Ze zijn al vrienden sinds hun schooltijd, schrijvers Ronald Giphart en Bert Natter en striptekenaar Jean-Marc van Tol. Nu Natter de Libris Literatuur Prijs heeft gewonnen, zitten ze in een ‘Bert-bubbel’. Gesprek over onderlinge competitie, gedeeld leed en een afgezegde barbecue.
Het is nu niet meer aan ze te zien, maar ooit, toen cartoonist Jean-Marc van Tol (58) en schrijvers Ronald Giphart (60) en Bert Natter (58) nog Baarnse tieners waren, raakten ze met enige regelmaat verzeild in een stevige knokpartij.
‘Vooral jij was een vechtersbaas’, zegt Giphart tegen Van Tol, die dat grinnikend beaamt. ‘Als iemand wilde vechten, zei ik meteen: oké!’
We zijn met Natter, Van Tol en Giphart – vrienden sinds hun middelbareschooltijd op het Baarnsch Lyceum – in café Prins Hendrik in Baarn, hun vroegere stamkroeg. Destijds dronken ze hier hun eerste glazen bessenjenever, nu drinken ze alcoholvrij bier.
Ze wijzen naar een straathoek verderop. Daar stonden hun grootste tegenstanders van toen meestal te wachten: volkse jongens op knetterende Kreidler-motorfietsen. ‘In hun ogen behoorden wij tot de kakkers, terwijl we erg links waren’, zegt Van Tol. Maar er waren ook aanvaringen met de echte ‘teringkakkers’, zegt Giphart. ‘Die kozen bleekneuzen zoals wij uit om ruzie mee te maken.’
Van Tol: ‘Mijn broertje heeft een keer een gebroken been opgelopen tijdens een gevecht met die Kreidler-jongens. Ik heb daarna een keer iemand echt z’n tanden uit zijn mond geslagen, omdat hij een jas had gestolen. Toen dacht ik wel: waarom eigenlijk?’
Giphart: ‘Maar gelukkig hadden we Wouter, de broer van Bert, dat was een beer van een vent. En jij, Bert, was er ook niet vies van om af en toe een klap uit te delen.’
Natter: ‘Alleen als het echt nodig was.’
Giphart: ‘Jij had zo’n techniek, dat je iemand boven op z’n hoofd slaat met je vuist. Hoe heet die?’
Natter: ‘De Bud Spencer-techniek. Maar volgens mij was dat mijn broer.’
Inmiddels is het drietal van middelbare leeftijd, met volwassen kinderen en voorspoedige carrières. Giphart is sinds zijn debuut in 1992 met de roman Ik ook van jou een constante in de literatuur. Daarnaast is hij presentator van De taalstaat op Radio 1, een programma over de Nederlandse taal. Van Tol is een van de makers van de Fokke & Sukke-cartoons, die sinds 1999 dagelijks verschijnen in NRC. Alleen Natter bleef lange tijd buiten de schijnwerpers, met romans die vaak goed ontvangen werden, maar zelden op bestsellerlijsten belandden.
Maar op dit moment zitten we toch echt in een ‘Bert-bubbel’, aldus het drietal. ‘Omdat het nu zo veel over mij gaat’, legt Natter uit. We spreken de vrienden twee weken nadat hij met Aan het einde van de oorlog, een boek over een etmaal in een concentratiekamp van de nazi’s, de Libris Literatuur Prijs heeft gewonnen. Een doorbraak in Natters carrière en een heuglijk moment voor een vriendengroep die al bijna een halve eeuw meegaat.
Opvallend veel van de dromen die ze op het Baarnsch Lyceum koesterden zijn werkelijkheid geworden. Het drietal is in de Prins Hendrik bij elkaar gekomen om te vertellen hoeveel ze aan elkaar en hun schooltijd te danken hebben, of ambitie en vriendschap elkaar in de weg kunnen zitten en hoe je een vriendschap zo lang in stand houdt.
Van Tol: ‘Vooral Ronald is daarin een spil geweest. Hij is degene die de kudde wil hoeden, ervoor wil zorgen dat iedereen bij elkaar blijft.’
Natter: ‘Jij hebt ook wel een verheven idee van vriendschap, Ronald. Dat zit in jou, dat zie je ook terug in je boeken.’
Giphart: ‘Misschien is het een beetje romantisch, maar ik hou van het idee dat we elkaar al op de middelbare school hebben ontmoet en ooit samen doodgaan.’
Hun gelederen zijn in de loop der jaren behoorlijk uitgedijd. Zo zijn inmiddels ook journalist en schrijver Jerry Goossens en regisseur Robert Jan Westdijk, bekend van Zusje (1995) en de verfilming van Gipharts roman Phileine zegt Sorry (2003), bij de groep aangesloten. Maar die waren er nog niet bij in Baarn, op die wat chique, stijve, overwegend rechtse middelbare school, waar deze drie mannen ‘buitenbeentjes waren, op onze eigen manier’, aldus Natter.
Giphart en Van Tol vertellen smakelijk over hun eerste kennismaking. Een dag voordat hij op het Baarnsch Lyceum begon, had Van Tols vader hem verteld over een zoon van zijn collega, ook een leerling op het lyceum, met de naam Ronald Giphart, die net als hij van striptekenen hield. Een pauze lang dwaalde Van Tol door de school, op zoek naar deze Giphart.
Van Tol: ‘Toen ik hem eindelijk vond, was ik het helemaal zat. Dus ik zei: ik kom je in elkaar slaan!’
Giphart: ‘Bert en ik hebben een vergelijkbaar verhaal. Hij liep door de gang met soldatenkistjes aan, dus ik riep: vieze fascist! Hij antwoordde: ik ben helemaal geen vieze fascist, ik ben een vieze cómmunist!’
Natter: ‘Maar daarvoor wist ik al dat je bestond, want mijn broer had gezegd: in mijn klas zit iemand, dat is net zo’n knurft als jij.’
In elkaar vonden ze niet alleen vrienden die een liefde voor tekenen en literatuur deelden, maar ook bondgenoten voor hun grootse, vaak ontregelende plannen. ‘Omdat wij net iets anders waren dan die kakkers die gingen hockeyen, konden we ons daar lekker tegen afzetten’, zegt Van Tol. Toen hij bijvoorbeeld besloot zich verkiesbaar te stellen voor de leerlingenraad, werd Giphart zijn campagneleider.
Giphart: ‘Eén rijk, één school, één Van Tol, stond op de poster.’
Van Tol: ‘Goeie grappen waren dat. Al werd deze wel gecensureerd. En eigenlijk konden we geen gratis bier beloven…’
Giphart: ‘Maar dat deden we wel!’
Natter: ‘Als we nu op die school hadden gezeten, waren we eraf gestuurd.’
Ook Jos Bus (81), hun voormalige muziekdocent, herinnert zich de geldingsdrang van het drietal nog goed. Een dag voor de ontmoeting in de Prins Hendrik vertelt hij vanuit zijn huis in Frankrijk telefonisch over zijn oud-leerlingen, met wie hij nog altijd regelmatig contact heeft.
‘Vooral Jean-Marc en Ronald waren wereldbestormers, bij hen moest ik er vooral voor zorgen dat ze niet te hard uit de bocht vlogen’, zegt Bus. ‘Bert was anders, die bleef meer op de achtergrond. Hij was een ongelooflijk lieve, bescheiden jongen, die wel veel ideeën en kunde had.’
Als Bus wordt gevraagd wat Natters winst bij de Libris Literatuurprijs hem deed, breekt zijn stem. ‘O man... Nu schiet ik even vol. Die hele schoolperiode was gewoon zo fantastisch.’
De mannen begrijpen wel dat Natters succes hun oude leraar zo raakt. Giphart: ‘Wij kunnen daar zelf ook geëmotioneerd van worden. Voor ons is die schoolperiode zo vormend geweest.’
Van Tol: ‘Ik kan me voorstellen dat een leraar die creativiteit altijd zo heeft gestimuleerd nu denkt: missie volbracht.’
Bus nam het drietal mee naar concerten, organiseerde een theaterwerkweek en begeleidde de schoolkrant, de Animo, waarbij ze zich uiteindelijk alle drie aansloten. ‘Ik weet dat ze dankbaar zijn voor de mogelijkheden die ze hebben gekregen’, zegt Bus. ‘Maar dan zeg ik altijd: jullie hebben die ook gecreëerd. Jullie zaten nooit als brave honden te wachten tot meneer wat brokjes in het bakje deed, maar kwamen zelf met eindeloos veel plannen.’
Om maar iets te noemen: in de derde klas, voordat Natter en Giphart zich aansloten bij de schoolkrant, richtten ze met een stel vrienden de Uitlaat op. Een tegenhanger van de Animo die, volgens Giphart, ‘veel meer punk’ was. In de garage van een vriend drukten ze blaadjes met tekeningen van Van Tol en teksten van Natter en Giphart, die ze voor een gulden verkochten op school. Met de opbrengsten sloegen ze drank in en gaven ze feesten.
Natter: ‘De verhaaltjes in de Uitlaat die serieus bedoeld waren, waarin we literair probeerden te doen, zijn echt niet te harden. Maar wat grappig bedoeld was, is nog steeds grappig.’
Giphart: ‘Ik heb ooit op mijn kop gekregen van de rector omdat ik in de Uitlaat een aflevering van Toppop een kutuitzending had genoemd, in hoofdletters. In het nummer daarna stond op een pagina heel groot het woord ‘kut’. Toen ben ik nog bijna geschorst. En de Uitlaat werd verboden.’
Natter: ‘We hadden ook een feuilleton waarin we de denkwereld en het taalgebruik van onze leraren probeerden te doorgronden. Mensen vragen me weleens of het moeilijk was om me voor Aan het einde van de oorlog in te leven in een nazi. Daarvoor was dat feuilleton achteraf gezien een goede stijloefening. Al wil ik ons lerarenkorps natuurlijk niet gelijkstellen aan de leiding van een concentratiekamp.’
Over de vraag wat de jongens destijds dreef, lopen de antwoorden enigszins uiteen. Volgens Giphart wilden ze met de Uitlaat indruk maken op een groepje meisjes. ‘Voor hen leerden we gedichten uit ons hoofd’, zegt hij. Maar Van Tol werpt tegen dat hij op dat moment allang verkering had. ‘Schrijvers hebben altijd hun eigen verhaal’, verzucht hij.
Giphart: ‘Nou ja, ik denk ook dat we het gewoon leuk vonden om samen dingen te maken. Maar we waren ook wel bezig met succes.’
Van Tol: ‘Ik zei altijd: we gaan het maken, jongens!’
Giphart: ‘Volgens Jean-Marc moest je dat eerst doen binnen het ecosysteem van je middelbare school, daarna in je studententijd en dan in het echte leven.’
Natter: ‘Daar was ik niet zo mee bezig. Ik wilde vooral indruk maken op mijn vrienden, en voornamelijk op Ronald. We schreven vaak samen, dan probeerden we de ander zo aan het lachen te maken dat hij niet meer verder kon. Ik ben enorm eenkennig, dus wij waren met z’n tweeën een vervelend gesloten front. Jean-Marc duldden we nog net.’
Van Tol: ‘Eigenlijk waren jullie de Paul McCartney en John Lennon van het Baarnsch Lyceum.’
Natter: ‘We waren redelijk onuitstaanbaar.’
Ook Bus zag dat de jongens elkaar wilden aftroeven. ‘Ellebogenwerk’, noemt hij dat gekscherend. Vooral tijdens de jaarlijkse kunstwedstrijd van het Baarnsch Lyceum, die in het leven was geroepen door Ronad Giphart, kwam dat naar voren: het ene jaar schreven Natter en Giphart een toneelstuk, het jaar daarop Van Tol met zijn vriend Eric de Koning, die ook nog altijd tot hun vriendengroep behoort. ‘Dan was er wel concurrentie, ja’, zegt Bus. ‘Maar uiteindelijk was hun saamhorigheid groter. Ze gunden elkaar veel.’
Giphart: ‘Die onderlinge competitie was een enorme aanjager voor de kwaliteit van wat we maakten. Maar ik speelde ook gewoon mee in de stukken van Jean-Marc, en hij in die van ons.’
Pas in hun studententijd sloop de eerste échte wrevel hun vriendengroep binnen. Toen de ster van Giphart razendsnel rees nadat Ik ook van jou was verschenen, was Van Tol nog een zoekende student Nederlands.
Van Tol: ‘Ik was trots op hem, maar vond het ook stom dat mijn vrienden ineens via mij met Ronald in contact wilden komen. Ik had zoiets van: Ronald heeft succes, en ik ben 25 en ik heb nog niks bereikt.’
Giphart: ‘Jalousie de métier – heel begrijpelijk. Je hebt me toen ook die brief geschreven.’
De brief in kwestie telde zeven kantjes. Daarin kraakt Van Tol Gipharts tweede roman Giph (1993), over een jonge schrijver die zich door het Utrechtse studentenleven manoeuvreert, genadeloos af. ‘Hij vond dat ik hem nooit had mogen schrijven’, zegt Giphart. Dat kwam deels doordat Van Tol, die als ‘kunstenaar Jean-Marc’ zelf een rol speelde in het boek, vond dat Giphart enkele zaken wel heel anders voorstelde dan ze daadwerkelijk waren gelopen. Maar enige afgunst speelde ook mee.
Als reactie daarop stuurde Giphart hem een striptekening, die inmiddels in het Letterkundig Museum hangt, met daarbij de tekst: ‘Al die mensen met een mening, ik krijg er soms een kutkop van!’
Van Tol: ‘Ik zat ook gewoon te zeiken. Nu vind ik Giph je beste boek.’
Natter werkte toen Giphart debuteerde nog als redacteur bij een uitgeverij. ‘Ik maakte Ronalds succes mee vanuit de marge, maar daar heb ik nooit moeite mee gehad’, zegt hij. ‘Ik heb toen wel geprobeerd een roman te schrijven, maar ik kreeg te horen dat het een soort Giphart 2.0 was. En dat was het ook. Toch heb ik nooit gedacht: jeetje, waarom debuteer ik nou niet. Als het net wat anders was gelopen, had ik nu nog steeds bij een uitgeverij gewerkt – en ik denk dat ik dan ook heel gelukkig was geweest.’
Giphart: ‘Daar is hij ook echt goed in. Hij heeft me op het goede pad geholpen met Ik ook van jou. Eerst was ik bezig met een heel ernstig boek. Maar ik had in die tijd ook een brief geschreven aan de vrouw op wie mijn hoofdpersoon gebaseerd was. Mijn toon daarin was veel losser, en Bert heeft me toen aangeraden om zo ook mijn roman te schrijven. Sindsdien is hij altijd mijn eerste lezer.’
Van Tol: ‘Mijne ook, hoor.’
Natter: ‘Jullie normaal gesproken ook die van mij.’
Normaal gesproken, want bij Aan het einde van de oorlog ging dat anders. Pas tien dagen voor het manuscript naar de drukker ging, stuurde Natter het naar Van Tol en Giphart.
Natter: ‘Ik was bang dat jullie zouden zeggen: Bert, schrijf toch een gewoon boek, dit werkt niet. En omdat ik jullie zo serieus neem, zou ik daar ook naar luisteren.’
Giphart: ‘Maar ik zei meteen: dit is wereldliteratuur. Zo’n boek wordt maar eens in de tien jaar geschreven.’
