Lokaal bestuur
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Jack de Vries, burgemeester van Maassluis, sprak zich afgelopen week uit tegen het voornemen van de nieuwe coalitie in zijn gemeente om niet aan de spreidingswet te voldoen en asielzoekers op te vangen. Die uitspraken ogen moedig. Ze volgen vergelijkbare geluiden van burgemeesters, recent in NRC, onder wie vrijdag die van Papendrecht. Zij voelden zich zowel in de steek gelaten door Den Haag als door gemeenten die geen asielzoekers willen opvangen.
Zulke noodkreten tonen de institutionele eenzaamheid van de moderne burgemeester. Die is allang niet meer de regent uit Swiebertje. Ze zijn, zei vicepresident van de Raad van State Thom de Graaf, zowel een „boegbeeld” als een „aambeeld”, waar „naar hartenlust op wordt geslagen”.
De burgemeester is benoemd door de kroon maar afhankelijk van de gemeenteraad, wiens vergaderingen hij of zij ook voorzit. Naar buiten toe vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente, maar binnen de gemeente is hij soms verlengstuk van het Rijk – zie naast de uitspraken van De Vries ook bijvoorbeeld de coronabeperkingen die landelijk werden bepaald maar lokaal werden afgedwongen. Ze kunnen ergens iets van vinden, maar hebben weinig politieke macht.
Tegelijkertijd ontwikkelden burgemeesters zich de afgelopen decennia wel steeds meer tot een ‘sheriff’, die alsmaar meer bevoegdheden kreeg om de openbare orde te bewaken. Deze week nog werd de toch al goed gevulde bestuursrechtelijke gereedschapskist weer wat verder gevuld, toen het kabinet burgemeesters meer mogelijkheden gaf om het demonstratierecht in te perken.
De burgemeester is dus machtig, maar ook dienend. De uitspraken van De Vries werpen daarom een belangrijke vraag op: wat is eigenlijk de gewenste verhouding tussen landelijke en lokale overheid?
Burgemeesters zitten klem tussen een rijksoverheid die steeds meer van gemeenten eist en gemeenteraden die daar dan ook wat over te zeggen willen hebben. De decentralisatiegolf van de jaren tien heeft bevoegdheden eerder vervaagd dan verhelderd. Dat schuurt als de democratisch verkozen gemeenteraad iets anders wil dan de democratisch verkozen Tweede Kamer, die de spreidingswet aannam (maar daarin gemeenten ook een geitenpaadje bood om op nul uit te komen).
Die spanning tussen lokaal en landelijk is de afgelopen jaren opgelopen en raakt vrijwel alle grote dossiers: van verduurzaming tot jeugdzorg, van woningbouw tot asielopvang. Dat burgers en hun vertegenwoordigers op lokaal niveau daar niet alleen iets over willen vinden maar ook iets over willen beslissen, is begrijpelijk. Dat ministers voor de uitvoering van hun beleid niet afhankelijk willen zijn van de welwillendheid van een raad is dat eveneens.
Omgekeerd kunnen gemeenten die zich aan gedeelde opgaven onttrekken in de toekomst niet op solidariteit van anderen rekenen; en een Rijk dat te gemakkelijk taken doordrukt, verliest de welwillende medewerking van gemeenten. De ideale gemeente is uitvoeringsorganisatie van het Rijk noch vrijstaat.
Maar over wat daartussen moet bestaan wordt in Den Haag al te lang onvoldoende nagedacht. De bestuurlijke spagaat waarin de spreidingswet burgemeesters én gemeenten plaatst, dwingt tot bezinning. Duidelijkere verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn niet alleen werkbaarder voor burgemeesters en wethouders; ze maken ook eerlijker duidelijk wat burgers van welk bestuur mogen verwachten – en wat niet.