Het klimaat verandert in rap tempo, met rampzalige gevolgen voor de natuur. Toch blijken sommige dier- en plantensoorten verrassend adaptief. Hoe reageren flora en fauna in Nederland op de, volgens de VN waarschijnlijke, 2,5 graden wereldwijde opwarming?
‘O, ja, ja, ja, ja, ja, ja! Fantastisch zeg’, roept Vroege Vogels-presentator Menno Bentveld, vermaard om zijn onbevangen enthousiasme. De reden tot opwinding, deze keer, is een heuse Europese bijeneter. In diens lichtgebogen snavel draagt hij een prooi, zijn roodbruine vederdos glanst in de zon.
Het vogeltje doet tropisch aan, zo afgestoken tegen een strakblauwe lucht. Toch bevindt Bentveld zich niet in Zuid-Spanje of Noord-Afrika, waar de Europese bijeneter voorheen vooral rondfladderde, maar in natuurgebied Oranjezon in Zeeland.
Met een graafmachine probeerden beheerders van het Zeeuwse duingebied hun hooggeëerde bezoekers een broedplek te bieden, vertelde een van hen trots in het BNNVara-programma vorige zomer. Met succes: de bijeneters doorboorden de afgraving met gangetjes en legden daarin hun eieren.
Op gepaste afstand staat een hekje, bedoeld om fotografen tegen te houden – de komst van de bijeneter brengt nogal wat teweeg. Hij geldt als een welkome bijkomstigheid bij een van de grote bedreigingen voor de natuur: klimaatverandering.
Want ja, de klimaatcrisis is in volle gang. De gevreesde grens van 1,5 graad opwarming wordt dit jaar misschien al aangetikt; volgens VN-milieuprogramma Unep stevenen we op 2,5 graden af in 2100. In Europa stijgt de gemiddelde temperatuur zelfs nog rapper en is de 2,5 graad al bereikt.
Ook de catastrofale gevolgen voor flora en fauna zijn uitgebreid vastgelegd. Denk aan een hittegolf die in één klap 4 miljoen zeekoeten wegvaagt, massaverbleking van koraalriffen of, dichter bij huis, het groeiende risico op natuurbranden.
Maar weerbare natuur is er ook, zo toont de bijeneter, die zijn heil simpelweg elders is gaan zoeken. Welke dieren en planten komen er nog meer bij? En hoe verweren onze inheemse flora en fauna zich tegen de opwarming? Drie manieren waarop dieren en planten op klimaatverandering reageren, geschetst met hulp van experts.
Nederland kent meer nieuwkomers: denk aan de kleine zilverreiger, de steltkluut, de kolibrievlinder, en – tot grote schrik van het arachnofobe smaldeel van de bevolking – de valse wolfspin.
Al die nieuwbakken landgenoten hebben we in ieder geval deels te danken aan klimaatverandering. Enerzijds verdrijven hogere gemiddelde temperaturen, perioden van droogte, of extreme weersomstandigheden soorten uit hun originele habitat; anderzijds breiden ze zich uit naar eerder onaantrekkelijke plekken, waar het inmiddels goed toeven is.
‘Op veranderende omstandigheden kunnen soorten globaal gezien op drie manieren reageren: ze sterven, ze passen zich aan, of ze migreren’, legt dierecoloog Marcel Visser (Nioo-KNAW) uit. Vooral voor vogels lonkt die laatste optie. Vinden ze het ‘thuis’ te warm of te droog, dan vliegen ze simpelweg naar de polen. Dieren zonder vleugels schuiven minder makkelijk met hun ideale leefklimaat mee.
Bij planten gaat dat al helemaal lastig: op hun wortels naar een koeler plekje waggelen zit er voor hen niet in. Maar over meerdere generaties kunnen plantensoorten wel degelijk migreren. Vogels, mensen en de wind verspreiden zaadjes noordwaarts, waardoor nakomelingen in aangenamere omstandigheden terechtkomen. Ook op lokale schaal vinden zulke vluchtbewegingen plaats, vertelt ecoloog Jonas Lembrechts (Universiteit Utrecht): ‘Bijvoorbeeld van een droog, warm weiland naar een koeler bos.’
Onder de streep zal klimaatverandering plantensoorten honderden kilometers naar het noordoosten drijven, voorspelden wetenschappers van het Europees Milieuagentschap in 2009 al. Hetzelfde geldt voor dieren: de ideale temperatuur voor broedvogels schuift zelfs met 550 kilometer op, was destijds de verwachting, ongeveer de afstand tussen Parijs en Groningen.
Let wel: een soort Groningen aan de Seine zal hoe dan ook uitblijven, benadrukt Visser. ‘Zelfs bij exact dezelfde gemiddelde temperatuur zorgen daglengtes en neerslagpatronen voor een ander leefklimaat. Opschuivende soorten zullen zich daar sowieso aan moeten aanpassen.’
Voor bomen gaan de verschuivingen doorgaans te snel, vertelt bosecoloog Meike Bouwman. ‘Door hun relatief lange levenscycli, die soms wel eeuwen duren, kunnen ze het tempo van klimaatverandering maar lastig bijbenen.’
Langdurige droogte, zo blijkt uit haar promotieonderzoek aan de Wageningen Universiteit, zet bomen flink onder druk. ‘Vooral naaldbomen, zoals de douglasspar en de Japanse lariks, soorten die begin deze eeuw in groten getale zijn aangeplant voor houtproductie, hebben het zwaar.’ De fijnspar is op sommige plekken zelfs al ten dode opgeschreven, aldus Bouwman. Nekslag is de letterzetter, een schorskever die door droogte verzwakte sparren en masse de das omdoet.
Een helpende hand van natuurbeheerders, die bomen uit warmere oorden importeren, moet uitkomst bieden. Zo staat de hoofdstad wat onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam betreft binnenkort vol oosterse platanen: brede, uit het oostelijke Middellandse Zeegebied afkomstige bomen met stekelige, ronde vruchtjes die elk klimaatscenario naar verwachting zullen doorstaan.
Hoeveel nieuwe soorten zich – op eigen houtje of niet – in Nederland zullen vestigen, en in hoeverre de door het Europees Milieuagentschap voorspelde verschuivingen waarheid worden, is nog grotendeels in nevelen gehuld.
Wereldwijde cijfers zijn er wel, bijvoorbeeld in een overzichtsstudie uit 2023 in vakblad Environmental Evidence. Gemiddeld schuiven dier- en plantensoorten per decennium 11,8 kilometer naar de polen op, blijkens een ruwe schatting van de auteurs.
De natuur heeft nog een ander wapen tegen veranderende omstandigheden in het arsenaal: evolutie. Exemplarisch is de zandraket: een klein stoeptegelminnend plantje dat geregeld onder de vlam van een onkruidverdelger belandt.
De zandraket is gewend om in zeer barre situaties te overleven en daardoor in potentie uitstekend bestand tegen klimaatverandering, vertelt Martijn van Zanten, universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht.
Van Zanten werkte mee aan een groot experiment, beschreven in vakblad Science. Onderzoekers plantten 231 zandraketvarianten uit drie werelddelen op dertig percelen, om te observeren hoe de soort reageert op snelle veranderingen in haar omgeving.
Conclusie: drie jaar en drie generaties later zijn de meeste zandraketten prima aangepast, en dus zouden ook snelle klimaatverschuivingen bij te benen moeten zijn.
Van Zanten: ‘De zandraket wordt vaak gebruikt voor onderzoek, omdat hij een heel korte levenscyslus heeft. Maar ook veel andere planten zijn ontzettend weerbaar, mits de populatie genetisch divers genoeg is.’
Zo is in een andere recente Science-publicatie te lezen hoe razendsnelle evolutie een wilde bloemensoort in Noord-Amerika door een periode van extreme droogte heen loodst. ‘Een zeldzame reden tot hoop op het gebied van natuurbehoud’, aldus vooraanstaand ecoloog Mark Cuban in een begeleidend commentaar, met de kanttekening dat de soort op sommige plekken wel degelijk verdween.
Ook sommige dieren weten knap op nieuwe klimatologische omstandigheden in te spelen. Neem de koolmees, die dankzij klimaatverandering concurrerende bonte vliegenvangers is gaan afslachten.
Oorzaak was een domino-effect, door twee biologen omschreven in Current Biology: het warmere Nederlandse klimaat leidt ertoe dat de rupsenpopulatie, waaraan beide vogelsoorten zich graag tegoed doen, eerder piekt.
Koolmezen anticiperen hier goed op, omdat ze ook ’s winters in Nederland vertoeven. Bonte vliegenvangers overwinteren in West-Afrika, waar het klimaat minder snel verandert, en hebben van daaruit minder zicht op het Nederlandse weer. Gevolg: wanneer een vliegenvanger bij een Drents nestkastje arriveert, liggen er steeds vaker al koolmeeseieren in. En die verdedigen de ouders doorgaans tot de dood.
Dierecoloog Visser doet al decennialang onderzoek naar zulke effecten van klimaatverandering op voedselketens. ‘Subtiele verschuivingen in die voedselketens kunnen verstrekkende gevolgen hebben. Sommige soorten passen zich sneller aan dan andere, en dat verstoort de kwetsbare verhoudingen binnen ecosystemen.’
Het goede nieuws is dat veel soorten veranderingen in leefklimaat tot op zekere hoogte kunnen opvangen, dankzij gedragsverandering of evolutie. Maar elke soort heeft een limiet. Hoe sneller de omstandigheden veranderen, hoe eerder die limiet wordt bereikt.
Visser: ‘2,5 graad zal de koolmees bijvoorbeeld nog wel overleven, maar de populatie zal wel afnemen.’ Of neem de zandraketten van Van Zantens collega’s in woestijngebieden. ‘Die legden het loodje, omdat het daar te droog en te warm was’, vertelt hij.
We moeten ons dus niet al te rijk rekenen door al die weerbaarheid, waarschuwt Lembrechts van de Universiteit Utrecht. Hoeveel soorten zich precies staande weten te houden is lastig vast te stellen, maar de situatie is zonder meer zorgelijk.
Cijfers zijn in Nederland niet voorhanden, dus wijst hij ter illustratie naar de Alpen, waar soortgelijke verschuivingen plaatsvinden. Elk decennium stijgt de gemiddelde temperatuur daar met 0,36 graad en verschuiven flora en fauna met 18 tot 25 meter bergopwaarts, zo blijkt uit een grote overzichtsstudie in Biological Reviews.
Tot op zekere hoogte bewegen soorten dus mee, maar de temperatuur stijgt zo snel dat bijna geen dier, plant of schimmel het kan bijbenen, constateerden de Zwitserse auteurs. ‘En lukt dat wel, dan komen ze op het gegeven moment het topje van de berg tegen, waardoor ze geen kant meer op kunnen’, zegt Lembrechts.
Zulke onoverkomelijke barrières komen ook in Nederland voor. Zo wacht de berendruif, een dwergstruikje dat alleen nog op het relatief koude Terschelling te vinden is, een soortgelijk lot. Zet de opwarming door, dan roept de Noordzee een verdere noordwaartse vlucht een halt toe. Ook steden of industrieterreinen kunnen planten- en dierenmigratie in de kiem smoren.
2,5 graad opwarming zal onze flora en fauna dan ook flink onder druk zetten, verwacht Lembrechts. Gedegen schattingen voor Nederland zijn niet voorhanden, maar wereldwijd loopt een op de twintig dier- en plantensoorten gevaar bij 2,7 graad opwarming, zo becijferde ecoloog Mark Cuban in Science.
En dat is nog buiten die andere grote Nederlandse bedreiging voor de natuur gerekend: stikstof.
‘Zonder stikstofuitstoot zouden veel soorten zich nog wel staande kunnen houden in onze regio. Maar nu versterken beide problemen elkaar.’ Sterker: door stikstof verschuiven veel plantensoorten nu nog naar het westen in plaats van het noorden, blijkens een Science-onderzoek van Lembrechts en collega’s.
Dat de realiteit weerbarstig is, blijkt ook uit het Statusrapport Nederlandse Biodiversiteit 2025. De ene soort profiteert van klimaatopwarming, terwijl de ander juist dubbel wordt geraakt, door klimaat én stikstof, zo is daarin te lezen. Toch is het rapport duidelijk: door de bank genomen is de Nederlandse biodiversiteit er bar slecht aan toe.
Lembrechts’ doembeeld is een neerwaartse spiraal. Hoe meer de tandem stikstof-klimaatverandering onze natuur doet verschralen, hoe meer de gebieden waar dieren en planten verkoeling zoeken óók onder druk komen te staan. Om over allesvernietigende bosbranden nog maar te zwijgen.
Het gevolg is griezelig: ‘Een landschap van dorre grasvlakten waar op de meeste plekken weinig interessants te zien is.’
Naast CO2- en stikstofreductie is weerbaarheid van natuur cruciaal om verschraling te voorkomen, benadrukt Lembrechts. ‘We moeten een omgeving creëren met buffer- en schuilplaatsen, waar klimaatverandering minder voelbaar is.’
‘Bijvoorbeeld met diverse bossen met verschillende boomsoorten’, die het niet afleggen tegen één schorskeverplaag tijdens een extreem droge zomer, zegt bosecoloog Bouwman. Of, zo tipt Lembrechts: ‘Door al die private tuinen in Nederland een beetje ecologisch in te richten. Met tegels wippen en de hekken tussen tuinen verwijderen, kun je qua biodiversiteitswinst een verrassend eind komen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant