Het conflict rond Nexperia legde nog maar eens bloot hoe kwetsbaar Europa is op het gebied van cruciale computerchips. Deze week lanceerde de Europese Commissie een plan om daar wat aan te doen. Hoe moeilijk kan het zijn, de eigen chipindustrie een opkikker geven?
is economieredacteur van de Volkskrant en schrijft over technologie, waaronder de Europese chipindustrie.
Aan de rand van de Oost-Duitse stad Dresden, op een industrieterrein nabij het vliegveld, zit de vaart er lekker in. Hier wordt een ‘megafabriek’ voor chips uit de grond gestampt. En zowaar, de boel loopt op schema. Volgend jaar moet het complex, met 45 duizend vierkante meter aan hoogtechnologische fabriekshallen verdeeld over twee verdiepingen, klaar zijn voor gebruik. Ze moeten Europa geven waar het naar snakt: meer chips van eigen bodem.
De fabriek, een samenwerking tussen Europese chipbedrijven en het Taiwanese TSMC, kost een slordige 10 miljard euro, waarvan de helft uit de Duitse staatskas komt – een vorm van staatssteun die Brussel een paar jaar geleden waarschijnlijk niet had toegestaan. Maar de tijden zijn veranderd. Er is haast bij.
Want Europa voelt zich kwetsbaar. Het was al flink schrikken tijdens de coronapandemie, toen de verstoorde chiptoevoer uit Azië leidde tot massaal stilvallende lopende banden bij Europese autobedrijven. Eind vorig jaar bleek er weinig geleerd: opnieuw een golf van industriële paniek, toen Beijing tijdelijk de aanvoer van Nexperia-chips uit Chinese fabrieken afkneep vanwege een conflict met Nederland over deze chipfabrikant.
De risico’s zijn niet denkbeeldig. Woensdag publiceerde de Europese Commissie daarom haar voorstel voor een Chips Act 2.0, als onderdeel van een breder pakket om de ‘technologische soevereiniteit’ te versterken. Welke troeven heeft Europa op het gebied van chips? En wat is er voor nodig om die goed te spelen?
Van gebrek aan ambitie kon je de EU niet betichten, toen het drie jaar geleden haar eerste Chips Act invoerde. De EU, goed voor grofweg 10 procent van de wereldwijde chipproductie, wilde eind dit decennium 20 procent van die productie in handen hebben.
De ontnuchtering volgde snel: vorig jaar concludeerde de Europese Rekenkamer dat de EU eerder op een marktaandeel van zo’n 12 procent aankoerst.
Ook de Europese Commissie maakt zich geen illusies meer. ‘We gaan dat doel niet halen’, gaf Henna Virkkunen, Eurocommissaris van Technologische Soevereiniteit en vicevoorzitter van de Commissie, in maart onomwonden toe in gesprek met de Volkskrant. ‘Ik denk dat we een aantal grote investeringen zijn misgelopen die we destijds probeerden binnen te halen.’
Daarmee verwijst ze onder meer naar grote chipfabrieken die in Duitsland en Polen hadden moeten komen, maar waar het Amerikaanse chipbedrijf Intel de stekker uit trok om kosten te besparen. Waar voor 30 miljard euro de duurste chipfabriek van Europa had moeten verrijzen in Maagdenburg, ligt nog gewoon landbouwgrond. De EU kan nog zoveel nieuwe chipfabrieken willen, dat lukt alleen als bedrijven er brood in zien.
Dit betekent niet dat de Chips Act geen effect heeft gehad. Volgens de Commissie is er 52 miljard euro aan publieke en private investeringen in de Europese chipsector losgekomen met dank aan deze wet. Alleen groeit de chipproductie in de rest van de wereld minstens zo hard.
Het probleem is dat de Chips Act volgens de Europese Rekenkamer zichtbaar ‘met grote spoed’ in elkaar is gedraaid, waardoor er nauwelijks tijd was voor evaluaties van eerdere strategieën en een impactanalyse vooraf. Hierdoor heeft de EU zich te veel blindgestaard op het opvoeren van de productie zonder na te denken over wie die chips dan zou kopen.
Het is geen toeval dat veel van de grote producenten die Europa al wél heeft, zoals NXP, Infineon en STMicroelectronics, stuk voor stuk de Europese auto-industrie tot hun belangrijkste klanten rekenen. Daar zit de vraag. De auto-industrie wordt ook de belangrijkste afnemer van de fabriek in Dresden.
Bedrijven die bijvoorbeeld geavanceerde AI-chips kunnen ontwerpen, heeft Europa dan weer nauwelijks. Daarin hebben de VS een grote voorsprong gepakt. De ironie was voelbaar toen Eurocommissaris Virkkunen vorig jaar Jensen Huang, CEO van het Amerikaanse bedrijf Nvidia, op sociale media bedankte voor zijn bijdrage aan de Europese AI-ambities. Zonder Amerikaanse chips uit Taiwanese fabrieken geen Europese AI.
Very happy about NVIDIA’s intention to support AI factories and Gigafactories in Europe. Their advanced AI chips, investments and expertise are most welcomed and needed. Thank you Jensen Huang for your commitment to support the EU’s ambition to lead in AI.
[image or embed]
Bij het optuigen van een chipindustrie komt dan ook meer kijken dan een paar chipmachines neerzetten en draaien maar. Om te beginnen gaat achter het woord ‘chip’ een wereld van variëteit schuil. Van de tamelijk simpele schakelaartjes uit Nexperia-fabrieken ter grootte van een rijstkorrel tot de rekenbakbeesten die Nvidia ontwerpt voor AI-datacenters.
Het maken van verschillende soorten chips is extreem specialistisch werk. Zo kan het dat het Taiwanese TSMC een bijna onwrikbaar monopolie heeft op het maken van geavanceerde chips die razendsnel kunnen rekenen. Zuid-Koreaanse bedrijven domineren dan weer de productie van geavanceerde geheugenchips, die grote hoeveelheden data kunnen opslaan en snel weer ophalen. Hun kennis valt niet zomaar even te kopiëren.
Maar ook bij eenvoudigere chips van soms maar een paar cent per stuk, zoals die van Nexperia, is het lastig concurreren met fabrieken wier productieprocessen jarenlang zijn verfijnd. Zijn je chips ietsje duurder, dan staat je fabriek al op achterstand. De relatief hoge energie- en loonkosten helpen Europa niet mee. Virkkunen ziet die obstakels ook. ‘Maar er zijn honderden van dat soort chips nodig per auto. We moeten de kwetsbaarheid van die toevoerketens toch proberen te adresseren.’
‘Je kunt er heus nog wel gaten in schieten’, zegt Maaike Heijmans, die de geopolitiek van technologie onderzoekt bij denktank Clingendael. ‘Maar de nieuwe Chips Act is alweer een heel stuk beter dan de vorige. En we moeten onszelf ook weer niet te klein maken.’
Zo blinkt specifiek Nederland uit in het bouwen van machines om chips mee te produceren, met ASML als schoolvoorbeeld. TSMC is nergens zonder de machines uit Veldhoven. Maar ook machines van Besi uit Duiven en ASM uit Almere zijn van wereldwijd belang. Ook voor China.
De Europese Unie stelt zich in de Chips Act 2.0 ten doel om meer chiptechnologieën te ontwikkelen waar de rest van de wereld niet zonder kan. Complete Europese onafhankelijkheid is fantasie, dus kun je maar beter zorgen dat anderen ook afhankelijk van jou zijn, is het idee. ‘De kans dat anderen jouw leven écht heel zuur maken, wordt daardoor kleiner’, zegt Heijmans.
En dat treft: elders wordt met bewondering gekeken naar wat er allemaal wordt uitgevonden in Europese technische universiteiten en vermaarde onderzoeksinstituten als het Vlaamse Imec. ‘Alleen lijken Europeanen onderzoek doen leuker te vinden dan zakendoen, denk ik weleens’, zegt Heijmans. ‘We zijn er in Europa niet zo goed in om die kennis om te zetten in iets dat je kunt verkopen.’
Dat weten ze in Brussel ook wel. De Europese Commissie wil daarom meer geld vrijmaken om te investeren in innovatieve nieuwkomers. Chipbedrijven die in Europa zitten of investeren, moeten een streepje voor krijgen bij aanbestedingen. Voor de plannen is naar schatting 120 miljard euro aan publieke en private investeringen nodig tussen nu en 2035.
Maar het grootste verschil met de eerste Chips Act is de aandacht voor wie al die nieuwe chips en technologieën moet gaan gebruiken – een belangrijke wens van de sector. ‘We moeten echt zorgen dat onze automotive-industrie sneller overstapt op nieuwe generaties chips’, zei Luc Van den hove, de onlangs opgestapte CEO van Imec, bijvoorbeeld recentelijk tegen de Volkskrant. Hij noemde het gebrek aan innovatie in de auto-industrie een groot obstakel voor een sterkere Europese chipindustrie.
De Europese Commissie wil nu chipbedrijven en eindgebruikers, bijvoorbeeld in de auto- of defensie-industrie, actief aan elkaar gaan koppelen. Deels gaat het om nieuwe toepassingen, zoals voor autonoom rijden, aldus Henna Virkkunen. ‘Tegelijkertijd is er nu ook al veel vraag naar chips in Europa, waarvoor we nu sterk afhankelijk zijn van derde landen.’ Ook daar ziet ze een grotere rol weggelegd voor Europese chipfabrikanten.
De Commissie erkent hiermee dat je het oplossen van strategische kwetsbaarheden niet aan de markt kunt overlaten, volgens Heijmans. ‘Als niemand het voortouw neemt, blijven bedrijven stuk voor stuk chips halen waar ze het goedkoopst en makkelijkst verkrijgbaar zijn. Ze zijn bezig met hun eigen puzzelstukje, zonder de hele puzzel te overzien. Het is toch een beetje industriepolitiek wat de Commissie nu doet, iets waar lange tijd een taboe op rustte.’
Belangenorganisaties als ESIA (Europese chipbedrijven) en FME (Nederlandse techindustrie) zijn blij dat de Europese Unie nu veel meer naar de vraag kijkt. Al waarschuwen ze dat chipprojecten opzetten nog steeds te duur is en te langzaam gaat, mede door lange vergunningstrajecten en complexe regelgeving die per lidstaat kan verschillen.
Er klinkt meer kritiek. Oliver Falck, directeur van de Duitse denktank Ifo Center for the Economics of Innovation and Digital Transformation, noemt de Chips Act 2.0 in een mail ‘goedbedoeld’. Hij vreest alleen dat lidstaten vooral zullen proberen om bestaande bedrijvigheid te sponsoren, in plaats van werkelijk nieuwe innovatie tot bloei te brengen. ‘Het succes hangt af van de implementatie.’
Heijmans ziet het positief. ‘Op basis hiervan gaan we weer verder. Ik merk dat de kennis over de chipindustrie bij Europese ambtenaren flink is toegenomen. Het denken is gelukkig omgeslagen in de afgelopen jaren.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant