Van baan veranderen: het is voor bijna niemand zo’n stap als voor een musicus, vaak als kind al serieus bezig met viool of cello. Veel klassieke musici zien de muziek als werk én hobby én hun identiteit. Wat gebeurt er als je dat allemaal loslaat?
is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
‘Je moet een pleister op je mond plakken en weer piano gaan spelen’, was een van de zinnen die Valentina Tóth (31) naar haar hoofd kreeg. En: ‘Zonde, je hebt zo’n talent, je zult zien dat je in no time weer achter de piano zit.’ Tóth is actrice, zangeres, liedjesschrijver en een van de grootste comedytalenten van Nederland.
Maar sommige mensen weigeren dat te geloven, schreef ze in 2024 in haar zomercolumn in de Volkskrant. Want voordat ze door het theater werd omarmd, maakte Tóth naam als klassiek pianist.
‘Ik ben jong in de wereld van de klassieke muziek gerold en durfde lang niet toe te geven dat ik liever iets anders wilde, want ja, ik was er toch goed in?’, schreef ze. ‘Het is misschien moeilijk te begrijpen dat iemand iets goed kan, er zelfs succes mee heeft en toch iets anders gaat doen.’
Veel mensen maken in de loop van hun leven een carrièreswitch. Maar bij geen beroepsgroep lijkt dat zoveel los te maken als bij die van klassieke musici. Waar de meeste mensen tussen hun 16de en 18de beginnen aan de opleiding die zal leiden tot hun beroep, hebben professionele musici er dan doorgaans al zo’n tien jaar aan studie op zitten. Ze konden op de basisschool al niet afspreken met vriendjes, want ze moesten nog een uur (of drie) zwoegen op de cello.
Het maakt dat voor velen het musicus-zijn bepalend is voor hun identiteit. En voor familie, vrienden, collega’s en bewonderaars – de mensen die hebben gezien hoe hard er is gewerkt om het instrument te leren beheersen –, kan het lastig zijn te beseffen dat iemand een ander leven ambieert.
Tóth, in 2022 in Volkskrant Magazine: ‘Mijn omgeving ging ervan uit dat de piano nu eenmaal mijn passie was. Maar ik ben er gewoon ingerold, eigenlijk. Ik was zeker fanatiek, maar ik was niet op mijn gelukkigst.’
Vier ex-musici delen hun ervaringen over hoe het is om (vrijwillig) een nieuw leven te beginnen. Want ook op de operatiekamer of bij een chipmachinefabrikant kun je heus gelukkig zijn.
‘Ik heb het nooit heel prettig gevonden om viool te spelen. Toen ik in 2001 Rusland verruilde voor het conservatorium in Groningen, had ik een technische voorsprong, maar ik kwam er gaandeweg achter dat ik ook iets níét had meegekregen. Iedere keer als ik op les mijn viool uitpakte, zei mijn docent: ‘Enjoy!’ Ik dacht: hoezo? Ik moet een prestatie neerzetten.
‘Voor mij was er geen andere optie dan musicus worden, althans, zo heb ik dat ervaren. Mijn ouders speelden in het orkest van het Mariinskitheater in Sint-Petersburg. Ze deden soms vijf diensten per dag; de helft van het jaar zag ik hen niet, dan zorgde mijn oma voor me. Ze hebben keihard gewerkt om alles mogelijk te maken, dat ik een viool kreeg en masterclasses kon volgen.
‘Eén keer vroeg ik of ik ook naar een gewone school kon. Toen zei mijn moeder: daar word je misschien gepest. Ik neem het mijn ouders niet kwalijk. Rusland is zo corrupt als maar kan, dan bewandel je het veilige pad dat je kent.
‘Toen ik violist was in het Residentie Orkest zou er in 2013 worden gekort op mijn baan vanwege bezuinigingen. Toen heb ik al een beroepskeuzetest gedaan. Het was gewoon een kwestie van wegstrepen wat ik wel en niet leuk vond. Maar ik bleef spelen.
‘In 2017 kwam ik in het Nederlands Kamerorkest, daar kreeg ik eindelijk plezier in het muziek maken. Maar het idee dat ik nog dertig jaar zou spelen in de onzekerheid dat er altijd bezuinigd kan worden, vond ik onverdraaglijk, en ik wist dat ik als zzp’er ongeschikt zou zijn. Ook vond ik dat mijn bijdrage aan de maatschappij tekortschoot. De zalen moesten zo vol mogelijk, waardoor er amper ruimte was voor experiment of uitdagende programmering. Ik had het gevoel dat ik als musicus geen kunst meer maakte, maar een kunstje aan het doen was.
‘Nu geef ik het mes aan. Ik heb me omgeschoold tot assistent op de operatiekamer. Ik werk in het UMC Utrecht. Mijn ouders reageerden verbaasd, maar begrepen me ook. En ze zijn ook trots, gelukkig. In Rusland heeft de gezondheidszorg minstens zoveel aanzien als de kunst.
‘Toen ik mijn vertrek bekendmaakte, kwamen er verhalen los van collega’s die ook met het idee speelden te vertrekken, maar dat niet durfden. Ik zeg: als je twijfelt, onderzoek het. Je kunt ook tijdelijk iets anders doen. En als het dan toch niet bevalt en je komt terug in dat orkest, zit je veel lekkerder op je stoel.
‘Nu vind ik het weer leuk om muziek te maken. Ik heb gitaar leren spelen en geef nog twee keer per maand vioolles. Ik hoef het niet te doen, ik mág het doen.’
‘Als je muziek maakt en je bent er goed in, word je best jong al serieus genomen. Als je dan 12 bent en je komt in de jongtalentklas van het conservatorium, heb je één kant van jezelf al zo ontwikkeld dat het moeilijk is om je andere kanten genoeg aandacht te geven. In mijn ouderlijk huis was ook iedereen met muziek bezig. Mijn vader is componist (Willem Wander van Nieuwkerk, red.), mijn zus is cellist (Mascha, bekend van de band Fuse, red.) en mijn moeder was danseres en ze werkt voor Radio 4. Toen ik op de basisschool zat, maakten mijn ouders de musicals.
‘Toen ik op mijn mijn 24ste aankondigde dat ik natuurkunde wilde doen, zeiden mijn ouders: we hadden altijd al verwacht dat je dat wilde studeren, maar we wilden er niet over beginnen, we wilden je niet sturen.
‘Van de mensen die me goed kennen, heb ik weinig onbegrip ervaren. Maar veel musici die iets verder van me af stonden, reageerden wel bezorgd. Je ziet de angst om iets weg te gooien omdat je zo jong al zoveel hebt opgebouwd. Mijn docent David Kuyken begreep me wel, maar hij zei ook: weet dat je nu allerlei kansen krijgt die later niet meer komen.
‘Ik benaderde muziek altijd heel analytisch. Ik dacht meer over de muziek na dan dat ik speelde. Toen ik eenmaal besloot om voor natuurkunde te gaan, was het alsof er een dam doorbrak in mij: ik hoefde niet langer alles in de muziek te beredeneren, daar had ik nu een andere uitlaatklep voor.
‘Door de muziek zweefde ik in een soort emotionele fantasiewereld, natuurkunde zette me in de echte wereld. Ik vond het ook sociaal gezien een prettigere omgeving op de universiteit, ik ontmoette andere mensen met een analytische levenshouding. Toen ik de keuze had gemaakt, werd muziek maken leuker.
‘Ik heb een promotietraject in de theoretische natuurkunde gedaan in Oxford, maar vond de wetenschap wel eenzaam. Nu werk ik als senior onderzoeker samen met tienduizend anderen aan één machine.
‘Ik speel nog wel piano, maar dan improviseer ik vooral. Mijn vingers zijn in verval qua speeltechniek, ook door onze twee kinderen, waarmee er op een heel andere manier muziek in ons leven is. Dan is repertoire spelen minder bevredigend; dan ben je dunnetjes aan het overdoen wat je vroeger beter hebt gekund. Maar vorig jaar heb ik nog een keer opgetreden met Rosanne Philippens (violist met wie Van Nieuwkerk een album uitbracht, red.). We hebben alle stukken uitgevoerd die voor ons als duo zijn gecomponeerd. Dat was ontzettend leuk.’
‘Mijn moeder speelde viool in het Rotterdams Philharmonisch Orkest, mijn vader was 25 jaar ouder en kunstenaar. Hij keek erg tegen de orkestwereld op. Mijn moeder was zelf laat begonnen met vioolspelen, pas op haar 13de, wat echt uitzonderlijk is om dan toch professional te worden, en wilde dat ik een andere start kreeg. Vanaf mijn 5de stond alles in het teken van de viool. Mijn naam betekent bosviooltje in het Japans.
‘Ik ging vaak met mijn moeder mee op tournee, dat was mijn wereld; mijn vriendinnen waren de dochters van andere orkestleden. Vanaf mijn 6de deed ik al mee aan concoursjes. Ik dacht: dit is het, ik word violist. Maar viool spelen was nooit iets magisch voor mij. De enige keren dat ik mijn vader tegen iemand iets positiefs over mij heb horen zeggen, was als ik een prijs had gewonnen. En dan zei hij tegen mij alsnog: het is niet het Elisabethconcours. Dat heeft een gigantische rol gespeeld in waarom ik viool speel; ik heb geen vragen gesteld.
‘Mijn droom was om het rustige, harmonieuze gezinnetje te hebben dat mijn ouders niet hadden: ik wilde al vroeg twee kinderen, een hond en een kat. Ik was pas 21 toen er een auditie kwam bij het orkest van mijn moeder, en toen werd ik aangenomen. Mijn toenmalige man, een Franse altviolist, had er ook net een baan gekregen.
‘Het saamhorigheidsgevoel dat ik kende uit de internationale jeugdorkesten, miste ik enorm. Ik kwam de eerste twee jaar huilend thuis. Ik verdronk in de hoeveelheid noten en ik merkte dat het al snel goed genoeg was, dat er heel veel werd gefaket op het podium omdat we gewoon te weinig tijd hadden en energie moesten sparen. Maar ik was vooral teleurgesteld in het gebrek aan familiegevoel.
‘Ik bleef altijd de dochter-van. Bij audities ging ik niet meer luisteren, ik vond het schaamteloos hoe mensen werden voorgetrokken. Er werden bètablokkers geslikt en zelfs zwaardere middelen om aan te kunnen blijven staan. Ik haatte het dat niemand elkaar iets leek te gunnen. Om een voorbeeld te geven: de klarinettist kreeg een baan bij het Concertgebouworkest. Die had champagne meegenomen om met een borrel feestelijk afscheid te nemen van zijn collega’s. Het was van: nou, hoe dúrft hij. Je had die lange gezichten moeten zien. Bijna niemand kwam, behalve zijn vrienden.
‘Op een gegeven moment kreeg ik een burn-out, en achter de gesloten deur van een kantoor werd mij verteld dat ik niet voor deze wereld geschikt zou zijn. Ik werd naar een loopbaancoach gestuurd. Ik voelde me geschoffeerd, maar dacht stiekem ook: misschien hebben ze gelijk. Ik moest wel over mijn trots heen stappen. Toen mijn vader overleed, gunde ik mezelf de ruimte om iets anders te proberen.
‘Ik had enorme vooroordelen tegen mensen die gewoon werk deden, achter een computer of in een winkel, alsof wat wij maakten iets verhevens was. Maar toen ik een baan kreeg bij een winkel in Haarlem die gespecialiseerd is in behang en stoffen, voelde ik me meteen zo welkom. En ik was verbaasd toen ze zeiden: lees je maar rustig in, over twee weken kun je dan eens kijken of je een klant kunt helpen.
‘Ik was gewend om 200 procent voorbereid te zijn. Naast mijn werk ik de winkel geef ik nu ook interieuradvies. Als zelfstandige ga ik bij mensen langs met kleurkaarten, vraag ik wat ze missen in huis. Ik ga zo veel mogelijk uit van wat de klant al heeft.
‘Ik mis het orkest helemaal niet. Verdieping vind ik ook in een museum of het theater. Toen mijn moeder met pensioen ging, heb ik nog speciaal voor haar tien minuten meegespeeld in een repetitie. Voor die tien minuten heb ik me twee maanden voorbereid. Ik was blij om de blijdschap die ik bij mijn moeder zag, dat was waar ik het voor deed. Maar ik dacht ook: dat is eigenlijk niet gezond. Nu ze zelf uit die orkestbubbel is, is onze relatie een stuk hechter geworden, en haar wereld groter.
‘Naar concerten gaan, doe ik niet meer. Als ik in de buurt van De Doelen kom (de thuisbasis van het Rotterdams Philharmonisch, red.), sta ik gelijk aan en begin ik te zweten en trillen van de stress. Het is mooi dat ik eindelijk heb ontdekt dat beeld mijn taal is, en dat het magische voor mij zit in de relaties met mensen. Maar soms voel ik me toch een beetje als de zeemeermin Ariël die haar stem verloren is.’
‘Dat ik violist werd, was niet mijn keuze, het was die van mijn moeder – dat had ze al zo bedacht toen ik in de buik zat. Zij was amateurviolist en ik moest haar droom waarmaken.
‘Ik heb het studeren altijd gehaat. 52 jaar lang heb ik het gevoel gehad: ik heb niet genoeg gedaan, ook al had ik een hartstikke goed concert gespeeld. In coronatijd heb ik besloten te stoppen als concertmeester bij Phion (voortgekomen uit een fusie van het Orkest van het Oosten en ‘haar’ Gelders Orkest, red.) en om als freelancer door te gaan. Vorig jaar ben ik helemaal gestopt. Ik had er geen enkele moeite mee mijn viool te verkopen. Alleen mijn vioolkist met prulletjes, die houd ik.
‘Als ik mijn leven over zou doen, zou ik deze loopbaan dan weer kiezen? Nee. Ik wilde Nederlands studeren, ballet vond ik ook prachtig, maar daar had ik dan vroeg mee moeten beginnen. Ik heb er aan de andere kant geen spijt van dat ik niet eerder ben gestopt met vioolspelen. Ik heb een zoon, had een huis te betalen, het zou onverantwoordelijk zijn geweest om er vroeger mee te stoppen. Ik heb een schitterende carrière gehad, en het was ook eervol. Concertmeester zijn is iets wat zoveel mensen ambiëren en jij mag dat zijn.
‘Nu presenteer ik op NPO Klassiek het programma Diskotabel, ik schrijf, geef mental coaching voor musici en ben opgeleid tot vertrouwenspersoon. Dat laatste komt voort uit wat ik miste bij het orkest. Het is in beginsel geen veilige plek. Voor iedere musicus is zijn werk ook zijn hobby en zijn DNA. Maar niemand wil hetzelfde in een orkest.
‘Kritiek wordt al snel persoonlijk. We hebben nooit geleerd openlijk feedback te geven, dat leidt tot geroddel, en met al die verschillende rangen en standen gaat er dan veel mis. Als concertmeester ben je snel het mikpunt. Had ik een keer een date en had iemand me gespot, dan ging het meteen daarover. We praatten veel over en weinig met elkaar.
‘Ik heb een boek gemaakt over mijn switch, Ik vertrek. Het is geen afrekening, wel een steen in de vijver. Het vak van orkestmusicus is mooi, maar verdient verbetering.
‘Ik zit nu met genot in de zaal als luisteraar. Nee, het doet geen pijn. Bij iedere noot van de eerste viool voel ik nog mijn vinger op de snaar, ik voel de trilling onder mijn kin. Het eelt op mijn vingers is weg, maar doordat ik niet meer hoef te studeren, heb ik veel meer tijd om te sporten en voel ik me fitter dan ooit.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant