Dansen in de gevangenis De uitzichtloosheid waarin de Britse muzikant, performer en choreograaf Blackhaine opgroeide, echoot hard door in ‘And now I know what love is’. De beeldende kracht van de voorstelling ging vrijdag echter grotendeels schuil. Achter het publiek.
‘And Now I Know What Love Is’ van Blackhaine.
And Now I Know What Love Is van Blackhaine. Gezien: 5/6, Bajes Amsterdam.
Info: hollandfestival.nl
In de vervallen keuken en wasserij van de voormalige Bijlmerbajes komen bezoekers dit weekend oog in oog met ongebreidelde narigheid. Bij binnenkomst al: door een tunnel van metalen hekwerken (heel toepasselijk op deze locatie) betreedt het publiek de in dikke rookwolken gehulde speelvloer, waar een zwart geklede figuur roerloos tegen een betegelde muur hangt. De vrouw die na enige tijd verschijnt loopt met een dode blik in hyperslowmotion door de ruimte. Weer later kreperen mensen zieltogend op de vloer.
De dolende, levende doden zijn producten van de verbeelding van de Britse muzikant, performer en choreograaf Blackhaine (Tom Heyes), die onder andere bekend is door samenwerkingen met de (omstreden) rapartiesten Ye en Playboi Carti. Opgegroeid in het door armoede en achterstand geteisterde Noordwesten van Engeland kent Heyes de uitzichtloosheid en verveling uit eerste hand. Hijzelf ontsnapte aan de afstomping dankzij zijn woedende rapteksten en een mix van muziekstijlen als drill, postpunk, experimentele hiphop.
In de Bajes kastijden snoeiharde bass drones (140 decibel and counting) de trommelvliezen. Nu en dan klinken eenvoudige, verzachtende gitaarmelodieën, soms valt het geluid helemaal stil. In het tweede deel worden de bewegingen van de zeven performers heftiger. Zelfhaat, agressie, pijn en angst spreken uit hun gebaren en heftige stuiptrekkingen, die Blackhaines affiniteit met de Japanse butohdans verraden. Het thema van isolatie en wanhoop krijgt ook uitdrukking in de teksten die, moeilijk verstaanbaar, worden uitgespuugd door enkele performers.
Na verloop van tijd zoeken de door het leven geslagen individuen elkaar op. Hun ongemakkelijke geduw en getrek evolueert langzaam tot ondersteuning, tederheid zelfs. Analoog aan de sfeerverschuivingen verschiet de ruimte van kleur (lichtontwerp Emmanuel Biard): blauw, rood, geel. Tegen het einde barsten de vier vrouwen uit in een woeste rondedans, maar hun uitgelaten kreten eindigen in machteloos gekerm.
Zo pendelt And now I know what love is heen en weer tussen eenzaamheid en verbinding, vertwijfeling en hoop. Uiteindelijk lijkt Blackhaine hoop het laatste woord te geven. Vanaf een kleine oase met jonge boompjes stuurt een van de vrouwen harmonieuze gitaarklanken de ruimte in. Terwijl het licht dooft, lijkt een andere vrouw rust (of de dood?) bij haar te vinden.
Overigens: de beschrijving hierboven is onder voorbehoud. Dit alles speelt zich namelijk af tussen het rondlopende publiek, niet ongebruikelijk bij dergelijk grungy theater. Helaas dromt het vrijdagse publiek telkens zo dicht om elke nieuwe actie heen dat ten minste de helft van het publiek ruim de helft van de tijd hooguit de helft van de performance heeft kunnen zien. Meekijken op de schermpjes van hoog gehouden telefoons biedt enige soelaas, maar ideaal is anders.
Is het de bedoeling bezoekers zo te laten ervaren wat uitsluiting is, wat geen toegang hebben betekent? Niet ondenkbaar, gezien de rode draad in het oeuvre van Blackhaine. Als theatraal concept zou het wat mager zijn, contraproductief bovendien, want de ontegenzeglijk beeldende kracht van de opgevangen glimpen verdient beter.