Van Tol: ‘Je twijfels waren inderdaad totaal niet nodig. Al denk ik wel dat het boek – als we iets meer tijd hadden gehad – nóg beter had kunnen worden.’ Ze schieten alle drie in de lach.
Natter: ‘Ik ben gewoon te meegaand van karakter. Inmiddels weet ik dat ik het best tot mijn recht kom als ik iets op mijn eigen manier uitwerk. Dat geldt voor ons allemaal, denk ik. We hebben onze eigen richting gevonden en hebben elkaar niet altijd meer nodig, zoals we dat op de middelbare school wel hadden.’
Giphart: ‘Bert en ik hebben nog wel wekelijks gesprekken over de techniek van het schrijven.’
Natter: ‘Ik denk dat ik nu niet zou schrijven als ik Ronald niet had ontmoet. Ik vond het wel leuk, maar door hem ging ik geloven dat het echt een carrièrepad is.’
Giphart: ‘Ik weet nog wanneer dat was. In 1982, we hadden net het boekenweekgeschenk gekregen, van Maarten ’t Hart. Toen zei ik: Bert, wij kunnen dit ook.’
Inmiddels is duidelijk dat dat niet alleen jeugdige bravoure was. Maar dat ze nu alle drie gevestigde namen in het culturele landschap zijn, betekent ook dat het lastiger is om elkaar regelmatig te zien.
Van Tol: ‘Een maand geleden had ik voor alle vrienden een barbecue georganiseerd, en dan zegt Ronald op het laatste moment toch weer af.’
Giphart: ‘Dat is waar, ja, maar ik moest de volgende dag De taalstaat presenteren.’
Natter: ‘Vooraf zeg je dan wel heel moedig ja.’
Giphart: ‘Maar dan komt het dichterbij, en dan hebben we de volgende dag een moeilijke gast...’
Natter: ‘Ik ben er ook lang niet altijd bij, hoor. Vooral toen Lidewij nog thuis woonde.’
Lidewij is Natters meervoudig gehandicapte dochter, over wie hij in 2022 het boek Leven met Lidewij schreef. De zorg voor Lidewij vergde veel van Natters gezin. Tegelijkertijd werd door haar komst de band tussen de drie vrienden verdiept. Met name Van Tol en Natter kwamen nader tot elkaar. Lidewij, Van Tol en Natter gingen regelmatig wandelen. ‘Dat deden we zo vaak, dat ik haar echt begon te begrijpen’, zegt Van Tol. ‘Ze heeft een gebruiksaanwijzing, maar uiteindelijk had ik aan één teken van Bert al genoeg om te weten wanneer ik mijn mond moest houden. Dat is een verrijking van onze vriendschap geweest.’
Giphart: ‘Ook toen Wouter, de broer van Bert, overleed, heeft dat ons dichter bij elkaar gebracht. Ik heb mijn boekenweekgeschenk aan hem opgedragen. En tijdens de begrafenis van mijn vader stond een tekening van Jean-Marc op de kist.’
Natter: ‘Praten met een vriend die zo’n groot deel van je leven heeft meegemaakt, zorgt er ook voor dat het verleden bereikbaar blijft.’
Van Tol: ‘Ik kan me niet voorstellen dat deze vriendschap er ooit niet meer zal zijn.’ Daar helpt dit apparaatje trouwens ook bij.’ Hij houdt zijn telefoon omhoog. ‘Daardoor hebben we iedere dag contact met elkaar. Dat konden onze ouders niet.’
Giphart: ‘Zij gingen ook heel anders om met hun vrienden, zij deelden niet zoveel.’
Natter: ‘Ze wisselden vooral belevenissen met elkaar uit. Hun gesprekken met vrienden gingen niet erg de diepte in.’
Giphart: ‘Jij bent trouwens aan de beurt om weer iets te organiseren, toch, Bert? Of gaat dat veranderen nu je zo succesvol bent?’
Natter: ‘Ja, daar wilde ik het dus nog even over hebben.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant