is huisarts en schrijver.
‘Als je op zoek bent naar logica moet je niet in de zorg gaan werken.’ Deze bekende uitspraak uit het satirische tv-programma Koefnoen schoot onlangs weer door mijn hoofd toen ik een bericht las op zorgplatform Skipr: zorgverzekeraars hielden in 2025 gemiddeld 92 euro per verzekerde aan premiegeld over. Hun financiële reserves groeiden opnieuw fors, met bijna 20 procent. En dat terwijl hun verzekerden steeds vaker en steeds langer moeten wachten op passende zorg.
Neem de geestelijke gezondheidszorg. Volgens de Algemene Rekenkamer blijft daar al sinds 2012 jaarlijks zo’n 300 miljoen euro aan zorggeld onbesteed. In 2018 stelde staatssecretaris Paul Blokhuis notabene dat zorgverzekeraars niet verplicht zijn om geld voor het terugdringen van ggz-wachttijden ook daadwerkelijk daaraan uit te geven. Het mag ook worden ingezet om premies te verlagen. Dat is aantrekkelijk voor zorgverzekeraars, wetende dat burgers hun polis vooral selecteren op basis van de hoogte van de premie. Simpel gezegd: een hogere premie kost klanten, terwijl verzekerden die geen huisarts kunnen vinden of vastlopen op een wachtlijst een verzekeraar veel minder direct raken.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Net als in de ggz bestaat ook in de huisartsenzorg een miljoenenonderbesteding. Rechterlijke uitspraken maken juist duidelijk dat tarieven onvoldoende meegroeien met de werkelijke kosten van personeel en huisvesting, en het aantal patiënten zonder huisarts stijgt. De vraag is dan ook waarom geld dat expliciet voor huisartsenzorg is bedoeld op de plank blijft liggen, in plaats van ingezet voor toekomstbestendige tarieven.
Ik ben mij ervan bewust dat zorgverzekeraars verplicht zijn om reserves aan te houden om onverwachte kosten op te vangen, maar wanneer is een reserve gezond en wanneer wordt het een te dikke spaarpot? De wettelijke minimumeis is een solvabiliteit van 100 procent. Veel zorgverzekeraars zitten inmiddels rond de 150 procent of zelfs daarboven. Daarbij geldt ook nog dat de grootste financiële risico's collectief afgedekt worden via het systeem van risicoverevening. Verzekeraars krijgen compensatie voor verzekerden met chronische aandoeningen, complexe zorgvragen en hoge zorgkosten. Dus waarom blijven de buffers steeds verder groeien?
Het doet denken aan een gemeente die merkt dat de brandweer structureel te laat arriveert en daarom extra geld uittrekt voor vijf nieuwe bluswagens. Aan het eind van het jaar blijken ondanks meerdere uitslaande branden slechts twee bluswagens besteld te zijn. Het grootste deel van het budget verdwijnt in de gemeentepot. ‘Goed nieuws’, zegt de gemeente ook nog. De gemeentebelasting hoeft volgend jaar niet omhoog. De meeste burgers zijn tevreden, totdat ze zelf twintig minuten moeten wachten op de brandweer terwijl hun huis in vlammen opgaat.
Nergens lijkt financieel succes zo los te staan van prestaties als in de zorg. Een school wordt niet beloond voor minder lessen, de politie niet voor minder veiligheid en Rijkswaterstaat niet voor gesloten bruggen. In vrijwel elke andere publieke sector geldt het niet uitvoeren van taken als een tekortkoming, maar in de zorg lijkt die logica soms omgekeerd: terwijl de financiële positie van zorgverzekeraars sterker wordt, neemt de toegankelijkheid van zorg af.
Burgers krijgen ondertussen (ook van mij) te horen dat zij hun verwachtingen over zorg moeten bijstellen. Dat gesprek is nodig in een samenleving met vergrijzing, personeelstekorten, en een idee dat gezondheid maakbaar en controleerbaar is. Extra geld alleen lost die problemen niet op. Maar het omgekeerde geldt ook. Geld dat bedoeld is voor zorg, maar uiteindelijk niet aan zorg wordt besteed, verkort geen wachtlijsten en vergroot geen capaciteit. Kijk naar de fysiotherapie. Vorig jaar stopte één op de tien fysiotherapeuten met het vak en 70 procent overweegt hetzelfde te doen.
De belangrijkste reden is de lage vergoedingen van zorgverzekeraars. Zoals een fysiotherapeut het verwoordde: ‘Ik heb een hbo-opleiding, maar verdien evenveel als een medewerker bij de Etos of McDonald’s.’ Is het dan vreemd dat zorgverleners vertrekken en personeelstekorten ontstaan? Het probleem zit niet alleen in personeel of capaciteit, maar ook in de kloof tussen de zorg waarvoor we betalen en de zorg die daadwerkelijk beschikbaar is.
Wie twintig minuten op de brandweer moet wachten terwijl het budget voor een extra brandweerwagen ongebruikt blijft liggen, zou dat slecht beleid noemen. Waarom geldt die logica niet voor de zorg?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant