Lieke Marsmans laatste cri de coeur geeft haar boek De dichter en de duivel een dramatische lading die de politieke boodschap ervan versterkt: ‘(…) want niets/ vult de borstkas zo volledig/ als een laatste adem’.
Het was de Britse fysioloog John Scott Haldane die eind 19de eeuw voorstelde om kanaries te gebruiken om koolmonoxide te detecteren in kolenmijnen. Als de vogel stopte met zingen of van zijn stokje viel, moest je je uit de voeten maken.
Mijn stiefvader, dit terzijde, komt uit een mijnwerkersgezin en zijn ouders hadden zo’n kanarie in huis. Op een ochtend troffen ze de kanarie dood aan in zijn kooi en wisten ze dat er een ventilatieprobleem was. De kanarie stierf, de mensen leefden.
De kanarie is de centrale metafoor in De dichter en de duivel, het adembenemende en tegelijkertijd benauwende poëtische essay van Lieke Marsman. In dit verhaal is de kanarie ‘op sterven na dood’, maar de vogel leeft nog steeds.
En als we op een waardige manier samen op deze planeet willen leven, suggereert Marsman, dan is het onze taak om te luisteren naar het lied dat ‘met overgave en uit volle borst’ gezongen wordt.
De dichter is de kanarie die ons komt waarschuwen. Waarvoor? Voor de ‘ongeneeslijk zieke wereld’ waarin we leven. Die oproep is extra urgent omdat we weten dat Marsman zelf ‘die ongeneeslijk zieke dichter’ was.
Vorige week overleed ze, 35 jaar oud.
Die achtergrondinformatie geeft het boek een dramatische lading die de boodschap ervan versterkt: ‘(…) want niets/ vult de borstkas zo volledig/ als een laatste adem.’
*
Marsman vond haar vorm in De dichter en de duivel op een sweetspot, precies tussen abstract en concreet: duidelijk genoeg om haar boodschap over te brengen, maar open genoeg om de verbeelding aan het werk te zetten.
Ze werkt hier in de duidelijk herkenbare traditie van hervertellingen van Dante Alighieri’s De goddelijke komedie (1321), dat hoogst canonieke verhaal over de reis van de mensenziel van zonde via loutering naar goddelijke liefde. Hoe kom je in het reine met jezelf en de wereld om je heen, is Dantes vraag, en zijn reis van hel naar hemel is in de eeuwen na hem inspiratie voor velen gebleken.
Bijvoorbeeld het maatschappijkritische (en soms dubieuze) The Cantos (1915-1962) van Ezra Pound. En The Big Lebowski (1998) natuurlijk, die absurdistische film van Joel en Ethan Coen over ‘The Dude’ die door een moreel verwarde wereld zwerft.
Net als bij Pound en de gebroeders Coen is er bij Marsman geen heldhaftige verlossing of goddelijke orde aan het einde van de reis te vinden, zoals bij Dante. De ik-figuur bevindt zich op de helft van haar leven ‘in een donker woud van managers- en makelaarstaal’.
Opeens staat ze ‘in de diepe zwarte krater/ van alles wat [ze] gezworen had nooit te zijn’ en valt ze naar de eerste binnenring van ‘Onder-Nederland’, waar een ‘zielensaldo’ wordt bijgehouden (een thuisbezorgde pizza kost ‘-0.00005 ziel’). Dick Schoof is haar gids – toch net even iets kleurlozer dan de verheven Vergilius die Dante als gids opvoert.
Vervolgens komt ze in de tweede ring terecht, in ‘een exclusieve hub (…) waar influencers elkaar kunnen ontmoeten’ en waar gehandeld wordt in zielensaldo’s. Daarna de derde ring: de ‘boksring’ van Onder-Nederland, waar ‘zendtijd daarboven (…) verdeeld wordt op basis van ouderwetse vechtpartijtjes’.
In de vierde ring blijkt ‘het domein van de slagkrachtigen’ en daar ontmoet ze haar nieuwe gids, niemand minder dan Gerrit Zalm, met wie ze in een scherpe discussie over het neoliberalisme raakt. Zalm: ‘jij geniet nu toch ook/ van de hypotheekrenteaftrek?’
De dichter: ‘Dat was zo/ We zwegen’.
In de vijfde ring vindt ze een stervende – maar levende! – gele kanarie die artikel 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens reciteert. Het punt: ergens is de waardigheid, de moraal, nog, maar we moeten er actief naar op zoek, er niet van uitgaan dat de kanarie dood is. Ergens wordt een lied gezongen.
In de zesde ring heeft de dichter een date met de duivel, die ‘een klein rood rokje met daarboven een simpel strak T-shirt van bamboe’ draagt. Alsof je naar The Bachelor kijkt: ze missen een ‘spark’, ‘een kriebeltje’, en zetten er ‘een punt’ achter.
Het is nogal een kneusje, die duivel van Marsman. Doet niet echt zijn best ook om de dichter aan de haak te slaan, ze zijn geen ‘soulmates’. Heel komisch, maar zwart-komisch: de duivel hoeft niet te verleiden omdat het Kwaad overal is.
En uiteindelijk de plottwist: in de zevende ring komt de dichter erachter dat de hel ook gewoon bovengronds aanwezig is. In koele taal beschrijft ze wat we iedere dag al in de krant kunnen lezen. De feiten: ‘Nederland heeft de afgelopen jaren voor 2 miljard aan Israëlische wapens aangekocht.’ En daarna onomwonden: ‘Israël pleegt genocide.’
Zit geen woord Frans bij. Het is publieke informatie, maar door het te presenteren als onderdeel van deze zevende, bovengrondse ring kun je er niet omheen: het is de hel.
*
Hoe kaart je als schrijver de problemen van je tijd aan? Je ontkomt tegenwoordig moeilijk aan iets van fatalistische systeemkritiek, vaak geïnspireerd op Fredric Jamesons stelling dat het makkelijker is je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.
Ook Marsman lijkt in eerste instantie vanuit die gedachte te vertrekken. Maar wat het weergaloze De dichter en de duivel onderscheidt van andere recente maatschappijkritische fictie, is het metafysische fundament ervan. Niet religieus-utopistisch, niet vaag spiritueel, maar verankerd in de alledaagse politieke realiteit (‘soms is de grond gewoon de grond’).
Geen wensdenken én geen defaitisme, en precies daardoor durf je te geloven in de hoopvolle slotregels:
we wisten het niet, dat er veel meer dan dit bestond
een wanordelijk gespeld maar helder prachtig paradijs
al die kanaries, al die kolenmijnen
Lieke Marsman: De dichter en de duivel. Uitgeverij Pluim; 120 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant