Volkswagen heeft deze week in het Spaanse Martorell de productie gestart van twee betaalbare elektrische stadsauto's: de ID. Polo en de Cupra Raval. De fabriek van Seat en Cupra is begonnen met de serieproductie van beide modellen, die behoren tot een nieuwe generatie elektrische B-segmentauto's van de Volkswagen Groep. De goedkoopste uitvoering kost net onder de 25.000 euro — maar die is voorlopig nog niet te bestellen.
Grote ambitie voor betaalbare elektrische auto's
VW-topman Oliver Blume omschreef de nieuwe modellen eerder als een aanval op een van de grootste segmenten in de Europese automarkt. Jaarlijks wil de groep honderdduizenden exemplaren van deze modelfamilie verkopen. De officiële productiestart in Martorell werd bijgewoond door Spaans premier Pedro Sánchez, VW-topman Oliver Blume en Thomas Schäfer, de CEO van Volkswagen. Daarmee kreeg de aftrap een vergelijkbaar politiek gewicht als de lancering van het eerste ID-model in Zwickau in 2019.
Het project omvat vier volledig elektrische modellen van drie merken — VW, Cupra en Škoda — die allemaal in Spanje worden gebouwd. Naast de twee Martorell-modellen volgen ook de Škoda Epiq en de VW ID. Cross uit het Spaanse Pamplona.
Goedkope versie pas vanaf september leverbaar
Het instapmodel van net onder de 25.000 euro is er bij de lancering nog niet. Zowel de ID. Polo als de Cupra Raval zijn bij de start alleen verkrijgbaar in duurdere uitvoeringen met een groot accupakket, voor ruim 30.000 euro. Pas in juli kunnen kopers de goedkopere basisversie bestellen; levering volgt dan pas in september.
Concurrenten zijn VW al voor. De Renault Twingo Electric kost al rond de 20.000 euro. De Dacia Spring en de Leapmotor T03 liggen nog lager, en de Citroën ë-C3 is dankzij een tijdelijke actie verkrijgbaar voor iets meer dan 17.000 euro.
Branchekenner Frank Schwope, verbonden aan de 'Fachhochschule des Mittelstands' in Berlijn, stelt dat 25.000 euro voor een echte instapmodel tegenwoordig te duur is. Het meest betaalbare instapmodel wordt waarschijnlijk de ID. Every1, die volgend jaar voor ongeveer 20.000 euro in Portugal op de markt komt.
Spanje lokt met lage kosten en subsidies
Dat de productie naar Spanje gaat, heeft alles met geld te maken. In Duitsland is het simpelweg te duur om zulke compacte auto's rendabel te bouwen. Spanje biedt goedkope zonnestroom voor de batterijfabricage, lagere loonkosten en bovendien bijna 400 miljoen euro aan overheidssteun. In totaal investeerde de Volkswagen Groep samen met partners 10 miljard euro in de elektrificatie van de Spaanse productielocaties.
Om de kosten verder te drukken, delen de vier modellen 80 procent van hun onderdelen — maar alleen op plekken waar de klant het verschil niet ziet. De ontwikkeling werd gecentraliseerd bij Cupra, wat volgens VW 600 miljoen euro bespaarde.
Duitse fabrieken profiteren indirect
Voor de werknemers in Wolfsburg en andere Duitse VW-fabrieken is de situatie minder zorgwekkend dan het lijkt, benadrukt vakbondsvoorzitter Daniela Cavallo. VW bouwt zijn kleinste benzinemotoren al jarenlang niet meer in Duitsland. De Polo als verbrandingsauto rolde al eerder van de band in datzelfde Spaanse Martorell. Cavallo ziet goedkope instapmodellen als een manier om klanten aan het merk te binden. Wie begint met een kleine elektrische auto, kan later overstappen op een groter model — en die komen wél uit Duitsland.
Uit de Salzgitter-batterij fabriek in Duitsland komen voorlopig nog de accupakketten voor de duurdere uitvoeringen. De goedkopere lithium-ijzerfosfaatbatterijen voor de basisversies gaan later uit de nieuwe fabriek in Valencia komen.
CUPRA Raval en Volkswagen ID. Polo 2016 (@Volkswagen Pressroom)
Source: Fok frontpage