Angst is niet de drijvende kracht achter homofobie. Dat is haat. En als het ons doel is om die haat te bestrijden, dan moet onze taal dat weerspiegelen.
Woorden doen ertoe. Ze vormen hoe we de wereld begrijpen, hoe we spreken over onrecht en hoe serieus we dit nemen. Nu het juni is, de officiële Pride-maand, kleurt de samenleving solidair in alle kleuren van de regenboog. Maar achter de vlaggen en festiviteiten schuilt een harde realiteit: een van de meest gebruikte termen in discussies over discriminatie van lhbti-personen, ‘homofobie’, slaagt er niet in om het probleem dat het probeert te belichten nauwkeurig te beschrijven.
De lhbti-gemeenschap wordt nog steeds dagelijks geconfronteerd met intimidatie, uitsluiting en geweld. Daarom denk ik dat het tijd is om ons af te vragen of dit woord niet meer kwaad dan goed doet. De term ‘homofobie’ suggereert angst. Een fobie wordt gedefinieerd als een irrationele angst of afkeer. Fobieën zijn aandoeningen die voortkomen uit angst, niet uit vijandigheid. Wanneer iemand een homokoppel verbaal mishandelt, queer personen gelijke rechten ontzegt of geweld tegen hen pleegt, is angst niet de drijvende kracht, maar haat.
Over de auteur
Berber Timmerman studeert Media Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Door dit gedrag een ‘fobie’ te noemen, wordt de realiteit ervan afgezwakt. Het suggereert dat degenen die discrimineren bang zijn, in plaats van verantwoordelijk voor hun daden. Deze manier van framen kan schadelijk gedrag verontschuldigen. Angst wordt immers vaak gezien als iets onvrijwilligs, iets dat iemand overkomt. Haat, daarentegen, is een keuze. Het wordt aangeleerd, versterkt en vervolgens in daden omgezet.
Onderzoek binnen de sociale psychologie laat zien dat negatieve houdingen tegenover lhbti-personen vaak geworteld zijn in culturele normen en de wens om sociale verhoudingen in stand te houden. Zo stelde Herek (2000) dat wat doorgaans ‘homofobie’ wordt genoemd, beter begrepen kan worden als seksuele vooroordelen: een geheel van negatieve opvattingen gebaseerd op oordelen en maatschappelijke normen. Ook Hudson en Ricketts (1980), die de term ‘homofobie’ mede populair maakten, erkenden al dat het geen klinische fobie was in de traditionele betekenis van het woord.
‘Homofobie’ wordt al decennialang gebruikt in de academische wereld, de media en het activisme. Hoewel de term bekend en herkenbaar is, zou hij niet enkel uit gewoonte gebruikt moeten worden. Daarom is het tijd dat de term ‘homohaat’ de nieuwe standaard wordt.
In tegenstelling tot ‘homofobie’ verhult ‘homohaat’ niet wat er schuilgaat achter discriminatie. Het benoemt het rechtstreeks. Door het woord ‘homohaat’ te gebruiken, leggen we de verantwoordelijkheid waar die hoort: bij de mensen die de lhbti-gemeenschap schade toebrengen. Duidelijkere taal kan activisme versterken, doordat de boodschap moeilijker te negeren wordt. Wanneer we iets noemen voor wat het werkelijk is, maken we het voor de samenleving moeilijker om weg te kijken.
Natuurlijk zal het veranderen van één woord discriminatie niet beëindigen. Haat zit diep verankerd in maatschappelijke structuren, en het aanpakken ervan vraagt om onderwijs, beleidsveranderingen en culturele verandering. Maar taal is een beginpunt; het vormt hoe mensen dingen waarnemen. Bovendien zou deze verschuiving praktische voordelen kunnen hebben. Rechtssystemen erkennen ‘haatmisdrijven’ al als een aparte categorie strafbare feiten. Door ons dagelijkse taalgebruik beter op dit kader af te stemmen, kunnen we de ernst van discriminatie tegen lhbti-personen extra onderstrepen. Het geeft een duidelijk signaal af dat deze daden geen misverstanden of irrationele angsten zijn, maar bewuste handelingen waarvoor verantwoordelijkheid moet worden genomen.
Als iemand die deel uitmaakt van de lhbti-gemeenschap is dit verschil belangrijk. De ervaring van veroordeling en uitsluiting voelt niet als gevreesd worden, maar als het doelwit zijn van haat. Onze taal zou die realiteit moeten weerspiegelen, niet verhullen. Woorden dragen gewicht. Wanneer wordt gezegd dat iemand ‘bang’ voor je is, wordt er verantwoordelijkheid bij de slachtoffers gelegd. Wanneer we erkennen dat mensen haat jegens je koesteren, verschuift deze verantwoordelijkheid naar waar zij hoort.
Juist tijdens de Pride-maand, waarin we vieren hoe ver we zijn gekomen, moeten we ook kritisch kijken naar wat er beter kan. Solidariteit tonen betekent immers ook de realiteit durven benoemen. Uiteindelijk is de vraag eenvoudig: willen we taal die gemakkelijk is, of taal die nauwkeurig is?
‘Homofobie’ heeft misschien ooit een doel gediend, maar vandaag de dag schiet het tekort. Het verzacht de aard van het probleem en de impact ervan. Het is tijd om het te noemen wat het is. Geen angst. Geen misverstand. Haat.
En als ons doel is om die haat te bestrijden, dan moet onze taal dat weerspiegelen: helder, eerlijk en zonder excuses.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant