Volgens socioloog Ulrich Beck raakt de behoefte aan welvaart verzadigd. Daardoor groeit de aandacht voor de gevaren die de toegenomen rijkdom veroorzaakt.
Als iemand Ben van Beurden in zijn tijd als baas van Shell wees op de gevaren van zijn product, kaatste hij de bal graag terug, en vaak met succes. Ja, zei hij dan, onze benzine draagt bij aan de uitstoot van broeikasgassen en dus aan klimaatverandering. Maar jij bent degene die in een auto met een verbrandingsmotor wilt rijden. Wij leveren wat jij vraagt, wat jij nodig hebt.
Daar valt weinig tegen in te brengen. Het laat zien hoe lastig het kan zijn om precies te bepalen wie verantwoordelijk is voor welke klimaatschade. Dat sluit aan bij de Risikogesellschaft, de ‘risicomaatschappij’ waar de wereld volgens de in 2015 overleden socioloog Ulrich Beck naar op weg is. In zijn gelijknamige boek beschrijft hij hoe de wereld verandert van een uitsluitend op welvaart gebaseerde maatschappij, naar een samenleving waarin keuzes steeds vaker worden gedicteerd door de gevaren die het streven naar welvaart met zich meebrengt.
PFAS, kernafval, het coronavirus, klimaatverandering – de risico’s van de moderne maatschappij zijn volgens Beck onzeker en onberekenbaar, vaak ook complex en grensoverschrijdend en in het ergste geval zelfs onomkeerbaar. En, zoals met de benzine van Shell, bijna altijd draagt iedereen een deel van de verantwoordelijkheid voor de schade die deze risico’s kunnen veroorzaken.
Beck publiceerde zijn boek precies veertig jaar geleden, in 1986. Dat was het jaar waarin de kernramp in Tsjernobyl ineens een harde realiteit maakte van zijn abstracties over de gevaren van de industrialisatie. Het ongeluk liet zien hoe de risicomaatschappij zich onontkoombaar aan de wereld opdrong. De wereld bevond zich volgens Beck in een overgang van de oude naar een nieuwe moderniteit. Dat was niet zomaar een verandering. Nee, het ging om een Verwandlung, een metamorfose. Bestaande oplossingen en instituties die eerder uitstekend hadden gewerkt, pasten niet langer bij de nieuwe tijd.
De oude moderniteit, nauw verbonden met de industriële revolutie, was in de eerste plaats gericht op het creëren van welvaartsgoederen. Logisch, want daar waren er in de 19de en vroeg-20ste eeuw te weinig van. Industrie bracht inkomen, bezit en uiteindelijk ook sociale emancipatie. Daarvoor werden smog, verlies van natuur en een vaak ongezonde leefomgeving voor lief genomen.
Maar inmiddels raakt – in ieder geval in westerse landen – de behoefte aan welvaart verzadigd. In de nieuwe moderniteit ontstaat volgens Beck steeds meer aandacht voor de schadelijke bijwerkingen van de vooruitgang. De vraag is niet langer hoe de rijkdom verdeeld kan worden, maar hoe de risico’s verdeeld moeten worden. Hoe om te gaan met de gevaren die de rijkdom met zich meebrengt?
In het begin lukt het misschien nog om de nevenschade van de welvaartsgroei buiten de deur te houden, zeker in het rijkere deel van de samenleving. Maar voor je het weet, keren de gevaren als een boemerang terug bij degenen die ze hebben veroorzaakt. Voor de opwarming van de aarde kun je uiteindelijk nergens meer schuilen; PFAS zit inmiddels in ieders bloed, ook als je niet dicht bij de fabriek woont waar deze onafbreekbare stoffen worden geproduceerd.
Voor klimaatjurist Tim Bleeker was de theorie van Beck al tijdens zijn studie een eyeopener. Hij is inmiddels universitair hoofddocent klimaatrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, en ook nu nog biedt Beck aanknopingspunten voor de omgang met juridische vraagstukken over klimaatverandering.
„Becks theorie toont blinde vlekken in ons denken”, legt Bleeker uit in een interview. „Moderne risico’s vragen om een andere logica. Welvaart kun je produceren en verhandelen, maar de verdeling van risico’s los je niet op met vrijemarktdenken. Zo van: we hebben hier een hittegolf of een tropische ziekte die zich gaat verspreiden, een koraalrif dat afsterft, wie biedt? Dit soort neveneffecten van het creëren van welvaart vallen nog steeds buiten het systeem. We gaan er niet verantwoord mee om.”
In een artikel, Nieuwe normen voor moderne risico’s (in een uitgave van de Vereniging voor Milieurecht in 2020), vat Bleeker het probleem als volgt samen: „De productie van welvaart is direct en gewenst, terwijl de productie van risico’s een ongewenst, onvermijdelijk en cumulatief bijproduct is. Anders dan bij een schaarste aan welvaart kan een schaarste aan veiligheid niet verholpen worden door ‘meer veiligheid’ te produceren.”
Hoe langer de gevaren worden genegeerd, zegt Bleeker in navolging van Beck, hoe prangender ze worden. Maar de politiek lijkt niet opgewassen tegen de moderne risico’s, of het nu gaat om het stikstofdossier, klimaatbeleid of de aanpak van watervervuiling. Politici hebben moeite met langetermijnproblemen, zeker als ze complex en grensoverschrijdend zijn, veel geld kosten en van burgers vragen om hun leven anders in te richten. Ook de wetenschap, in de oude moderniteit de bron van absolute waarheid, biedt onvoldoende bescherming. Sterker nog, wetenschap en technologie creëerden nucleaire straling, microplastics en kunstmatige intelligentie, zonder voldoende rekening te houden met de gevolgen. Politiek en wetenschap volgen nog steeds eerder de logica van de welvaartsverdeling dan van de risicoverdeling, schrijft Bleeker in zijn artikel.
Ook Bleekers eigen vakgebied, het recht, zit vaak nog vast in de oude moderniteit. De rechtspraak is nog altijd sterk georiënteerd op het (achteraf) beoordelen van schade. „Dat past in de liberale maatschappij”, zegt Bleeker. „Je bent vrij, zolang je de vrijheid van een ander niet beperkt. Dat is natuurlijk ook iets fijns, iets wat je het liefst zo zou willen houden.”
Maar de risicomaatschappij laat dat niet toe, stelt Beck. De gevaren zijn daarvoor te groot. Het gaat om schade die koste wat het kost voorkomen moet worden. Het recht grijpt daarom naar het voorzorgsprincipe. „Niet langer geldt: iets is toegestaan tenzij het gevaarlijk blijkt te zijn, steeds vaker geldt: iets is pas toegestaan als het veilig is”, zegt Bleeker. „Dat kun je met recht een paradigmawisseling noemen. In klimaat- en stikstofzaken gaat het niet meer alleen over schade die iemand aantoonbaar berokkend heeft. Nee, rechters kijken vooruit. Ze zeggen tegen een overheid of bedrijf: we willen dat je het beleid of het businessmodel in lijn brengt met wat nodig is voor veiligheid.”
Becks metamorfose is nog niet voltooid. Misschien zal Shell, als het eenmaal zover is, toch verantwoording moeten afleggen voor het verkopen van benzine en de schade die zijn product heeft veroorzaakt.
Dit is de laatste aflevering van de rubriek ‘Als het maar verandert’, over de dilemma’s die opkomen bij de grote transities in samenleving en economie door de noodzaak van verduurzaming. Voorgaande afleveringen zijn hier terug te lezen.