Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Mijn moeder drukt me een stapel foto’s in handen. Het zijn foto’s van toen ik een baby en peuter was, gemaakt door mijn opa. Op een van de foto’s houdt mijn oma, een vrouw met rossig haar, mij stevig tegen zich aan. ‘Ze was zo gek op je’, zegt mijn moeder. Dat zegt ze vaker, als opvulling voor dat omavormige hiaat in mijn herinneringen. Ze overleed aan borstkanker toen ik nog 2 moest worden. Mijn andere oma kwam om het leven bij een verkeersongeluk toen mijn vader nog een tiener was.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Omdat ik niet beter weet, heb ik oma’s nooit gemist. Wat ook hielp, was dat ik een opa had die ik elk kind gun. Een opa waar ik op schooldagen tussen de middag een broodje at, in het weekend bij bleef logeren en dan naast hem mocht slapen, op de plek waar zijn vrouw altijd had gelegen. Hij nam me mee naar de speeltuin of het bos. Er waren Mentos, dropsmaak. Als die er niet waren, mocht ik ze zelf even gaan halen bij de supermarkt. En of ik dan ook een pakje Barclay en een flesje sherry mee wilde nemen.
Dat was zijn medicatie, tegen de pijn waar hij van kinds af aan mee leefde – op zijn 10de was hij wees geworden. Nadat hij zijn vrouw had verloren, vond hij het zelf ook wel mooi geweest. Het duurde nog een jaar of acht, waarin hij in rap tempo aftakelde, maar dat op geen enkele manier liet merken in zijn warmte en aandacht. Misschien wilde ik het ook niet merken; hij was te groot en te belangrijk om af te brokkelen.
Ik blader door de foto’s en zie mezelf als baby met een ronde kop en daarna als peuter met een bloempotkapsel. Dan opeens zie ik mijn opa. Hij staat op een parkeerplaats ergens in Zandvoort. Achter hem staat een oceaangroene Ford Fiesta uit de vroege jaren tachtig. De zon valt op zijn witte overhemd met korte mouwen. Hij draagt een grijze pantalon met een zwarte riem. Zijn dikke, ontembare, grijswitte haar is half naar achteren gekamd en zijn blik naar beneden gericht. Zijn hand gaat naar zijn borst, alsof hij de pen wil pakken in zijn borstzakje – of het pakje sigaretten. Qua compositie is het een waardeloze foto, de benen van mijn opa stoppen bij zijn knieën en hij heeft zijn ogen dicht. Waarschijnlijk genomen om de camera even te testen.
‘Wil je ze hebben?’ vraagt mijn moeder, en ze knikt naar de foto’s. Ik schud mijn hoofd. ‘Bewaar jij ze nog maar even.’ Ik geef het stapeltje terug. Behalve die van mijn opa op de parkeerplaats. ‘Deze neem ik mee.’
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant