinderen niet ‘beter’ worden. En dat een klinische setting, op afstand van alles wat vertrouwd is, voor deze kinderen het tegenovergestelde is van hulp.
Het is 2008. Levi zit met zijn vader aan de keukentafel. Zijn vader werkt als geestelijk verzorger in jeugdgevangenis Teylingereind en heeft goed nieuws: jongeren die civielrechtelijk werden opgesloten, ter bescherming van zichzelf, zullen voortaan niet meer op dezelfde gang verblijven als strafrechtelijk geplaatste jongeren. Er komt een aparte plek voor hen: De Vaart, naast Teylingereind.
Op dat moment is Arne kinder- en jeugdpsychiater in opleiding en hoort hij ook van deze ontwikkeling; het lijkt hem eveneens een mooi idee. Al merkt hij ook dat er binnen de ggz niet veel aandacht aan wordt besteed; ‘dat gaat toch niet over onze doelgroep?’ is wat hij vaak hoorde.
De nieuwe vorm van jeugdzorg kreeg de naam JeugdzorgPlus. Een beveiligde, gestructureerde omgeving zou rust bieden aan jongeren met de zwaarste psychiatrische en gedragsproblematiek. Bescherming in combinatie met behandeling, geen bestraffing. Tot op de dag van vandaag geloven wij dat de mensen die JeugdzorgPlus bouwden, dit deden met de beste kennis van toen.
Over de auteur
Levi van Dam is hoogleraar veerkrachtig opgroeien aan de Universiteit van Amsterdam en bestuurder van Garage2020. Arne Popma is afdelingshoofd en hoogleraar psychiatrie aan het Amsterdam UMC.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
In totaal hebben sindsdien ongeveer 25 duizend jongeren in de JeugdzorgPlus gezeten. Elk met een naam, elk met een verhaal. Geplaatst in een systeem dat hen moest beschermen. Terugkijkend zien we dat we velen van hen opsloten, isoleerden en beschadigden. Wat er op twee van dit soort JeugdzorgPlus-locaties gebeurde, de ZIKOS-afdelingen in Harreveld en Zetten, is nu gedocumenteerd in twee rapporten van Jason Bhugwandass, ervaringsdeskundige en onderzoeker.
In zijn eerste rapport, Eenzaam Gesloten (2024), sprak hij met 51 jongeren. De bevindingen waren eensluidend en onthutsend: jongeren die gemiddeld 20,5 uur per dag op hun kamer zaten. Jongeren die niet mochten huilen. Jongeren die werden uitgescholden, gekleineerd en gefixeerd voor het kleinste vergrijp. Jongeren die seksueel grensoverschrijdend gedrag ervoeren van medewerkers, en niet werden geloofd als zij dit meldden.
Het rapport verscherpte en verdiepte bevindingen uit andere onderzoeken en rapporten van wetenschappers die rond die tijd uitkwamen, bijvoorbeeld het rapport Ik laat je niet alleen van de Academische Werkplaats Risicojeugd.
Een deelnemer aan dat eerste rapport, een meisje van 19 jaar, zat ‘s avonds te bedenken hoe ze zichzelf van het leven kon beroven zonder haar moeder te veel trauma te bezorgen. ‘Voor de trein springen? Nee, dan kan mama mij niet meer identificeren.’ Haar moeder schreef een in memoriam voor de eerste pagina van het rapport. Haar dochter stierf terwijl Jason nog aan het schrijven was. De Verenigde Naties classificeerde deze vorm van zorg, na het verschijnen van het eerste rapport, als marteling.
In zijn vervolgrapport, Eenzaam Gestorven (2026), sprak Jason opnieuw met 49 jongeren. In de tussenliggende twee jaar stierven zeven van hen. Ze waren 16, 17, 19, 20, 21 en 26 jaar oud. Vier pleegden suïcide. Twee kozen voor bewust stoppen met eten en drinken. Eén ontving euthanasie.
86 procent van de 49 levende deelnemers geeft aan een vorm van complexe traumaklachten te ervaren. De helft van de deelnemers geeft aan recent een zelfmoordpoging te hebben ondernomen; bijna een op de drie heeft een euthanasieverzoek ingediend of zit in een verstervingstraject. Slechts tien van de 49 hebben passende behandeling. Dertig hebben geen passende zorg.
Wat is er met de bevindingen uit het eerste rapport gedaan? Na de publicatie in 2024 volgden debatten in de Tweede Kamer. Een motie werd aangenomen om excuses te maken. De ZIKOS-locaties gingen dicht.
En daarna verdween het verhaal. Op dit moment zijn er nog geen excuses. Geen nazorg voor de jongeren die deelnamen aan het onderzoek. Van de zeven aanbevelingen uit het eerste rapport werd er precies één opgevolgd: de sluiting.
Terugkijkend zegt een van de nabestaanden: ‘Ik had het fijn gevonden als ze in levende lijve een excuus had gekregen. Na het overlijden hadden ze excuses moeten aanbieden. Publiekelijk, maar ook persoonlijk aan mij. Zodat ik het postuum kan aannemen. En dat het gericht is aan haar, niet aan mij.’
Jason Bhugwandass is ervaringsdeskundige. Hij zat zelf in de jeugdzorg. Hij kent de muren van binnenuit. En toch, of misschien juist daardoor, heeft hij als geen ander het vermogen om deze jongeren te bereiken en hun verhalen te documenteren. Dat is bewonderenswaardig en indrukwekkend. Maar het is ook een aanklacht.
Want het feit dat een ervaringsdeskundige in zijn eentje twee rapporten moet schrijven om deze jongeren zichtbaar te houden, laat zien hoe structureel wij als sector en als samenleving wegkijken bij fouten die we maken en tekortschieten in het leren van onze fouten. Als het gaat om suïcide onder jongeren, kennen we intussen het instrument van de psychosociale autopsie: een systematische, multidisciplinaire reconstructie na een suïcide, om te begrijpen wat er is misgegaan en wat anders had gekund. In de suïcidepreventie onder jongeren is dit inmiddels gemeengoed.
Waarom doen wij dit niet systematisch bij elke jongere die overlijdt als er hulpverleners betrokken zijn? Niet om schuldigen aan te wijzen, maar om te leren. Om te begrijpen wat deze jongeren nodig hadden dat zij niet kregen. En zouden we daarnaast niet structureel en continu moeten leren van elke jongere die wordt doorgeplaatst in de jeugdzorg?
Er is een andere ongemakkelijke waarheid die we hardop moeten uitspreken. Kinderen die scheermesjes inslikken, die keer op keer pogingen tot suïcide doen, die in acute crisis verkeren en waarvoor we nog niet altijd een afdoende behandelaanbod hebben, bij hen is de verschuiving van opvoedverantwoordelijkheid van ouders naar de overheid onmogelijk gebleken. Niet omdat ouders hebben gefaald. Niet omdat professionals niet hard genoeg hebben gewerkt. De problematiek is zo diepgeworteld in vroeg trauma, dat het een illusie is dat een klinische behandeling op locatie dit kan oplossen.
Onze collega Frédérique Coelman omschrijft het treffend: deze kinderen zijn op jonge leeftijd door het leven zelf aangereden. Dat gaan wij niet altijd kunnen oplossen met een behandeling. Dat vraagt om iets anders: het verdragen van ondraaglijk leed. Het uithouden bij kinderen voor wie geen quick fix bestaat. Langdurige ondersteuning en begeleiding, liefst niet op institutionele behandellocaties ver van huis, maar in de vertrouwde omgeving, bij ouders en naasten.
Want wat laten beide rapporten van Jason zien? Dat de instellingen vaak niet de belangrijkste factor zijn die deze jongeren overeind houden. Het is de vriendin die het haar verft. De hulphond die iemand uit een dissociatie haalt. De moeder die elke dag belt. De informele steun die wij als zorgsysteem ondermijnen door jongeren weg te plaatsen uit precies die steunende netwerken.
Wij moeten als samenleving accepteren dat sommige kinderen niet “beter” worden. Dat wij hen dan toch niet mogen loslaten. Dat erbij blijven, nabijheid, continuïteit en veiligheid soms meer waard zijn dan een behandelplan. En dat een klinische setting op afstand van alles wat vertrouwd is, voor deze kinderen het tegenovergestelde is van hulp.
Jason schreef Eenzaam Gesloten. En daarna Eenzaam Gestorven. Niet omdat iemand hem dit vroeg. Niet omdat hij er beter van wordt. Maar omdat hij zag dat zijn lotgenoten dreigden te verdwijnen zonder dat iemand hun namen noemde. Dat is emancipatie in de meest zuivere zin. Niet wachten tot de sector zichzelf hervormt. Niet wachten op een commissie, een rapport van de inspectie, een Kamerdebat. Zelf de pen pakken. Zelf de namen opschrijven. We moeten naar hem luisteren. Niet beleefdheidshalve, niet als vinkje op een participatielijst. Maar echt luisteren.
Wat wij vragen is het volgende. Allereerst: excuses. Publiekelijk en persoonlijk, gericht aan de jongeren bij naam, aan de nabestaanden van hen die er niet meer zijn. Niet als symbool, maar als noodzakelijke voorwaarde voor herstel.
Ten tweede: een systematische psychosociale autopsie na elk overlijden van een jongere waarbij hulpverlening is betrokken en sprake is van doorplaatsing. Niet als schuldvraag, maar als leerproces. Zodat de sector niet afhankelijk blijft van één ervaringsdeskundige die in zijn eentje de namen bijhoudt.
Ten derde: de eerlijkheid om te erkennen dat een behandeling op een gesloten locatie geen oplossing biedt. Dat wat jongeren nodig hebben, langdurige ondersteuning is, dichtbij huis, dichtbij vertrouwde mensen om hen heen. En dat wij als samenleving bereid moeten zijn dat met elkaar te bieden, ook als de resultaten niet direct meetbaar zijn in behandeluitkomsten.
Levi’s vader dronk in 2008 zijn koffie en vertelde over goed nieuws. Arne was als beginnend psychiater enthousiast over JeugdzorgPlus als teken van het ontwikkelingsvermogen van de hulpverlening. De mensen die JeugdzorgPlus bouwden, meenden het en deden dit met de beste kennis van destijds. Dat is geen excuus voor wat er daarna gebeurd is.
Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant