Krijgsmacht Zijn Nederlandse militairen gevechtsklaar? En is dat thuis onderwerp van gesprek? Vijftig defensiemedewerkers praatten daarover op een landgoed in Hilversum. „In Afghanistan had ik mijn broer als contactpersoon opgegeven, omdat ik niet wilde dat mijn vrouw het als eerste zou horen als mij iets overkwam.”
Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht Boudewijn Boots tijdens de bijeenkomst van defensie, op landgoed De Zwaluwenberg in Hilversum
De ombudsman van het Oekraïense leger, Olha Reshetylova, verschijnt maandag tegen het middaguur op een scherm in de Prins Bernhardzaal, op landgoed De Zwaluwenberg in Hilversum. „Ik hoop niet dat jullie ooit in een situatie komen zoals wij”, zegt ze, „de invasie, de oorlog.”
Maar zo ja, dan heeft ze tips. Bijvoorbeeld: betrek partners, kinderen en ouders van militairen vóór het zover is, voor het kritiek wordt. „Zorg dat familieleden de commandant kennen en vertrouwen.” Reshetylova vertelt over vermiste en gewonde militairen, over eenheden die omsingeld werden door Russen. „Er zijn familieleden die de commandant van ‘hun’ militair strafrechtelijk willen vervolgen. Als het misgaat en het vertrouwen ontbreekt, dan willen familieleden bloed zien.”
De ongeveer vijftig defensiemedewerkers in de zaal kwamen naar het landgoed om met elkaar te praten over de mindset van militairen en hun thuisfront. Defensie bereidt zich namelijk voor op een nieuw soort oorlog. De geplande en afgebakende missies naar Litouwen of Afghanistan zijn bekend. Het gezin krijgt dan een kinderboek thuis dat Heel veel kusjes heet, over een schildpad die op reis gaat, en een schildpadknuffel. Er zijn familiedagen in de Efteling, verwendagen, thuisfrontdagen, commandantbrieven met updates, telefooncirkels, contactpersonen voor geestelijke en praktische hulp en een jaarlijkse jeugdbivak voor de kinderen tussen acht en vijftien jaar.
Maar met alle geopolitieke spanningen moet defensie wellicht vooral het eigen grondgebied verdedigen, of dat van een bondgenoot. Het is de hoofdtaak van de krijgsmacht en kan betekenen: overhaast vertrekken, niet weten wanneer en óf je thuiskomt, niet weten of je familie veilig is. „We horen al een tijdje de waarschuwingen van inlichtingendiensten over de dreigingen”, zegt de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, viceadmiraal Boudewijn Boots – hij en zijn staf organiseerden de bijeenkomst. „We weten niet of die waarheid worden, maar het is voorstelbaar.”
Niemand in deze zaal verwacht dat Russische tanks op een nacht ineens Nederland binnenrijden of dat de raketten om ieders oren zullen vliegen. Maar, zegt Boots, „volgens het oorlogsrecht is een kazerne of een inlichtingendienst een legitiem doelwit”. Hun eigen werkplekken dus en ook die van, zeg, cateraars en administratief personeel, medewerkers die er nooit rekening mee hielden direct gevaar te lopen.
Een militair in de zaal noemt ook Rotterdam, of de Eemshaven als doel, „De Amerikanen komen daar aan.” Dat „zijn vrouw en kinderen in Zwolle gebombardeerd kunnen worden”, houdt een ander bezig.
Voor zo’n oorlog stromen bij defensie al vier jaar lang miljarden binnen, worden mensen versneld geworven en opgeleid, wapenorders geplaatst en locaties uitgebreid. Maar er is nog onvoldoende aandacht voor wat ze op dit landgoed ‘de morele component’ noemen.
Zijn Nederlandse militairen wel klaar om te vechten? Praten ze daar thuis over, waar liggen ze ’s nachts van wakker en wat kan defensie doen om te helpen? Staatssecretaris Derk Boswijk (Defensie, CDA) sprak in mei op een internationale conferentie in Amsterdam over het belang van „de wil om te vechten, de innerlijke overtuiging die een eenheid samenhoudt als het moeilijk wordt”.
Daarom liet de inspecteur-generaal afgelopen jaar onderzoek doen naar die morele component, wat resulteerde in een rapport met de ondertitel Je weet waar je voor getekend hebt. Daaruit blijkt dat veel militairen nog altijd niet weten wat voor zo’n nieuwe oorlog precies van hen verwacht wordt – laat staan dat hun thuisfront dat weet. Meer dan de helft van de 430 defensiemedewerkers die de vragenlijst beantwoordde, zei ook niet te weten welke taak te moeten uitvoeren bij een grootschalig conflict.
Dagelijks horen ze vanuit de top dat de krijgsmacht klaar moet staan voor een grootschalig conflict en dat daar hard aan wordt gewerkt. Militairen zijn al vaker en langer van huis door oefeningen.
Maar ze ervaren ook werkdruk, regeldruk en traagheid, een tekort aan collega’s en materieel en ze vertrouwen niet altijd op de kwaliteiten van nieuwe aanwas die een kortere opleiding kreeg en soms „een andere taal” spreekt.
Ook daarvoor waarschuwt Reshetylova. Haar man vecht aan het front en zijzelf strijdt al sinds het begin van de Russische invasie voor de rechten van militairen. Eerst als activiste, nu als ombudsman, aangesteld door president Volodymyr Zelensky van Oekraïne. „Na mobilisatie zal de krijgsmacht nooit meer dezelfde zijn”, vertelt ze. Commandanten hebben dan ineens te maken met een mix van langdurig, goedgetrainde militairen en wat zij ‘burgersoldaten’ noemt. De laatsten nemen niet zomaar orders aan, of verlaten hun posities op het slagveld, vertelt Reshetylova. „Dat zorgt voor veel problemen.”
De defensiemedewerkers in de zaal weten niet goed waar de organisatie precies naartoe beweegt en wat dat voor hen betekent. Dat maakt het ook moeilijk om daar thuis over te praten. Janneke Huisman, officier Geneeskundige Dienst bij de Landmacht, weet nog niet hoe ze het thuis gaat regelen als het zo ver komt, vertelt ze in een pauze. Haar man is opperwachtmeester bij de marechaussee, ze hebben een zoon van een jaar. Als beiden worden opgeroepen, zullen hun ouders of schoonouders voor hem moeten zorgen. Hebben ze dat zo besproken? „Ik wil ze niet nu al ongerust maken.”
De bijeenkomst over hoe om te gaan met het thuisfront.
Nu lukt het militaire stellen nog om met een beroep op een uitzonderingspositie of maatwerk te zorgen dat een van de twee thuis kan blijven om voor kinderen of zieke ouders te zorgen, vertellen militairen. En straks? Huisman: „Dat is nog niet bekend.” Zeven op de tien geïnterviewde familieleden in het onderzoek gaven aan thuis „nooit of soms” te praten over hoe een oorlog het thuisfront kan raken.
Militairen hebben geen keuze als Nederland in oorlog is, zegt ze. „Ik kan nu nog besluiten mijn pak uit te trekken, of mijn partner kan dat doen. Als we straks opgeroepen worden, kan dat niet meer, dan ben je een deserteur.” Op het landgoed is te horen dat sommige militairen zo’n keuze al maken. „Ervaren onderofficieren trekken nu de stekker eruit”, zegt een aanwezige in de zaal. Het onderzoek laat zien dat sommige medewerkers omwille van de dreiging vertrekken, maar ook dat vele zich juist nu gesterkt voelen om te vechten.
Op de stelling ‘Ook zonder thuisfront zetten we personeel in’ klinken ook in de zaal uiteenlopende reacties:
„Ja, uiteindelijk zullen we het moeten doen.”
„Of-ie daarna niet hard wegloopt, is de volgende vraag.”
„Als het thuisfront niet wil dat iemand gaat, komt er frictie.”
„Ik denk dat veel mensen dan toch voor thuis kiezen.”
„Denk van niet.”
„Mijn vrouw is ook militair”, zegt commandant Sander Donker van de 43 Gemechaniseerde Brigade van de Landmacht, in een groepssessie later die middag. Tegen zijn ouders zei hij: „Als wij worden opgeroepen, zijn jullie even met de kinderen. Daar schrokken ze van.”
Een van de twee onderzoekers van het rapport spreekt een groep toe.
Lunch binnen op het landgoed.
Lunch buiten op het landgoed.
Een break-out-sessie.
Het gaat aan het eind van de middag over een definitie van thuisfront, die is nog niet gegeven. De onderzoekers hoorden: mijn straat, de kerk, een broer, kinderen, de voetbalclub, mijn hond. Zijn het ook ex-partners? En moet defensie meer mensen als thuisfront beschouwen? Defensie is met iets meer dan tachtigduizend werknemers (beroepsmilitairen, burgerpersoneel, reservisten) nu al de grootste werkgever van Nederland. Ze schat in voor een grootschalige conflict zo’n 122.000 mensen nodig te hebben.
In het personeelssysteem PeopleSoft kunnen militairen nu twee contactpersonen opgeven die gewaarschuwd worden bij rampspoed. Maar dat zijn niet altijd degenen die militairen als thuisfront zien. „In Afghanistan had ik mijn broer opgegeven als contactpersoon, omdat ik niet wilde dat mijn vrouw het als eerste zou horen als mij iets overkwam”, zegt een militair in een marinepak in een pauze.
Ze moeten er met elkaar over blijven praten, is een van de conclusies deze dag. Ieder gaat daar op de eigen afdeling mee aan de slag. Een andere: defensie heeft in een grootschalig conflict niet alleen het thuisfront, maar heel de samenleving nodig. En dan is er nog de zorg dat familieleden te véél ontzorgd worden. Die zijn gewend elke tien minuten te kunnen appen met hun naasten, de verwachtingen moeten worden bijgesteld.
Niet ieder familielid wil ook alles weten. En er is al veel. De inspecteur-generaal, als hij de dag afsluit: „Toen mijn zoon twaalf was en ik voor de zoveelste keer op missie ging, verzuchtte hij ‘Moet ik nu wéér naar de Efteling?”.
Niet eerder is de rol van het thuisfront van militairen uitgebreid onderzocht. Met alle toenemende geopolitieke spanningen wilde de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht weten hoe beroepsmilitairen, burgerwerknemers, reservisten én hun thuisfront een dreigende oorlog ervaren. Voor het rapport met ondertitel Je weet waar je voor getekend hebt spraken de onderzoekers met 39 deskundigen en 78 defensiemedewerkers. Ze analyseerden de antwoorden van 430 defensiemedewerkers op de vragenlijsten.
Defensiemedewerkers en hun thuisfront blijken niet goed te weten waar ze zich op moeten voorbereiden, laat staan hoe. Ze zijn loyaal aan de krijgsmacht en gemotiveerd, maar ervaren ook stress.
Naasten van militairen maken zich zorgen over praktische zaken. Wie zorgt bijvoorbeeld voor zieke ouders of kinderen als een militair lang weg is en de partner een drukke baan heeft? Wie zorgt voor de kinderen als béíde partners militair zijn? Thuis wordt daar niet veel over gesproken, zo blijkt.
Familieleden geven verder aan zelf niets van defensie te horen en soms horen ze ook niets van ‘hun’ militair. Die is dan niet vaak thuis, geen prater, of wil het thuisfront niet belasten, of mag niet over werk praten, noemen de onderzoekers als redenen. Zeven op de tien naasten gaf aan thuis „nooit of soms” te praten over hoe een mogelijke oorlog het thuisfront kan raken.
Verder maakt 17 procent van de ondervraagde defensiemedewerkers door de toenemende dreiging „andere keuzes in zijn/haar loopbaan”, 8 procent heeft overwogen te stoppen.
De onderzoekers benadrukken het belang van het thuisfront. Een militair die weet dat het thuis goed is geregeld, is gemotiveerder en functioneert beter in de strijd, is de gedachte.
Reageren? Onderzoek@nrc.nl