Getroffen boeren in de Noordoostpolder zijn ervan overtuigd: het mkz-virus dat er veertig jaar geleden rondging, was ontsnapt uit een laboratorium in Lelystad. Het werd steeds ontkend. Uit onderzoek van de Volkskrant blijkt nu: het was inderdaad vrijwel zeker een lablek.
Geruchten zijn er altijd al geweest. Frans Renne uit Nagele was nog jong toen een virus de stieren van zijn familiebedrijf kreupel deed lopen en zoveel bekpijn veroorzaakte dat de dieren moeite kregen met drinken. Veeboeren, maar ook plaatselijke dierenartsen zeiden tegen elkaar dat het zeer besmettelijke mkz-virus wel uit het laboratorium moest komen. ‘Wijzelf en de buren, iedereen wist dat het daarvandaan kwam’, zegt Renne. ‘Bewijs hadden we niet, maar we waren daar wel zeker van.’
Krantenartikelen en persberichten van het ministerie van Landbouw en Visserij vertellen een ander verhaal over de besmettingen met mond-en-klauwzeer (mkz) die eind 1983, begin 1984 de Noordoostpolder treffen. Zo kopt de Volkskrant ruim een jaar na de uitbraak dat het virus volgens drie onafhankelijke onderzoeken niet is verspreid door het nabijgelegen Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) in Lelystad.
Burgers die zeker zijn van een lablek, overheidsinstanties die het tegendeel beweren: sinds de SARS-CoV2-uitbraak in Wuhan klinkt dat bekend in de oren. Wat velen niet weten, is dat laboratoria in de recente geschiedenis geregeld de oorzaak van een virusuitbraak zijn geweest. Van een zo’n berucht Nederlands geval blijkt na onderzoek van de Volkskrant nu eindelijk hoe de vork in de steel zat. Een reconstructie van het vermeende lablek in de Noordoostpolder van 1983, waar wetenschappelijke openheid hard botste met politieke en economische belangen. Archieven en betrokkenen die na veertig jaar openheid van zaken geven, schetsen een totaal ander beeld dan wat de overheid de Nederlandse burgers voorschotelde.
Op donderdagavond 29 december 1983 steekt een dierenarts zijn hand in de bek van een pink (jonge koe) van melkveehouder Guus Habets in Nagele. Loszittende vellen op de tong wijzen onmiddellijk op een van de meest besmettelijke dierziekten die een boer op zijn erf kan krijgen: mond- en klauwzeer. ‘Bij een koe merk je het meteen aan de melkproductie’, zegt Habets, inmiddels gepensioneerd. ‘Die neemt plotseling af. Bij een pink zie je het aan de witte vlokken uit de bek.’
Koeien, varkens en andere hoefdieren die met mkz besmet raken, krijgen hoge koorts. In de bek, aan de rand van de hoeven en aan de spenen vormen zich blaren en zweren. Het gevolg: kreupelheid, vermagering en een daling van de melkafgifte.
De dieren van Habets zijn niet de eerste die het virus oplopen. Al begin december merkt overbuurman Renne dat zijn ongeënte dieren pijnlijke bekken hebben en kalveren niet uit de spenen willen drinken. Een dierenarts herkent de symptomen echter niet als mkz, waarna half december, door verplaatsing van een besmet dier uit Rennes stal, het vee van weer een andere buurman besmet raakt. ‘Gelukkig hadden we een gesloten systeem, anders was het allemaal veel erger geweest’, zegt Renne. ‘We hadden niet graag vreemd volk in onze stal.’
Zodra de uitbraak bekend wordt bij de Veterinaire Dienst, in die tijd een overheidsinstantie die toeziet op de diergezondheid en voedselveiligheid van dierlijke producten, gaat het snel. De getroffen boerderijen krijgen een strikt vervoersverbod. De bedrijven worden ontsmet met natronloog en alle dieren van de getroffen boerderijen worden geruimd – of ze nu ziek zijn of niet.
Zelf wilde hij er niet bij zijn, vertelt Habets. ‘Met de koeien had ik een band. Ze stamden allemaal af van de ene koe die mijn vader in 1946 als bruidsschat had gekregen. Ik hoorde het wel, vanuit de keuken. Telkens als ze een koe een spuitje hadden gegeven, hoorde ik het dier vallen in de vrachtwagen. Boem!’
Mkz-uitbraken zijn een zeldzaamheid geworden, maar tot halverwege de vorige eeuw vielen Nederlandse veehouderijen er geregeld aan ten prooi. Het virus verspreidt zich erg gemakkelijk naar de omgeving via de adem en de pus uit de zweren en blaasjes. Het blijft lang leven in de buitenlucht en ongevaccineerde hoefdieren, zoals koeien, varkens en geiten, zijn er zeer bevattelijk voor. ‘Er zijn zelfs studies geweest die laten zien dat het virus vanaf het Europese vasteland is overgewaaid naar het Verenigd Koninkrijk’, zegt Arjan Stegeman, hoogleraar gezondheidszorg landbouwhuisdieren aan de Universiteit Utrecht. Luchtvochtigheid speelt daarbij een belangrijke rol. ‘Als besmetting via de wind gebeurt en het komt echt ver, dan is er bijna altijd water in de buurt.’
Over de bron van de uitbraak in de Noordoostpolder weet Stegeman het fijne niet. Wel zegt hij dat dergelijke labuitbraken in die tijd zeker niet uitzonderlijk waren. ‘Er zijn schattingen dat wereldwijd ongeveer een derde van de mkz-uitbraken te wijten is aan lablekken.’
Dat getal komt uit een rapport van de Europese Commissie uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Volgens dat rapport waren 13 van de 34 mkz-uitbraken tussen 1977 en 1987 ‘mogelijk veroorzaakt door uit laboratoria ontsnapte virussen’, of door het gebruik van vaccins die onbedoeld ‘levend’ virus bevatten. Het betrof instellingen die mkz-vaccins produceerden, daarbij ondersteund met kwaliteitscontroles en ontwikkelingsonderzoek in laboratoria – net als in Lelystad. De uitbraak in de Noordoostpolder zit niet bij die dertien inbegrepen.
Hoewel de veiligheidsvoorschriften sindsdien strenger zijn geworden, blijven laboratoria een bron van besmettingen. Volgens een internationale studie naar labuitbraken raakten tussen 2001 en 2021 minimaal 309 medewerkers van onderzoekslaboratoria op allerlei plekken op de wereld besmet met de ziekten die ze er onderzochten. Zestien ziekteverwekkers – zowel bacteriën als virussen – ontsnapten uit de laboratoria, waaronder mond- en klauwzeer. In 2007 ontsnapte het mkz-virus via het riool uit een onderzoekslaboratorium in het Britse dorpje Pirbright en drie jaar eerder ontglipte het virus de streng beveiligde onderzoeksafdeling van het Animal Disease Center op Plum Island in de VS.
Dit lijken kleine aantallen, maar waarschijnlijk worden lang niet alle ontsnappingen openbaar gemaakt. De gevolgen kunnen bovendien groot zijn. ‘Dit is een van de redenen waarom er wereldwijd een streven is om te stoppen met preventieve vaccinatie tegen mond- en klauwzeer’, zegt Stegeman. De productie van het vaccin is immers risicovol. De EU stopte met preventieve inentingen in 1992.
Het laboratorium in Lelystad, tegenwoordig Wageningen Bioveterinary Research genaamd, bevindt zich aan de noordwestkust van de Flevopolder. Volg de kustweg naar het noorden en het eerstvolgende dorpje is Nagele. Daar, in een van de boerderijen, zit Frans Renne aan een grote tafel. Zijn zoon luistert aandachtig mee. ‘We hadden het gehoord via een achternicht die bij het Centraal Diergeneeskundig Instituut werkte’, herinnert Renne zich. ‘Zij vertelde ons dat er bij het CDI een virus was ontsnapt naar een varkensstal binnen hetzelfde instituut. Ze hadden allemaal moeten douchen voordat ze weg mochten.’ De tijd tussen de uitbraak en de besmetting van hun eigen veestal, berekende de familie, viel binnen de incubatietijd van de ziekte. ‘Het klopte precies.’
Hoewel douchen na bezoek van de stal standaardpraktijk was, blijkt het verhaal van de achternicht min of meer te kloppen. Jan van Oirschot, voormalig onderzoeker bij het CDI, weet nog goed hoe hij ergens in november 1983 de stal van het CDI betrad om varkens te onderzoeken die waren ingespoten met een vaccin tegen Aujeszky, een varkensziekte.
‘Ik liep met een dierenverzorger de stal in en zag dat er varkens kreupel liepen. Een varken had een blaar op zijn snuit’, vertelt hij. ‘Ik dacht: verrek, dat lijkt wel mond- en klauwzeer.’ Hij herinnert zich dat hij schrok: de stallen werden verondersteld perfect geïsoleerd te zijn van de ruimten waar mkz-vaccinproductie of -onderzoek plaatsvond. ‘Ik dacht: hoe kan dat nou? Het was echt een goed geïsoleerde stal in een hypermodern instituut. Ik heb het direct gemeld aan het hoofd van het mkz-lab en mijn varkens zijn geruimd.’
Op een oude plattegrond van het CDI tonen dikke lijnen hoe de afdelingen van elkaar zijn geïsoleerd. De isolatiestallen met het vee liggen aan de rechterzijde van een binnenplaats, de vaccinproductie en het laboratorium liggen links. De stallen zijn niet direct te betreden vanuit het laboratorium. Het personeel kan elk van beide vleugels alleen verlaten na een grondige douche. Hoe was het mogelijk dat de varkens van Van Oirschot toch een mkz-virus uit de andere vleugel hadden opgelopen? En was er inderdaad een verband met de mkz-uitbraak bij de veeboeren?
In januari 1984 zit biochemicus Dick van Zaane in een CDI-overleg als de directeur van het instituut, Jaap van Bekkum, even opstaat om de telefoon op te nemen. Eenmaal terug zegt hij: ‘Er is mkz in de Noordoostpolder.’ Van Bekkum is overleden, maar Van Zaane weet zeker dat de mogelijkheid van een lablek onmiddellijk door het hoofd van de directeur moet zijn geschoten. ‘Het was voor hem het ergste wat hem kon overkomen. Hij was ook directeur geweest in Amsterdam, waar hij dagelijks met dat probleem te maken had gehad.’
Met ‘dat probleem’ doelt Van Zaane op lablekken uit een vroegere CDI-vestiging in Amsterdam, waar indertijd het mkz-vaccin is ontwikkeld. Tot 1971 gebeurde het mkz-onderzoek er op het marineterrein langs het IJ. Dat daar zo nu en dan virus uit weglekte, was algemeen bekend. ‘De uitbraken deden zich vooral voor langs de grenzen, daarnaast was er regelmatig mkz in de omgeving van Amsterdam, vermoedelijk het gevolg van de aanwezigheid van het niet voldoende beveiligde mkz-instituut’, staat bijvoorbeeld in de geschiedschrijving van een eeuw CDI. ‘Dat was ook de aanleiding om dat hele instituut te verplaatsen van het IJ naar de polder, met in de directe omgeving geen mond- en klauwzeergevoelige dieren’, legt Van Zaane uit.
Het instituut in Lelystad voldeed aan de modernste veiligheidseisen. ‘Het was een gasdichte doos waaruit niks mocht ontsnappen’, zegt Van Zaane. ‘Het was hartstikke goed geregeld. Er waren meerdere niveaus van veiligheid. Wel bleek dat sommige constructies toch niet helemaal bestand waren tegen intensief ontsmetten met natronloog, waardoor er wat roestvorming was bij de kozijnen. Maar er was altijd onderdruk. Stel dat er ergens een barstje was in het systeem, dan zouden de virussen toch binnen blijven.’
Voor Van Zaane, die enkele maanden na de uitbraak hoofd mkz-veiligheid werd bij het CDI, is het niettemin duidelijk: het mkz-virus kwam uit het instituut. Het virus dat de dieren van de Noordoostpolder bij zich droegen, zo bleek uit eigen onderzoek van het CDI en uit onafhankelijk onderzoek van het Britse Animal Virus Research Institute, was namelijk exact hetzelfde als het virus dat het CDI gebruikte voor de vaccinproductie. Buiten het lab kwam dit virus niet voor.
‘Ze onderzochten dit door het RNA van het virus in stukjes te hakken en te ordenen op afmeting en lading’, legt Van Zaane uit. De vlekkerige patronen die zo ontstonden, vormden de ‘vingerafdruk’ van het virus. De wetenschappers zagen geen verschil tussen de virusstam van de uitbraak en dat van de vaccinproductie, vertelt Van Zaane: ‘De kans dat het iets anders was, is echt heel erg klein.’ Het ministerie van Landbouw en Visserij was hiervan op de hoogte.
Tien maanden na de uitbraak, begin november 1984, ontvangt CDI-directeur Jaap van Bekkum een korte brief van het ministerie van Landbouw en Visserij. De directeur van de Veterinaire Dienst, M.J. Dobbelaar, verwijst hierin naar een overleg met Van Bekkum enige dagen eerder. De brief bevestigt dat de heren onderling hebben afgesproken geen mededelingen te doen aan derden over de inhoud van een onderzoeksrapport betreffende de ‘zwakke punten’ in het veiligheidssysteem van het instituut. ‘Mocht U door buitenstaanders over dit rapport worden benaderd’, besluit Dobbelaar zijn brief, ‘dan dient U hen door te verwijzen naar de heer Van der Hende, directeur Voorlichting en Externe Betrekkingen, Ministerie van Landbouw en Visserij.’
De betrokkenen zijn overleden, maar het rapport dat het ministerie in 1984 liever geheimhoudt, is anno 2026 te vinden in een vuistdikke documentatiemap in het Nationaal Archief in Emmen. Het bevat de resultaten van eigen CDI-onderzoek naar zwakke plekken in het veiligheidssysteem van het instituut. Er is tevens een rapport over onafhankelijk sporenonderzoek, gedaan in opdracht van de Veterinaire Dienst. Van een Utrechtse hoogleraar besmettingsleer, wijlen Cornelis Winkler, komt het derde onderzoeksrapport, waarover de Volkskrant destijds schrijft in het nieuwsbericht. Zijn verslag, onder meer over de mogelijkheid dat het virus zich via de wind heeft verspreid, blijkt veertig jaar later helaas onvindbaar.
In het onderzoeksrapport van het CDI zet directeur Van Bekkum de zwakke plekken in de beveiliging van zijn instituut overzichtelijk op een rij. Hij schrijft over de mkz-uitbraak in de eigen varkensstallen, maar ook over een storing van het ventilatiesysteem in de stalgang. Sommige filters van de airconditioning blijken verkeerd geplaatst en een lek in de riolering van de varkensstal kan in theorie tot interne lekkage hebben geleid.
Het rapport rept verder van slecht zicht op de naleving van de strenge veiligheidsvoorschriften, bijvoorbeeld doordat opvallend veel extern technisch personeel en schoonmakers de streng beveiligde afdeling betreden. Een dierenverzorger nam het niet zo nauw met de regel om geen boerderijen te bezoeken en de stalen raamkozijnen en deuren verkeren in een slechte staat. ‘Met name bij de proefdierruimten’, schrijft Van Bekkum, ‘levert dit een risico.’
Ook de sporenonderzoekers wijzen in hun verslag op mogelijke contacten tussen de boeren en mensen in het instituut. Hun conclusie: ‘Hoewel er geen directe aanwijzingen zijn, doet een samenloop van omstandigheden en gebeurtenissen in de periode eind oktober - eind november vermoeden dat het mkz-virus afkomstig is uit het CDI te Lelystad en is overgebracht naar een veehouderijbedrijf aan de Domineesweg.’ Een duidelijke hoofdoorzaak van het lablek blijkt echter moeilijk aan te wijzen.
In de kantlijn van de conceptrapporten heeft iemand met een potlood suggesties geschreven. ‘Anders’ staat er bij de conclusie van de sporenonderzoekers. En naast een opmerking over de onvoorzichtige dierenverzorger is gekrabbeld: ‘Weglaten?’
De auteurs van het eindrapport van de Veterinaire Dienst hebben dergelijke suggesties duidelijk ter harte genomen. Het rapport, dat de Tweede Kamer in maart 1985 ontvangt, bevat nauwelijks details over de genoemde zwakke plekken in het veiligheidssysteem van het CDI. De conclusie is stellig: ‘Dat de mkz-gevallen in de Noordoostpolder vanuit het CDI zouden zijn veroorzaakt, is een verdenking welke uitsluitend berust op de identiteit van het virustype en de geringe afstand van de betreffende veehouderijbedrijven tot het CDI.’ Ook het begeleidende persbericht stelt dat er ‘geen aanwijzingen zijn dat de mond- en klauwzeergevallen in de Noordoostpolder hun oorsprong vonden in het CDI’.
De media nemen deze conclusie over.
Ruim een jaar eerder, op dinsdagochtend 10 januari 1984, stijgt vanaf de grensovergang tussen Gent en Rijsel zwarte, stinkende rook op. Franse boeren hebben de deuren van Nederlandse vrachtwagens geforceerd en 20 ton ingevroren varkensvlees op straat gekieperd. De karkassen hebben ze met dieselolie in brand gestoken. De Franse regering besluit daarop niet langer bevroren vlees in te voeren uit het met mkz besmette Nederland.
De export van vers vlees en zuivel naar andere Europese landen is dan al verboden. Ook allerlei landen in Azië, het Midden-Oosten, Noord- en Zuid-Amerika sluiten de grenzen voor Nederlandse producten. Volgens verslagen van de Veterinaire Dienst reizen handelsdelegaties een half jaar later nog altijd de wereld over om de export van zuivelproducten weer op gang te krijgen.
‘In de 19de eeuw was een mkz-uitbraak niet zo’n ramp’, vertelt wetenschaps- en milieuhistorica Floor Haalboom van de Universiteit Utrecht. Mond- en klauwzeer was een endemische ziekte. ‘Het was een nare gebeurtenis, de meeste dieren herstellen ook wel weer. Het idee dat je het koste wat het kost moet voorkomen, was nog niet aan de orde.’
Dat idee wint in de 20ste eeuw aan kracht, zeker met de komst van een vaccin. De jaren tachtig staan vervolgens in het teken van productiegroei en winstmaximalisatie. Koeien die ooit met mkz zijn besmet geven minder melk. Dat, gecombineerd met steeds kleinere winstmarges in de zuivel- en vleesindustrie, leidt tot steeds grootschaliger overheidsbeleid om elke besmetting te voorkomen. Na elke uitbraak gooien importerende landen hun grenzen dicht. ‘Een uitbraak kost geld door de productieverlaging, maar de schade voor de exportpositie is belangrijker’, zegt Haalboom.
Waarom het ministerie van Landbouw de oorzaak van de mkz-uitbraak in 1983 liever niet van de daken schreeuwt, is anno 2026 lastig te achterhalen. Het ministerie van Landbouw zegt geen contacten te hebben met betrokkenen van indertijd. Maar dat handelsbelangen een rol hebben gespeeld, lijkt voor de hand te liggen. ‘De kosten van een mkz-uitbraak zijn enorm, doordat het een handelsziekte is geworden’, zegt hoogleraar gezondheidszorg van dieren Arjan Stegeman. ‘In Duitsland was er in januari vorig jaar een uitbraak waarbij maar veertien waterbuffels besmet raakten. Er was nog niet eens een commercieel bedrijf geraakt. En toch, doordat alle grenzen dichtgaan, kost zoiets al snel meer dan een miljard euro voor een land.’ Vergelijkbare overwegingen lijken dit jaar ook in Rusland een rol te spelen, waar de destructie van tienduizenden dieren lijkt te wijzen op een mkz-uitbraak, maar wat Rusland ontkent.
Ook Van Zaane denkt dat economische belangen de kwestie gevoelig maakten. ‘Mensen hebben verschillende posities en verantwoordelijkheden en dat leidt ertoe dat ze de zaken op hun manier naar voren brengen’, zegt Van Zaane, zijn woorden zorgvuldig wegend. ‘De wetenschap moet zaken vaststellen met wetenschappelijk verantwoorde methoden. De communicatie moet mensen goed voorlichten, maar die hebben ook het belang van Nederland en van de landbouwsector in economische zin te behartigen.’
Guus Habets heeft een map vol documentatie over de tijd dat zijn boerderij geruimd moest worden en hij enkele maanden niet kon melken. Doordat 1984 een ijkjaar was voor het melkquotum (het maximum aantal liters dat een boer jaarlijks mocht melken), liep hij in de jaren die volgden veel geld mis. ‘We kregen bijna 10 procent minder quotum’, zegt hij. ‘Het erge is: al die jaren die ik daarna nog heb gemolken, ben ik altijd die tien weken kwijt geweest.’ De rechtszaak die hij hierover voerde tegen de staat, verloor hij. ‘Op weg naar Den Haag zijn we in de file terechtgekomen en toen we eenmaal aankwamen, was de zitting al afgelopen.’
Van Zaane krijgt soms nog weleens vragen van vrienden en medewerkers: wat denkt hij nou van die uitbraak in de jaren tachtig? ‘Dan stel ik mij achter het wetenschappelijke standpunt: er was geen verschil aantoonbaar tussen het virus dat toen gebruikt werd voor de vaccinproductie en dat van de uitbraak. Als je iets van virussen weet, snap je dat de kans op toeval heel erg klein tot verwaarloosbaar is. Zie je wel, zeggen sommigen dan: het kwam er toch vandaan.’
Een jaar na de mkz-uitbraak in de Noordoostpolder besluit het ministerie van Landbouw tot een grondige verbouwing van het onderzoeksinstituut in Lelystad om het te laten voldoen aan de hoogste standaarden. Als hoofd mkz-veiligheid ziet Van Zaane er tot aan zijn pensioen nauwlettend op toe. ‘Alles is erop gericht om ervoor te zorgen dat het risico zo klein mogelijk is’, zegt hij. ‘Je neemt maatregel op maatregel op maatregel en telkens wordt het risico op een lablek weer kleiner, tot een honderdste van een honderdste procent. Maar theoretisch kan het nooit nul zijn. Dat is het pas als je geen labonderzoek meer doet.’
Van een mogelijke link tussen deze uitbraak in 1983/84 en het CDI was de huidige directie niet op de hoogte totdat hierover navraag werd gedaan door de Volkskrant. ‘De afgelopen decennia zijn de bioveiligheidseisen steeds verder aangescherpt, aansluitend bij de ontwikkelingen in de stand van de techniek en technologische vooruitgang. Een uitbraak zoals wordt beschreven in het artikel lijkt ons met de huidige kennis, stand van de techniek en stringente bioveiligheidsmaatregelen daarom hoogst onwaarschijnlijk.’
Een woordvoerder mailt in een korte reactie dat het ‘andere tijden waren’. ‘Het is niet te achterhalen voor ons waarom dit toen zo is gelopen – ervan uitgaande dat de theorie klopt. Uiteraard is het van groot belang dat alles veilig gebeurt. Daar staan we voor.’
Deze productie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
Kopieën van alle in dit artikel genoemde documenten zijn in het bezit van de redactie van de Volkskrant.
Source: Volkskrant